Een vulkanische zoon van Napels

Federì, de vader van de verteller in Domenico Starnones roman De straat der klachten, is behalve een mythomaan en een megalomaan een rechtgeaarde zoon van de stad Napels: schreeuwerig, stuurs, vulkanisch, grofbesnaard, gargantuesk en doorkneed in vindingrijke trucs om zijn omgeving te beduvelen. In 1922, als hij pas vijf lentes telt, maakt hij al een volmaakt portret van Mussolini. Maar zijn passie voor de schilderkunst wordt gesmoord door zijn verwekker, die vindt dat zoonlief moet gaan werken. Dus wordt de begaafde Federì onderhoudselektricien en vervolgens stationschef eersteklas. Hij trouwt met de fraaie Rusiné, sticht een gezin en beoorloogt de wereld intussen met zijn schilderijen, zijn schimpscheuten, zijn vuisten, zijn duizelingwekkende verhalen, zijn strapatsen en litanieën. De werkelijkheid zoals zij zich voordoet – ranzig en gierig – is niet genoeg voor deze faustische man. Hij romantiseert en fabuleert erop los en door middel van zijn schilderijen en zijn verhalen herschept hij alles naar eigen inzicht. Tegelijkertijd eist hij voortdurend genoegdoening, instemming en loftuitingen, want hij voelt zich boven iedereen verheven.

Dat een dergelijke kolkende en nurkse persoonlijkheid weinig ruimte laat voor andere interpretaties dan de zijne, wekt geen verwondering. Zoon Mimì, die verdacht veel overeenkomsten vertoont met de auteur Domenico Starnone, kan pas na de dood van zijn vader zijn stem verheffen door een boek te schrijven dat de succesverhalen van Federì nuanceert en tegelijkertijd een afrekening poogt te zijn met die twistzieke man en diens kolossale ego. Hij hunkert ernaar `eindelijk die knellende liefdesband niet meer te voelen, die erger is dan strakgespannen prikkeldraad rondom de hartspier.'

Het resultaat van dat verlangen en die worsteling is De straat der klachten, dat vooral inzoomt op de periode dat Mimì als kind en puber in de Napolitaanse Via Gemito woonde en dagelijks moest meemaken hoe zijn vader zich tierend en schoppend door het leven blufte. De verteller komt echter tot de ondervinding dat het geenszins meevalt iemand de maat te nemen die altijd mateloos is geweest en die bovendien zijn hele leven lang een hermetisch universum heeft geschapen waarvan hij de onbetwiste heerser was. Hoewel hij zijn best doet de leugens van zijn vader te ontzenuwen en met zijn eigen woorden na te denken en te spreken, constateert hij al vertellende herhaaldelijk dat zijn personage hem over het graf heen souffleert. Moet hij, zo vraagt hij zich soms wanhopig af, dan maar genoegen nemen met het beeld dat Federì van zichzelf heeft geschapen in zijn verhalen, omdat hij amper nog onderscheid kan maken tussen wat hij zich herinnert en wat zijn vader `me met zijn woorden heeft laten zien'?

Halfhartig doet hij naspeuringen en probeert hij zich te baseren op de werkelijkheid van plaatsen, feiten en data. Maar tegelijkertijd wordt hij (als afstammeling van een onbedaarlijke fantast) bevangen door twijfel aan zijn eigen versie en aan de doeltreffendheid van de taal, die volgens hem tekortschiet wanneer het gaat om het `vastleggen van de warboel van stemmen, gebaren, hartkloppingen, goede en slechte gezondheid, snikken, ouderwets schaterlachen, pijnlijke gezichten, die we in ons gewone taalgebruik een individu noemen.' In die optiek is de verteller per definitie een onbetrouwbare verteller en kan een verhaal nooit recht doen aan de werkelijkheid: `zelfs als het alleen maar de waarheid vertelt, gebruikt en misbruikt het de fantasie.'

Behalve een haast cartooneske beeltenis van een demonische vader is De straat der klachten dus ook het strijdtoneel van twee vertellers, die beiden op hun manier de taal als bezweringsinstrument hanteren. Dit duel komt soms ook fraai aan de oppervlakte in de stijl, wanneer binnen één zin de `live-stem' van de vader en de commentaarstem van de zoon naadloos in elkaar overgaan: `door haar schuld is mijn vader vanavond ten minste 300.000 lire misgelopen, ingenieur Isabella wilde twee schilderijen kopen, de onderhandelingen waren in volle gang, en zij had het voor hem verpest, wat waren dat voor kutmaniertjes, [...] jij beseft dat niet, Rusiné, met je lachjes en geschater [...].'

Een dergelijke vertelstrategie creëert ook de nodige intimiteit en vaart, de lezer wordt voortgesleurd, ook al omdat de ene anekdote over de andere heen buitelt. Ondanks dat hoge verteltempo heb je geregeld de indruk dat je niet vooruitkomt in deze lijvige roman. Misschien is de overvolle bladspiegel daar debet aan, maar het heeft zeker ook te maken met de vele herhalingen waarin de verteller (Mimì achter de rug van Federì om of Federì als buikspreker van Mimì) vervalt. Uiteindelijk zou het misschien toch ten goede zijn gekomen aan de roman als de geïntimideerde en weifelmoedige zoon-verteller-auteur zich wat robuuster teweer had gesteld tegen die sacrosancte praatjesmaker van een vader, zodat er een wat gelaagder verhaal zou zijn ontstaan.

Domenico Starnone: De straat der klachten. Vertaald door Rob Gerritsen. Bert Bakker, 400 blz. euro 25,–