De leraar en de literatuur

Deze zomer werd in Bergen het eerste deel uit de Bergen-reeks gepresenteerd: Mijn tweede huid. De geschiedenis van A. Roland Holst en zijn huis, door Jan van der Vegt. De smaakvol uitgegeven reeks is een initiatief van het Bert Schierbeekfonds en uitgeverij 521. In deze serie verschijnen kleine essays die op enigerlei wijze verband houden met het huis Nesdijk 7 te Bergen, waar Roland Holst 44 jaar woonde. Sinds mei 2002 stelt het Bert Schierbeekfonds schrijvers en dichters in staat in dat huis in `betrekkelijke ballingschap' te werken aan hun oeuvre. Een van de legaten voor het fonds kwam van Barend Rijdes (1910-1975), vergeten schrijver, en docent Oude Talen aan het Kennemer Lyceum te Overveen.

Rita Verschuur heeft Rijdes en ook diens collega-vriend, tekenleraar Anton Pieck, in de periode 1948-1954 nog bewust meegemaakt. En ze deed toen wat zij noemt `het Rijdes-gevoel' op. Het idee als leerling serieus genomen te worden en te kunnen discussiëren over de nuances van taal. In het tweede deel van de Bergen-reeks, Het Rijdes-gevoel, gaat zij op zoek naar Barend Rijdes. Twee voorvallen doen dat gevoel bij haar herleven, en zetten haar op het spoor van haar oud-leraar. Het ene is de genoemde herbestemming van het huis van Roland Holst, het andere is een blik in een etalage van een Haarlems antiquariaat. Daar ziet Verschuur bijna vijfendertig jaar na haar eindexamen drie dagboekselecties van Barend Rijdes liggen. Met de antiquaar en uitgever van de boekjes, Lenie Peetoom, haalt ze de eerste herinneringen aan Rijdes op. Vervolgens bestudeert ze in het Letterkundig Museum ook de originele en complete tekst, opgetekend in grauwbleke schriften met slappe kaften. Behalve die dagboeken vindt ze in Rijdes' nalatenschap veel onvoltooids: romans, novellen, hoorspelen, tv-stukken, losse regels.

En verder? Wat is er terug te vinden van de gesprekken met leerlingen, van Rijdes' liefde voor hen, van de spannende eindexamens, van het schriftelijk Plato en het mondeling Vergilius. Het lijkt erop dat niets van dat alles vermeldenswaard is geweest. Het leven dat Verschuur voor het echte hield, en waarvan ze zo graag sporen had teruggevonden, blijkt in het dagboek eigenlijk niet te bestaan. Rijdes leidde twee levens, en het literaire voert op papier sterk de boventoon. Hij ontmoet schrijvers, zoals een nog jonge Harry Mulisch (een `aardige en intelligente jongen'). Hij bezoekt lezingen, zoals een van Roland Holst in Bloemendaal. Hij worstelt met zijn werk en vraagt de mening van zijn echtgenote. Hij trekt er op Uit om foto's van collega-auteurs te maken, zoals van Vestdijk en Lampo. En dan waren er lidmaatschappen van letterkundige clubs en van de Haarlemse kunstenaarssociëteit Teisterbant.

De queeste van Rita Verschuur leidt dus niet tot de gedroomde uitkomst; ze vindt weinig tot niets van haar schooltijd. Toch brengt haar zoektocht herinneringen boven. Haar verslag is een onderhoudende mengeling van heden en verleden. Van zoektocht en een bijzondere middelbare schooltijd. En van werkelijkheid en verbeelding. Want er is ook een onverwacht spannend en onzeker element. Heeft Verschuur na haar eindexamen de in ieder geval in haar hoofd opgestelde bedankbrief ook daadwerkelijk aan Rijdes verzonden? En zal ze die terugvinden? Hoe het zij, op de terugweg vanuit het Letterkundig Museum doemt de figuur van haar oude leraar Latijn helder voor haar geestesoog op. Lachend met Anton Pieck, tijdens een werkweek in 1952.

Rita Verschuur: Het Rijdes-gevoel. Barend Rijdes en het huis van A. Roland Holst. Uitgeverij 521, 46 blz. euro 12,50