De snotneus had gelijk

Kniertje, uit Herman Heijermans' `Op hoop van zegen' staat bekend als een tragische heldin. Van dat beeld klopt niets. Wie was Kniertje?

Kniertje, de vissersweduwe uit Herman Heijermans' toneelstuk Op hoop van zegen uit 1900, is een van de bekendste vrouwenfiguren in de Nederlandse literatuur. Zelfs wie Heijermans, onze meest gespeelde toneelschrijver, niet kent en wie zelden een theater bezoekt, heeft wel van Kniertje gehoord. Haar naam staat symbool voor het protest van de socialist Heijermans tegen de gewetenloze kapitalistische reders. De vis wordt duur betaald! Kniertje heeft zich in het geheugen vastgezet als een tragische heldin, een Hollandse Moeder Courage.

Van dit gangbare beeld klopt niets.

Kniertje was weliswaar slachtoffer van de scheepseigenaar Bos, maar staat toch vooral model voor volgzaamheid, slaafsheid, gelovige berusting. Ze was medeplichtig aan de ondergang van haar zoons, hard voor haar kinderen en lotgenoten, de hielen likkend van de reder, die lang geleden ook nog eens van haar seksuele diensten gebruikmaakte. Eén van de onsympathiekste figuren uit de literatuur: dat is Kniertje.

Het is de befaamde actrice Esther de Boer-van Rijk, zelf een toonbeeld van onafhankelijkheid en fierheid, geweest die de tragische kant van de vissersvrouw in het nationale geheugen heeft gebrand. Meer dan 1.200 keer heeft zij Kniertje gespeeld, sinds de première op kerstavond 1900 in de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. Ook vertolkte ze de rol in de eerste film van Op hoop van zegen.

Wat Heijermans beoogde met het stuk ligt er duimendik bovenop. Hij woonde na 1897 twee jaar in Wijk aan Zee en in Katwijk waar hij `de gruwelijke ellende eener visschersbevolking' had gezien. De reders zonden wrakkige vissersschepen uit, waarbij zij willens en wetens het risico namen dat die zouden vergaan. In dat geval konden ze het verzekeringsgeld opstrijken. De aanklacht tegen deze praktijken, die Op hoop van zegen in de eerste plaats is, heeft geleid tot de Schepenwet van 1909 ter vergroting van de veiligheid en het tegengaan van scheepsrampen. Maar het stuk was ook een aanklacht tegen de onderworpenheid van de hoofdpersoon aan de brute reder en tegen de godsdienst en de kerk die de mensen dom hielden – de vrouwen in het bijzonder.

Algemeen bekend is van Kniertje eigenlijk alleen maar de verzuchting over de duurbetaalde vis, maar die woorden praat ze alleen maar van een buurvrouw na. ,,Truus het gelijk: de vis wordt duur betaald...'' Ook het beeld van Kniertje als een stokoud besje dat met een pannetje soep, gekregen van de indirecte moordenaar van haar man en kinderen, het toneel af strompelt, is onjuist. In de pan waarmee Kniertje na de onheilstijding over haar verdronken zoons ontroostbaar huiswaarts keert zitten een `paar kóúwe kotelette'.

Wie was Kniertje? Biografische gegevens zijn nogal schaars, maar er valt toch wel een en ander uit de tekst van het toneelstuk te destilleren. Om te beginnen haar leeftijd. Kniertje was niet stokoud, zoals zij veelal is voorgesteld. In de loop van het stuk, dat in de herfst en winter van 1900 speelt, wordt ze 61 jaar. Ze is dus eind 1839 geboren. Nu was 61 voor die tijd bepaald niet jong, zeker niet in milieus die gebukt gingen onder een zwaar bestaan, maar haar tijdgenote Aletta Jacobs, geboren in 1854, reisde nog op 71-jarige leeftijd naar New York om een conferentie over geboortebeperking toe te spreken.

Kniertje is rooms-katholiek. In haar armoedige woonkamer staat een kast met heiligenbeeldjes, ze maakt schoon bij de pastoor, ze draait `lippen-prevelend een rozenkrans' en haar inwonende nichtje Jo leest een gebed voor uit `De katelieke illestrasie'. Verder heeft ze een broer, Kobus, even arm en onderdanig als Kniertje zelf, die in hetzelfde vissersdorp waar zij woont in het diakenhuis zit. Het dorp heeft dus een gemengde bevolking, want diaconieën, ouderenzorg voor mensen die niet zelf in hun levensonderhoud konden voorzien, waren instellingen van de hervormde en gereformeerde kerken. Het is ook mogelijk dat Heijermans – zelf van joodse afkomst – hier de merken door elkaar haalde.

Nooit is opgehelderd waar Op hoop van zegen zich afspeelt. In Kniertjes geboortedorp, zoveel staat vast. Uit opmerkingen van reder Bos blijkt dat hij Kniertje al zijn hele leven als dorpsgenote kent. Heijermans vermeldt slechts dat het stuk speelt in een `Noordzee-vissersplaats'. Aangezien het om haringvissers gaat, moeten we kiezen tussen plaatsen die rond de eeuwwisseling een haringvloot hadden: Vlaardingen, Scheveningen, Maassluis, Katwijk en Noordwijk. De zeevissers daar vormden rond 1900 geïsoleerde groepen die onder erbarmelijke omstandigheden samenleefden en moeilijk te organiseren waren in vakbonden.

Vlaardingen en Maassluis vallen af, dat zijn blijkens de tekst naburige vissersplaatsen. Op hoop van zegen moet dus wel spelen in Scheveningen en niet in het noordelijker (protestantse) Katwijk of Noordwijk. Bij de première waren de vissers en hun vrouwen bovendien gehuld in Scheveningse klederdracht. Omdat Heijermans wilde voorkomen dat het schandaal waartegen het stuk een aanklacht was aan één plaats werd gekoppeld, liet hij in het programmablad vermelden dat `de Scheveningse kostuums niet aanduiden dat de handeling daar ter plaatse voorvalt'. Maar de Scheveningers zelf dachten en denken daar anders over. Ieder jaar worden daar bij een standbeeld van een vissersvrouw de omgekomen vissers uit vroeger tijden herdacht. Het beeld van het Scheveningse vrouwtje aan het eind van de Keizerstraat wordt niet voor niets `Het Kniertje' genoemd. Voor Scheveningen als plaats van handeling pleit ook dat het al aan het begin van de twintigste eeuw een pier had – en zegt Kniertje niet, als er weer eens een schip moet binnenvaren waarvan een deel van de bemanning waarschijnlijk is omgekomen: ,,'k heb me buik vol van dat wachte op de pier - as de pièr is vertelle kon...'' De Scheveningse vissersvloot werd in 1894 in vliegende storm voor een groot deel vernietigd. Mogelijk heeft deze tragedie Heijermans geïnspireerd.

We kunnen ook een naam geven aan het straatarme katholieke vissersgezin in Scheveningen waar Kniertje in 1839 is geboren. De voornaam Cuniertje komt al sinds de zeventiende eeuw veelvuldig in het dorp voor. Maar Heijermans maakt ook een duidelijke toespeling op een boertige dialoog van Bredero: Twee-spraeck, tusschen Kniertje Knelis en Lijsbet Leffers. Kniertje Knelis wordt door Bredero als een belachelijk klagerig vrouwspersoon opgevoerd. Ooit is zij op een familiefeestje geschoffeerd door een jonkman voor wie zij altijd heel vriendelijk is geweest. In het toneelstuk is het reder Bos die Kniertje komt schofferen op haar verjaardagsfeestje, ook al heeft zij hem altijd zo vriendelijk haar diensten verleend. Kniertje met haar hulpeloze geweeklaag is vast vernoemd naar Kniertje Knelis, dochter van Cornelis.

Ze is vroeger mooi geweest. Een pittig meisje met donkere ogen. Reder Bos kent haar uit die tijd en haalt daar, flirtend met Kniers jonge nichtje Jo, met smakkende lippen intieme herinneringen aan op. Helaas heeft hij met z'n vloot van acht loggers nu geen tijd meer voor dergelijke frivoliteiten, maar hij ziet nog graag `zo'n paar zwarte ogies' en zegt tegen Kniertje: ,,Mag 'k toch wel zeggen? Ongevaarlijk – tijd gehad – hahaha.'' Waarop 't gewillige vrouwtje, zoals ze kennelijk in haar jonge jaren ook deed, antwoordt: ,,Gaat uw gang maar...''

In de opvoering van Op Hoop van Zegen op het Terschellinger Oerol Festival eerder dit jaar, met Joke Tjalsma in de rol van Kniertje, suggereert de regisseur dat de gedienstige weduwe in het verleden een relatie heeft gehad met de ploertige reder Clémens Bos. Heijermans zegt dat niet met zoveel woorden, maar hij refereert wel regelmatig aan een gemeenschappelijke jeugdhistorie tussen de schurkachtige uitbuiter en de slovende vissersweduwe. Dit verklaart ook waarom Kniertje door de reder wordt voorgetrokken boven de andere vissersvrouwen: ze `mag' bij hem werken en krijgt wel eens wat etensresten van zijn vrouw of dochter mee.

De verhouding met Bos kan ook de reden zijn dat Kniertje laat getrouwd is – katholiek, geen maagd, welke man wilde haar nog? Vermoedelijk trouwde ze pas op haar 28ste. Omstreeks dat jaar, zo valt te reconstrueren, is haar oudste zoon Jozef geboren. In haar kringen komt het vaak voor dat er pas getrouwd wordt als de vrouw in verwachting is. Haar nichtje Jo, zwanger van Kniertjes 26-jarige zoon Geert, heeft trouwplannen, haar vriendin Marietje, zwanger van visser Mees, idem dito. De oorzaak van Kniertjes late huwelijk kan ook zijn dat er niet veel mannen beschikbaar waren, de meesten kwamen immers om in zee.

Hoe het ook zij: omstreeks 1868 trad Kniertje in het huwelijk met een visserman, Vermeer, voornaam onbekend, van wie ze vier zoons kreeg: Jozef, Hendrik, Geert en Barend. In 1888 is het schip van reder Bos, de Clementine, op de Doggersbank vergaan. Aan boord Kniertjes echtgenoot en twee oudste zoons, geen van drieën teruggekeerd. Op het zand gebleven.

Geert was toen veertien, Barend zeven en allebei hebben ze er een trauma aan overgehouden. Geert is opstandig geworden, opvliegend, driftig en – nadat hij heeft moeten meevechten op Atjeh – socialistisch. Tot grote schaamte van zijn moeder is hij er bij de marine uitgegooid wegens opruiend gedrag en een gevangenisstraf van zes maanden. Bij thuiskomst maakt hij zijn nicht Jo zwanger om vervolgens aan te monsteren bij reder Bos op diens drijvende doodskist met de omineuze naam Op hoop van zegen.

De negentienjarige Barend, lichamelijk niet sterk en om die reden afgekeurd voor militaire dienst, moet van zijn moeder ook mee. Hij is bang, weet dat `De Hoop' niet zeewaardig is en weigert. Maar Kniertje dwingt hem. Ze laat hem door de politie bij haar wegsleuren, louter en alleen omdat ze van Bos al een voorschot op zijn gage heeft geaccepteerd. Barend, al een jaar werkloos, heeft geen keus: een andere baan kan hij niet krijgen omdat Kniertje hem niet naar school heeft gestuurd. Anders dan broer Geert en nicht Jo is hij analfabeet. Als hij roept dat dat niet zijn schuld is, snauwt Kniertje: ,,Nee – 't is de mijne. Drie jaar heb 'k ondersteuning gehad – 't eerste jaar drie – 't tweede twee vijf-en-twintig – 't derde 'n daalder – de andere negen kon 'k rondscharrele...'' Wanneer reder Bos zich in het gesprek mengt met de opmerking dat ze vergeet hoe hij haar altijd heeft gesteund, slijmt ze: ,,Daar blijf 'k u dankbaar voor, meneer. As 'k bij u en bij de pastoor niet had kenne werke of is 'n warrem kliekie hale – dan – dan – En dat verwijt de snotneus me nog!...''

De snotneus had gelijk. Kniertje bracht haar kinderen groot zonder zich erom te bekreunen dat zij ten offer moesten vallen aan haar weldoener Bos, in vertrouwen op God en vol berusting. Haar zoon Geert verwijt haar die onderworpenheid ook. Als ze weer eens klaagt dat ze er niets aan kan doen dat ze moet slijmen met reder Bos, omdat ze nu eenmaal afhankelijk van hem is, antwoordt Geert: ,,Afhankelijk! Wees nièt afhankelijk! 't Is 'n eer voor je om bij 'm schoon te make! 'k Zou geld tóe-betale! Zeg dank-ie as je de bril van z'n bestekamer mag schrobbe! Afhankelijk! 't Kantoor dweile, de vuile boel reddere, de modder van z'n laarze likke – tweemaal in de week vijftig cente en de kliekjes, die ze op d'r borde late staan, die ze niet meer lùste! Als je je niet je hele leven door die braniemaker, die zelf met niks begonnen is had laten trappe en behandele as 'n sloof – terwijl me vader en me broers om voor hém duite te verdiene op 't zand zijn gebleven – dan zou je hém z'n huid volschelde dat-ie de brutaliteit het gehad z'n bek open te doen!''

Kniertje steunt: ,,God zal me beware'', waarop Geert reageert: ,,God zal jou beware om áltijd je nek te buige.''

Heijermans legt dus een zware verantwoordelijkheid bij Kniertje, hij laat zien dat de stakker medeschuldig is aan de dood van haar zoons, in elk geval aan die van Barend die ze gedwongen heeft uit te varen. Als in het derde bedrijf de storm opsteekt en jonge en oude vissersvrouwen samen met reder Bos' dochter Clementine in Kniertjes huis bijeen zijn en praten over de angsten die ze uitstaan voor hun dierbaren op zee, doet Kniertje alsof het een natuurwet is dat vissers in lekke schuiten worden opgeofferd voor het verzekeringsgeld van de reder. Kwaad is ze daar niet over. Haar enige verweer zijn de legendarische woorden: ,,Truus het gelijk, de vis wordt duur betaald.'' Veel typerender voor haar houding is echter de kille vermaning die ze uitspreekt tot de opstandige Jo, Geerts zwangere verloofde: ,,Ga na je bed – en bid – bidde is de énige troost - 'n zeemansvrouw mot niet zwak weze.''

Als de Op hoop van zegen is vergaan, krijgt Kniertje van reder Bos te horen dat ze niet hoeft te rekenen op financiële ondersteuning uit het weduwen- en wezenfonds. Een paar koude koteletten kan ze krijgen. Kniertjes enige reactie: ,,De here motte 't zellef weten – hoe ze met me wille – de here...''

De biografie van de 61-jarige overziende, luidt het antwoord op de vraag: wie was Kniertje, dat zij niet alleen een slachtoffer van kapitalistische uitbuiting en vrouwenonderdrukking was, maar vooral een prototype van vrome, onderdanige achterlijkheid. Ze staat in Scheveningen nog steeds over de zee te staren. Moge zij er bij een volgende storm zelf in waaien.