Herinneringen aan het Stedelijk

Als u dit leest zijn de deuren dicht, de weemoedige stukjes geschreven, op één na. Daar ben ik nu aan bezig. Het gaat over het Stedelijk Museum, de historische gebeurtenis van 1 maart 1951. De nieuwe toon in de literatuur werd gezet door degenen die zich de experimentelen noemden. Ik las wat ze schreven, in hun tijdschriften, Braak en Podium en het gelijkgestemde Cobra en Reflex, dat ook voor de beeldende kunst was. Een nummer van Cobra had op het omslag de foto van een wijd opengesperde mond met uitgestoken tong; een halve eeuw later een van de meest versleten gemeenplaatsen van de uitdaging, eigentijds gezegd het fuck you. Die uitdrukking was toen nog niet ingeburgerd. Binnenin stond het gedicht van Lucebert, Verdediging van de vijftigers, met de volgende regels:

Tegen uw muren zwellen wij met het rapalje tot een blaas,

een zware zak vol lachen, krampen, gillen en geraas,

uw hemel wordt met onze zwerende ervaring overladen.

Ik was 23; het beviel me goed (en nu nog). Alles wat de experimentelen deden, maakte me nieuwsgierig. En toen kwam de Podiumavond in het Stedelijk, de kans om het gezelschap in werkelijkheid te zien. Het was stampvol. De meerderheid was wat we nu noemen Concertgebouwpubliek, geletterde Amsterdammers, liberaal, openstaand voor de vernieuwing, en wonend in de buurt, Oud-Zuid. Het kan zijn dat de verwachtingen hooggespannen waren omdat een jaar tevoren, bij de opening van de Cobra-tentoonstelling, ook in het Stedelijk, een vechtpartij was uitgebroken, tussen voor- en tegenstanders van Lucebert. In ieder geval waren er meer dan vierhonderd mensen.*

Het programma voor de pauze was mooi. Remco Campert las zijn Een neger uit Mozambique, en Gerrit Kouwenaar en Hans Andreus kwamen met hun poëzie die evenmin tot handgemeen aanzette. Na de pauze keerde het publiek op volle sterkte terug, het bewijs dat Oud-Zuid voor de nieuwe poëzie ontvankelijk was. Nu was Lucebert aan de beurt. Zijn eerste gedicht, getiteld De Analphabeet, bestond uit het abc dat hij zonder mankeren opzegde. Volgende. De dood van de minister-president. Hij nam een plechtige houding aan, en met zijn zachte stem zei hij: ,,De minister-president is een kanon. Piep piep piep piep piep.''

De zaal werd onrustig. Dat heb je bij de confrontatie met een vernieuwing. Je weet niet wat de bedoeling is. Lachen, boos worden, stil bewonderen, afwachten? Uit die collectieve aarzeling ontstaat de onrust. Volgende gedicht. ,,Herfst'', zei Lucebert, pakte het glas water van de lessenaar en goot het op zijn hoofd leeg. Hij liet geen tijd verloren gaan, haalde een woordenboekje tevoorschijn en las voor: ,,Kut, kutje. Lul, lulletje.'' Dit werd het publiek van 1951 te machtig. Bah! en Genoeg! werd er geroepen. Terwijl de dichter een kerststerretje aanstak, verlieten demonstratief de boosgewordenen de Van Gogh-zaal. Demonstratief weglopen, een kunst op zichzelf. Wandelstokken tikten een woedend staccato op het parket.

Andere mooie herinnering aan het nu verdwijnend Stedelijk: ergens in maart 1961, mijn kennismaking met het werk van Jean Tinguely, de tentoonstelling Bewogen beweging. Zelden heb je het geluk dat je, volkomen onverwachts, kunst tegenkomt die een puur gevoel van opluchting veroorzaakt. Dat had ik bij de eerste aanblik van zijn machines, en alweer, zo is het gebleven. Ik was daar in gezelschap van mijn jongste zoon, die toen drie was. Het heeft me moeite gekost hem weer mee naar buiten te krijgen. Dat, heb ik later gelezen, was een van de bedoelingen van de kunstenaar.

Derde herinnering: The Beanery van Edward Kienholz. De tijdloze geborgen godverlatenheid, of godverlaten geborgenheid van een kroeg in Los Angeles. Gemaakt in 1965, door het Stedelijk gekocht in 1971. Als ik mijn gevoel van vergankelijk kracht wilde bijzetten, ging ik even naar The Beanery.

En ja, dat zal niet iedereen weten, maar als het goed is, moet er van deze columnist ook nog iets in het Stedelijk aanwezig zijn. Onder invloed van het Britse genie Damien Hirst, voor of na zijn vondstenarij in Brooklyn op de tentoonstelling Sensation te hebben bestudeerd, heb ik de installatie Le Verdun des moustiques gemaakt. Dat begon zo. Een paar zomers geleden kreeg ik, door welke oorzaak dan ook, opeens veel muggen in mijn kantoortje. Ze wilden naar buiten, vlogen tegen het glas en stierven in de vensterbank. (Alleen op zondag; op weekdagen had ik ze de vrijheid gegeven). Zo hoopten de lijkjes zich op, bij tientallen. Toen vond ik een mooi doosje van glashelder plastic. Daar heb ik de muggen ingedaan. Van veraf gezien leek het een ingewikkeld, ragfijn sculptuurtje. Maar muggen vastlijmen, dat kan niet. Ik heb het doosje onder het kopieërapparaat gelegd, nog wat geprutst met contrast, belichting en vergroting, en zo is er een volgens mij wondermooi stukje grafiek ontstaan. Als Damien Hirst graficus was geweest, zou hij er jaloers op zijn. Dit werk heb ik aan Rudi Fuchs geschonken. Voor niets. Ik hoop het t.z.t. in het nieuwe Stedelijk te zien hangen.

* Voor een uitvoerig verslag, zie Piet Calis, `Het elektrisch bestaan. Schrijvers en tijdschriften tussen 1949 en 1951.' Amsterdam, 2001.