De toekomst als therapie

`Hoe kon een intelligente, beschaafde man als u communist worden?', vroeg een lezer ooit aan de Frans-Spaanse schrijver Jorge Semprún. 'Hoe kon zo iemand dat in 1942, 1943 niet worden', was zijn antwoord. `Stalingrad. De westerse democratieën hadden het ondemocratische, onwettige Spanje van Franco erkend. Ik studeerde als jonge balling in Parijs filosoie: Heidegger, Hegel, Marx...'

De ontdekking van Marx betekende een `verbluffende bezieling'. Marx `raasde' als een `orkaan' over zijn ideeën, blies de manier omver `waarop hij in de wereld stond' en riep in zijn `ziel de behoefte op de wapens op te nemen', verklaart Semprún in zijn zojuist in het Nederlands uitgebrachte Le mort qu'il faut. Hoe anti-communistisch, of beter: anti-totalitair hij nu ook is, Semprún heeft de intensiteit van zijn vroegere overtuiging nooit geloochend, noch ooit lafhartig gezegd dat hij eigenlijk nooit communist geweest is (wat wij uit de mond van ex-CPN-'ers wel eens moeten aanhoren).

Zijn marxisme bood inzicht, troost en kracht en hoe had hij zonder dat alles de ballingschap en de oorlog moeten doorstaan? Daarom ook was zijn afscheid ervan een veel langduriger proces dan het moment in 1964 waarop de grande dame van het stalinisme, La Pasionaria, hem als `bourgeois revisionist' uit de leiding van de Spaanse partij royeerde.

Wie Semprún zegt, zegt Buchenwald, het kamp waarin hij als verzetsstrijder terechtkwam. Uit die autobiografische bron put ook deze roman. `De dode' uit de titel, letterlijk: `de dode die we nodig hebben', is een Franse kampgenoot die in het `Revier' ligt te kreperen. Omdat de jongen nagenoeg even oud is als hij, zou Semprún diens identiteit kunnen aannemen. Dan wordt hijzelf als overleden in de mensenboekhouding genoteerd. Partijgenoten maken Semprún duidelijk dat die aanstaande dood een bof is. Berlijn heeft bij de Gestapo naar hem geïnformeerd en dat voorspelt weinig goeds. Dat zijn kameraden hiervan op de hoogte waren en dus op zoek gingen naar een geschikte stervende, kon doordat de administratie in Buchenwald in 1943 in handen was van de Duitse communisten die daar al vóór de oorlog gevangen zaten.

Die kampadministratie was van onmetelijk belang. Wie het daar voor het zeggen hadden bepaalden, om maar iets te noemen, welke gevangenen naar welke arbeidscommando's werden gestuurd. En zoals de `rode aristocratie' de jonge Rotspanier beschermde, omdat hij gespaard moest blijven voor het wereldcommunisme en de strijd tegen Franco, zo heeft diezelfde aristocratie andersdenkenden meer of minder opzettelijk op Himmelfahrtkommando gestuurd – op de lijst voor transport gezet als de SS een bepaald aantal gevangenen eiste voor een dodelijk zwaar buitenkamp.

In De dode met mijn naam treft de Semprún-lezer veel vertrouwds aan. Allereerst de stijl. Zoals gebruikelijk waaiert het verhaal vanaf de eerste alinea uit. Via associatieve uitweidingen voert de auteur ons de werkelijkheid binnen van het concentratiekampbestaan – de stank van de latrinebarak waar de zieken op rij hun diarree laten lopen, met als plezierige bijkomstigheid de gegarandeerde afwezigheid van de alomtegenwoordige SS. En de zwoele `goudbruine' stem van Zarah Leander die overal uit de luidsprekers komt, behalve in die ene niet aangesloten uithoek van het kamp: de collectieve goot. Vanuit die krochten herneemt de auteur zijn verhaal om langs nieuwe zijwegen ons de omgangsvormen van het kamp uit te leggen, de dodelijke hierarchieën en keuzes, de manieren van volhouden, sterven of nog-niet-dood-zijn maar ook niet meer leven.

In feite beslaat De dode met mijn naam één dag. Met de gebeurtenissen en ontmoetingen van die ene kampzondag weet Semprún het kamp op te roepen en zelfs te analyseren hoe zijn herinneringen daaraan in de zestig jaar sedertdien zijn veranderd. Ook thematisch bevinden we ons dus op bekend terrein.

Semprún is bij uitstek een auteur die steeds hetzelfde boek schrijft; ook in zijn niet-autobiografische fictie keren het communisme, Buchenwald en zijn verwerking van die twee steeds terug (al is zijn net in Spanje verschenen roman Veinte anos y un día daarop een uitzondering). Dat blijkt telkens de moeite waard. Als geen ander heeft Semprún in zijn opeenvolgende romans laten zien dat traumatische herinneringen geen foto zijn, maar interpretaties. Herinneringen worden gevormd doordat het slachtoffer zijn ervaringen betekenis geeft.

Semprúns kampherinneringen waren ingevuld binnen de contouren van zijn communistische identiteit – ze `dreven in het heilig oliesel' van het communistisch gelijk, zoals hij schrijft in Zo'n mooie zondag! (1980). Dat oliesel verwijdert hij steeds iets meer zodat hij boek na boek dichter bij de ontluisterende harde kern komt van wat het heeft betekend om communist te zijn. Welke gevaren dat bracht, maar welke voordelen ook. Welke motieven hij had en hoe hij zijn zelfbedrog tot zich liet doordringen.

In De dode met mijn naam weigert een Jehova-getuige – in kamptaal: een `paarse driehoek' – hem over de Sovjet-kampen te vertellen. De jonge communist, die bovendien dankzij zijn partij in Buchenwald een machtige positie heeft, zal de waarheid toch niet willen horen. Het is waar, erkent Semprún: hij kon het in die hel alleen maar volhouden als hij volhield te geloven. Uit Zo'n mooie zondag! weten we dat Semprún letterlijk in ademnood kwam toen het bestaan van Sovjet-kampen na Solzjenitsyn, midden jaren zestig, wél tot hem doordrong.

Eén scène in het bijzonder komt in De dode met mijn naam hard aan: Semprúns ontmoeting, Praag 1969, met een oud dametje met gerimpelde appelwangen, de weduwe van Josef Frank. Toen deze Tsjechische jood in 1952 als slachtoffer van de schijnprocessen werd opgehangen, wist Semprún met absolute zekerheid dat Franks bekentenis dat hij in Buchenwald voor de Gestapo had gewerkt, niet waar was. Niet waar kón zijn. Hij had in Buchenwald met Frank samengewerkt en zou het kamp niet levend zijn uitgekomen als deze inderdaad Gestapo-agent was geweest. Toch bleef hij communist.

Semprúns schrijfcarrière spreekt het cliché tegen dat concentratiekampoverlevenden hun ervaringen zo snel mogelijk en zo vaak mogelijk zouden moeten uiten. Voor Semprún gold het tegendeel. De eerste tien, twintig jaar wilde hij over zijn `zijn buiten het leven' niet praten, erover schrijven lukte pas in 1963 – eerder zou zelfmoord zijn geweest (Schrijven of leven, 1994). Het verlaten van de communistische partij was een voorwaarde – emotioneel zowel als praktisch –, want na zijn bevrijding reisde Semprún als leider van het communistische verzet tegen Franco illegaal heen en weer tussen Frankrijk en Spanje. Die concentratie op de toekomst heeft volgens hemzelf als therapie gewerkt. Maar in 1964 werd hij `gedwongen zichzelf te worden'.

Al kenden filmliefhebbers Semprún van zijn scenario's (in Alain Resnais' indrukwekkende La Guerre est finie vertolkte Yves Montand zijn naoorlogse clandestiene leven), bekend werd de auteur bij ons pas door Wim Kayzers interviewreeks Nauwgezet en wanhopig. De vertaling van De grote reis (1964) was toen alleen nog antiquarisch verkrijgbaar. Het toeval wilde dat Kayzer Semprún interviewde op een bijzonder moment: toen hij minister van Cultuur werd in het vrije, democratische Spanje. In 1936 was zijn deftige, katholieke vader als ambassadeur van de Republiek uitgezonden naar Den Haag, waar hijzelf als dertienjarige ontroerd Vermeers Gezicht op Delft en Fabritius' Puttertje ontdekte. Toen Nederland in 1939 Franco-Spanje erkende, volgde ballingschap in Parijs. In 1988 was de cirkel rond: Jorge was terug bij het Retiro-park in Madrid. Legaal, met een kantoor recht tegenover het huis waar hij was opgegroeid.

Semprúns biografie is ook een biografie van de twintigste eeuw. De twee grote wanen van die eeuw, communisme en nazisme, bepaalden zijn leven. Maar niet helemaal. Zijn gevoeligheid heeft hij nooit verloren.

Jorge Semprún: De dode met mijn naam. Vertaling door Truus Boot van Le Mort qu'il faut. Meulenhoff, 200 blz. euro 18,50