De keuze van Kermode

Niet alleen staat Frank Kermode (Sir Frank) informeel bekend als de meest belezen literaire criticus van zijn generatie, hij is behalve oud-docent aan de universiteiten van Londen en Cambridge en aan Harvard ook doctor honoris causa van de Universiteit van Amsterdam. Nu er een selectie gepubliceerd is uit zijn essays en artikelen van de afgelopen halve eeuw mag de Nederlandse lezer daar wel even met respect kennis van nemen.

Kermode is een verhelderende leidsman ook voor onwennige belangstellenden omdat hij altijd een eigen koers aangehouden heeft tussen de traditie en de verschillende nieuwe kritische theorieën van structuralisten en poststructuralisten en deconstructionisten. Hij heeft hun werk gelezen en sommigen van hen bewonderd, Roland Barthes bijvoorbeeld; intussen heeft hij zoals hij twintig jaar geleden in de proloog bij een andere bundel schreef, zijn vrijheid bewaard in het conflict van de `excited catastrophe theorists on one side and panic-stricken reactionaries on the other.'

Dat betekent niet dat hij aldoor makkelijk leesbaar is. Soms richt hij zich informatief en oordeelkundig als recensent tot zijn lezer. Soms schrijft hij als geleerde op het niveau van deskundigheid van zijn vakgenoten; dan zullen anderen zich nogal eens buitengesloten voelen, door zijn formuleringen en door de belezenheid die hij veronderstelt.

In een essay van 1973 over Emily Brontë's Wuthering Heights voert hij zijn lezer veilig over enkele hoge denktoppen naar het idee dat een literair werk pas na de dood van de schrijver en zijn tijdgenoten vrij geïnterpreteerd kan worden en in verschillende betekenissen begrepen; dan verstoort hij de stemming door te verklaren dat zijn visie oudere opvattingen aanvult in `an almost Feuerbachian way'. Wil hij alleen met lezers te maken hebben die Feuerbach zo goed kennen dat het begrip `bijna-Feuerbachs' een betekenis voor hen heeft?

Als iemand die geen zin of tijd heeft om het hele boek te lezen zou vragen om een keuze, dan moet in de eerste plaats het essay `Cornelius and Voltemand', over de veelbetekenende verdubbelingen (twee woorden voor één begrip) in de taal van Shakespeare, worden aangewezen. Vervolgens dat over de tekst van Othello vergeleken met het libretto van Boito voor Verdi's opera, ook rijk aan onderscheidingen en definities. Hoeveel meer van de essays zou zo iemand aankunnen: nog een stuk of vier? Dan moet er bij zijn `Hawthorne and the types', leerzaam in zijn voorschriften voor meervoudige interpretatie. Ter ontspanning `The Cambridge connection', recht-toe recht-aan over de geschiedenis van de literaire kritiek aan die universiteit. En toch ook maar `Dwelling poetically in Connecticut', voor het begrip van Wallace Stevens. En tenslotte een van de kortere stukken, de recensies – bij voorkeur die over James Lees-Milne de dagboekschrijver. De selectieve lezer die daarna besluit om verder te gaan riskeert vastlopen en uitstellen tot morgen of overmorgen. Zonder sputteren zal het niet gaan; wel zal de aanhouder tenslotte erkennen dat het een harde, gezonde training voor de intelligentie is.

Frank Kermode: Pieces of my Mind. Writings 1958 - 2002. Allen Lane, 467 blz. euro 35,–