De hysterie nabij

Martin Scorsese maakte een film over de blues en vroeg zes andere regisseurs dat ook te doen. Met dertien en een half uur film en drie minuten kippenvel als resultaat.

Er zullen weinig onderwerpen zijn waarover in de afgelopen decennia zo uitputtend en oeverloos is gediscussieerd als the blues. Een opvatting die in die gesprekken maar al te vaak vernomen wordt is dat de blues iets is dat je moet voelen. Einde gesprek doorgaans. Ik wil graag een heel andere stelling lanceren, namelijk dat de blues iets is dat je moet zien. Bij dat zien hoort natuurlijk horen, maar voor mij althans was het de visuele ervaring die diverse malen het karakter van een openbaring aannam.

In de late jaren zestig, in onze half-legale kraakwoning op Kattenburg, op zo'n gigantische kast van een tv die op de houten vloer stond waar onze zoon op dat moment net zijn eerste stapjes deed – de kamer één grote klankkast van vijfenzeventig kubieke meter – daar verscheen in een Duits jazzprogramma, zonder dat iemand me erop had voorbereid, Buddy Guy die I was walking thru the woods vertolkte, ook wel bekend als First time I met the blues. Wel, het was inderdaad de eerste keer dat ik leek te begrijpen wat blues was. Een lenige zwarte man die, lang voor dat mode was in het medialandschap, zijn emoties onbeschaamd uitstortte, die zich van niets bewust leek om hem heen, huilde, jammerde, voortdurend boven zijn vocale bereik zong, de hysterie nabij en in vertwijfeling trok en rukte aan de snaren van de gitaar die met zijn lichaam vergroeid leek, alles met een intensiteit die angstig maakte, die bijna een schaamtegevoel opriep dat je hiervan getuige werd gemaakt.

Ik vergat adem te halen, keek en luisterde met open mond tot twee minuten en zestien seconden later het nummer voorbij was. Het was pure onbedachte emotie, ik wist niet wat ik had gezien en gehoord en dat klopte, want Buddy Guy leek ook volstrekt niet te weten wat hij deed. Hij deed, en hij was. De volgende dag kocht ik alles wat maar van Buddy Guy verkrijgbaar was.

Later had ik nog een paar soortgelijke ervaringen; Muddy Waters, gekleed in een soort Ollie B. Bommel-jasje op het podium van het Concertgebouw, zittend op een barkruk waar hij telkens vanaf dreigde te vallen als hij zijn hele omvangrijke, schuddende lijf inzette bij het reiken naar de hoogste regionen in zijn slide-soli. John Lee Hooker die, oud en krom reeds, het podium van een Texaanse bluesclub opschuifelde, de band met een nors handgebaar het zwijgen oplegde en die onvergetelijke zin de microfoon inspuwde: `Serves you right to suffer/ serves you right to be alone.'

Gemeten naar die maatstaven is Martin Scorsese Presents The Blues, een serie films van verschillende gerenommeerde regisseurs, bijeengebracht door filmer en bluesliefhebber Martin Scorsese, teleurstellend. Het kent maar één zo'n kippenvel-moment: Son House, in een oud zwart-wit fragment, die zijn Death Letter Blues speelt en zingt, alweer zo'n stuk muziek bij het zien waarvan je in je stoel lijkt te bevriezen. Die grote wapperende handen die maar wat lijken te doen op zijn gitaar, maar al doende feilloos het geluid van een hele band oproepen, en die stem die het verdriet om zijn overleden meisje zo onbedacht uitjammert. Son House ontstijgt de aarde op dat moment, `he's gone', zoals zijn manager Dick Waterman bij het weerzien van het fragment opmerkt, `he's lost his point in time'. Oftewel, alle coördinaten die gelden in de reëel bestaande wereld, alles wat we denken te weten over tijd, plaats en ruimte, is niet meer geldig. Dit is de blues.

Puristen

Zoveel blues-fans, zoveel obstinate meningen. Martin Scorses Presents The Blues is hier en daar met kritiek ontvangen. De puristen zien er te weinig lijn en verantwoorde historie in en ze hebben goeddeels gelijk. Alleen al de titel, die houdt een mate van bezitterigheid in die nogal bedenkelijk is. Maar toch is er reden te over om er vaak verlekkerd naar te kijken en luisteren. Het project bestaat uit vijf cd's en zeven films die in Amerika op het publieke kanaal PBS zijn uitgezonden en vervolgens op evenzovele dvd's uitgebracht, uiteraard aangevuld met een reeks aan extra's als bonus-tracks en commentaar van de regisseurs.

Scorsese heeft zelf een film bijgedragen en daarnaast zes andere regisseurs een film naar geheel eigen inzicht laten maken. Een centrale strategie ontbreekt dus, en dat houdt overlappingen in, veel overbodigs maar ook lacunes. Toch valt de brede lijn van de geschiedenis uit deze reeks wel degelijk af te lezen, vanaf de wortels in West-Afrika, via de work-songs en de akoestische blues in de Mississippi-delta, tot aan de elektrisch versterkte blues zoals die na de massale migratie van de jaren dertig en veertig vooral in Chicago ontstond. Daarna de blanke bluesrevival geïnitieerd door een jonge Britse muziekgeneratie, tot aan het heden, waarin de blues stilistisch gesproken `af' is, maar vooral bij blanke volwassenen nog populair, met zo ongeveer de status die de Dixieland had voor een vorige generatie. Maar hoe overleefd het vaak mag klinken tegenwoordig, ik zie mezelf instemmend knikken als ik een van de geïnterviewden hoor verklaren dat de blues wél de belangrijkste bijdrage van zwart Amerika aan hun culturele erfgoed is, en een genre zonder welks input veel van de huidige popmuziek ondenkbaar is.

Alle reden voor een prestigieus eerbetoon dus, maar waarom dan toch dat lichte gevoel van wrevel na het bekijken van dertien uur film? Scorsese heeft bewust niet gekozen voor een historisch overzicht, waarin alles is gerangschikt naar plaats, tijd en genre; dat was een keuze geweest die ongetwijfeld een rechtvaardiger verdeling tussen historisch belang en persoonlijke interesse had opgeleverd.

Scorsese's eigen film is weinig verrassend, zowel wat betreft idee als uitwerking. Hij gaat op zoek naar de bronnen van de muziek, in uithoeken van Amerika, maar ook in West-Afrika, waar hij de jonge bluesmuzikant Corey Harris laat tokkelen met Salif Keita en Ali Farka Touré. Het is oneindig sympathiek, maar levert niet veel meer op dan deze lang uitgesponnen scènes en veel beelden van de wat verloren ogende Harris, wandelend door Bamako (in een oranje voetbalshirt met het KNVB-logo!)

De geschiedenis van de sleutelepisode in de bluesgeschiedenis, de korte maar hevige bloei van het Chess label in Chicago, had een betere film verdiend dan Marc Levins Godfathers and Sons. Historisch materiaal genoeg en nog voldoende mensen in leven om het verhaal te vertellen. Maar Levin heeft naar een hedendaagse invalshoek gezocht en die gevonden in een bijdrage van rapper Chuck D., die Marshall Chess (zoon van Leonard Chess, een van de stichters van het label) ooit via e-mail meldde dat de lp Electric Mud zijn oren voor de blues had geopend. Het maakt dan blijkbaar niet uit dat Electric Mud met voorsprong de beroerdste plaat is die Muddy Waters ooit maakte (in een periode dat iedereen het spoor bijster was en meende iets `psychedelisch' te moeten doen om contact met de tijdgeest te houden). Heel veel filmtijd gaat er verloren met het opsporen en bijeenbrengen van de oorspronkelijke band (Muddy zelf is allang dood) en dan moet er natuurlijk gejamd worden mét Chuck D. en andere rappers. De vergissing wordt met de seconde pijnlijker. De historische betrouwbaarheid wordt er overigens niet groter op als we beelden zien van de Rolling Stones, zogenaamd tijdens de opnamen die ze maakten in de oude Chess studio in de jaren zestig. Hoe kan het dat ook Ron Wood in beeld komt, die pas in 1975 toetrad?

Clint Eastwood maakte een film over de blues op de piano, met Dr. John, Ray Charles en Big Joe Turner. Dat ik de dvd oversla ligt niet aan Eastwood maar aan mij. Dit is niet voor mij: er komt geen gitaar in voor.

Ontluistering

Als concept is misschien de film van Richard Pearce en Robert Kenner, The Road To Memphis het best geslaagd omdat het tenminste de rol van deze stad mooi uitbeeldt, met prachtige historische opnamen en doorleefd verteld, onder andere in een unieke dialoog tussen Ike Turner en Sam Phillips. Aanvankelijk is het verhaal aan B.B. King opgehangen, een van de weinige zwarte muzikanten die lang genoeg bleef leven om een fortuin aan de blues over te houden. Heel mooi, en ontluisterend, zijn de beelden van Roscoe Gordon, die terwijl B.B. King zich als een koning laat ontvangen, op Beale Street ten behoeve van de camera aan passanten gaat vragen of ze nog weten wie hij is. Als zo weinig stadgenoten dat weten, wie kan de rest van de wereld dan verwijten dat bijna niemand wist dat Roscoe, tijdens de opnamen van de film, kwam te overlijden ?

Gaandeweg deze film neemt entertainer Bobby Rush het verhaal als het ware over, al is het alleen maar om te tonen dat het chitlin circuit, het tournee-circuit langs de zwarte wijken van de hele VS, nog steeds bloeit. Zijn tableau de la troupe omvat overigens een jongedame die op het podium heel sensationele dingen doet met haar achterwerk, een van de momenten waarin deze serie films adequaat afrekent met de mythe dat de blues zou gaan over het leed van de zwarte man. Blues gaat over liefdesverdriet, seks en overspel. Zoals Son House het geduldig uitlegt: ,,Aint but one kind of blues and that consists between male and female supposed to be in love, when one deceives the other. Sometimes that kind of blues may even make you kill one another.''

B.B. King keert overigens ook terug in Mike Figgis' Red, White & Blues, het buitenbeentje van de serie omdat de film zich uitsluitend bezighoudt met de Engelse blues-revival in de jaren zestig en de aanloop daartoe. King uit hier expliciet zijn dankbaarheid aan deze generatie muzikanten. Zijn oorspronkelijke zwarte publiek was in de jaren zestig meer geïnteresseerd in Motown, funk en soul dan in blues. ,,Maar toen ik in 1968 in de Fillmore optrad, was mijn publiek ineens voor 95 procent blank. En dat dankzij de Britse jongens, die deuren voor ons opengooiden die anders voorgoed gesloten zouden blijven. Daarom: thank you very much.''

Het meest persoonlijk is de film van Wim Wenders. Zijn The Soul of a man concentreert zich op het verhaal van drie door hem bewonderde muzikanten wier levens hij grotendeels in gefictionaliseerde vorm reconstrueert: Blind Willie Johnson, Skip James en J.B. Lenoir. Sensationeel is het verhaal van Skip James, een zanger/gitarist met een herkenbare hoge stem die in de jaren dertig enkele klassieke platen maakte maar toen, gefrustreerd door de in die tijd gebruikelijke financiële rip-off, de wereldse, zondige blues de rug toekeerde.

Ontbrekend motief

Aan het begin van de Britse blues-revival begonnen Eric Clapton en andere blanke jongens nummers van Skip James te spelen, en in 1964 werd ontdekt dat de zanger, drieëndertig jaar nadat hij zijn gitaar had weggelegd, nog steeds leefde in Mississippi. Hij leed aan kanker. Men haalde hem over weer te gaan spelen en het verbijsterende was dat de tijd leek te hebben stilgestaan. Zijn stem en gitaarspel waren onveranderd en hij trad op, op het Newport Festival, maar ook in Amsterdam. De royalties van zijn I'm so glad, in de uitvoering van Claptons Cream, waren voldoende om hem fatsoenlijk te laten opereren, en James leefde nog enkele jaren. Het is een prachtig moment de muzikant, die tot dat moment in de film is gespeeld door Keith B. Brown, ineens tot leven te zien komen in archiefopnamen. Maar het ontbreekt Wenders voor het overige aan een motief voor deze film, anders dan zijn persoonlijke belangstelling voor de drie genoemde muzikanten. Via J.B. Lenoir kwam hij historische opnamen voor de Zweedse tv op het spoor en die zien we hier (te) uitgebreid terug.

Ook Son House heeft zijn rentree aan de blanke bluesrevival te danken. In de te sentimentele bijdrage van Charles Burnett, Warming by the Devils Fire, onthult hij op laconieke toon de ware reden waarom hij de zestien jaren daarvoor geen noot heeft gespeeld: al zijn generatiegenoten die in hetzelfde genre werkten gingen dood, en Son House wist één ding zeker: als ik doorspeel ben ik de volgende. Weg met die gitaar dus, tot ,,Mr. Dick Waterman me overhaalde weer muziek te gaan maken''.

Het is allemaal zeer integer en onderhoudend, soms prachtig vormgegeven, maar de hele serie leidt toch aan een teveel aan MTV-achtige montage, te veel mooie historische fragmenten die na een minuut worden weggedraaid om plaats te maken voor pratende, bejaarde blanken met te veel aangezichtshaar. En aan serieuze omissies. Je kunt zeggen wat je wilt van R.L. Burnside, Cedell Davis en andere toegegeven, soms kwalitatief dubieuze muzikanten uit de Fat Possum-stal maar in deze fase van de muziekgeschiedenis vallen ze niet te negeren.

Dertien en een half uur en slechts een minuut of drie kippenvel, het blijft weinig. Wel Tom Jones (!) en geen Buddy Guy, dat is onvergeeflijk. Een half uur J.B. Lenoir en geen seconde Fred McDowell of Elmore James. Geen Freddie King, veel te weinig Howlin Wolf. Ik hoor het gezoem van de discussies al dichterbij komen, even oeverloos en gepassioneerd als vroeger. Heerlijk. En: welke zendgemachtigde gaat al dit moois in Nederland uitzenden?

`Martin Scorsese Presents the Blues' (box met 7 dvd`s) is te bestellen bij www.milesofmusic.com, www.waterloorecords.com of www.amazon.com. Prijs ongeveer $ 135 incl. verzendkosten. Houd rekening met invoerrechten.