De chaos staat ook ons te wachten

Robert Cooper, architect van het Europees veiligsheidsbeleid, analyseert haarscherp de fundamentele kloof tussen Europa en de Verenigde Staten. Toch ziet hij nog mogelijkheden voor toenadering.

De vraag is zo oud als de mensheid: welke gevaren bedreigen onze veiligheid? Wat hebben we te vrezen in de wereld en wat doen we eraan? Maar voor Europeanen is het niet meer vanzelfsprekend die vragen te stellen, laat staan ze te beantwoorden. De laatste oorlog op eigen bodem is voor de meeste Europeanen al lang geleden. De Koude Oorlog is hoog en breed voorbij. En 11 september was in Amerika. Er mag nog veel gevaar, onrecht en instabiliteit in de wereld zijn, maar daar liggen we niet wakker van, daar bouwen we geen schuilkelders meer voor en daar vallen onze politici ons zo min mogelijk mee lastig.

Dat is wel rustig zo, maar ook kortzichtig, betoogt de Britse diplomaat Robert Cooper in zijn boek The Breaking of Nations. Europa is dan wel een `zone waar veiligheid heerst', maar daarbuiten is een `zone van gevaar en chaos'. En het is een illusie te denken dat we die andere zone kunnen negeren, buiten de deur kunnen houden. Denk alleen maar aan de opkomst van het internationaal terrorisme en de verspreiding van massavernietingswapens, stelt Cooper. `We may not be interested in chaos, but chaos is interested in us'.

Cooper is niet zomaar een onheilsprofeet. Hij is een scherp denker die jarenlang de belangrijkste adviseur van Tony Blair voor buitenlands beleid was. Tegenwoordig speelt hij een centrale rol in Brussel bij het zoeken naar een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid voor de Europese Unie. Cooper is directeur-generaal buitenlandse en politiek-militaire zaken van de Raad van Ministers, de hoogste ambtenaar van Javier Solana, de buitenland-coördinator van de Unie. Die functie geeft zijn boek een extra lading: dit is dus de visie van de architect van het Europese veiligheidsbeleid, zó ziet zijn analyse eruit voordat ze is afgezwakt en bijgesteld, in compromissen verpakt en als officieel beleid bestempeld door de Europese regeringsleiders.

Pikant is daarbij dat The Breaking of Nations in november verscheen, amper een maand voordat de Europese Unie het half december, op de mislukte top over de ontwerpgrondwet, eens werd over een gemeenschappelijke veiligheidsstrategie. Alle lidstaten onderschreven op die top de uitgangspunten voor zo'n strategie, vastgelegd in een document (Een veiliger Europa in een betere wereld) dat was opgesteld door Solana en vooral Cooper. Dat akkoord kon gerust een succesje worden genoemd. Een jaar eerder, in de aanloop naar de oorlog tegen Irak die Europa zo verdeelde, was overeenstemming over een gemeenschappelijke veiligheidsstrategie nog moeilijk voorstelbaar. En nu waren alle lidstaten – het `oude' en het `nieuwe' Europa, het Frans-Duitse anti-oorlogskamp en de landen die met de Britten de coalitie van Bush steunden – het eens over de voornaamste gevaren die Europa bedreigen en hoe die moeten worden aangepakt.

`We moeten een strategische cultuur ontwikkelen die vroegtijdige, snelle en, waar nodig, krachtige interventie bevordert', luidt het uitgangspunt van het nieuwe beleid. Qua inhoud, maar ook qua toon, zoekt Europa daarmee aansluiting bij de Amerikaanse strategie sinds 11 september. Wanneer `sporen van proliferatie worden gevonden' kan `preventieve betrokkenheid' ernstiger problemen voorkomen. We moeten `klaar zijn om op te treden vóórdat een crisis uitbreekt. Met de preventie van conflicten en bedreigingen kan niet vroeg genoeg begonnen worden.' Een pleidooi voor de `pre-emptive action' uit de omstreden Amerikaanse National Security Strategy is het nog net niet, maar het komt een heel eind in de richting.

In zijn boek (drie essays, waarvan met name de eerste een interessant theoretisch fundament biedt voor een Europese veiligheidsanalyse) draait Cooper er niet om heen. `In the jungle, one must use the laws of the jungle.' In bedreigende situaties moeten de Europeanen, hoezeer ze hun veiligheid en welvaart ook danken aan een cultuur van overleg en respect voor de internationale rechtsorde, bereid zijn terug te vallen op `ruigere methodes uit een eerder tijdperk – geweld, preventieve aanval, bedrog'. Hier spreekt niet de ambtenaar Cooper, maar de geopolitieke analist die geen blad voor de mond neemt.

Net als de Amerikaanse essayist Robert Kagan, die vorig jaar veel stof deed opwaaien met zijn boek Of Paradise and Power, vindt Cooper dat Amerika en Europa een fundamenteel verschillende kijk op de wereld hebben. Maar waar Kagan concludeert dat de transatlantische kloof eigenlijk niet meer te overbruggen is, betoogt Cooper juist dat de verschillen niet absoluut zijn: de Amerikanen zijn niet veroordeeld tot geharnaste machtspolitiek, en de Europeanen zijn wel degelijk in staat zich een serieuze militaire positie te verwerven.

Monopolie

De wereld is volgens Cooper uiteengevallen in drie delen. In wat hij `de pre-moderne wereld' noemt heerst chaos, de staat is er ondergraven door drugshandel, burgeroorlog of terrorisme en heeft er niet langer het monopolie op het gebruik van geweld. Hij doelt op landen als Somalië, Afghanistan en Liberia. De tweede groep landen bevindt zich in wat Cooper `de moderne wereld' noemt: het klassieke systeem van soevereine staten, die krachtig en onverbloemd hun nationale belang nastreven. China, India en Brazilië, maar ook Rusland en de Verenigde Staten horen tot deze categorie. In `de moderne wereld' moeten macht en (de dreiging van) geweld voor rust en veiligheid zorgen. Maar succesvolle staten kunnen ook al te machtig worden, hegemonistische neigingen krijgen en andere landen gaan bedreigen.

Als beste voorbeeld van `de postmoderne wereld' ten slotte ziet Cooper de Europese Unie. Op Europa heeft hij zijn hoop gevestigd. In de postmoderne wereld (ook Japan rekent hij ertoe) hebben staten besloten elkaar niet meer te bestrijden, maar zich open te stellen voor 'verbanden van wederzijdse bemoeienis'. Die verbanden gaan ten koste van de nationale soevereiniteit, maar ze bevorderen de stabiliteit en de veiligheid. Soevereiniteit betekent voor een postmoderne staat uiteindelijk niet veel meer dan `een plaatsje aan tafel', om mee te kunnen praten in de multilaterale wereldorde.

Zo geformuleerd is het moeilijk voorstelbaar dat de grootmachten Rusland of China, laat staan supermacht Amerika, binnen afzienbare tijd zullen kiezen voor een overgang naar de postmoderne wereld van veiligheid door onderlinge afhankelijkheid. Maar de Verenigde Staten, stelt Cooper, staan eigenlijk boven het hele systeem. Ze maken in zijn termen weliswaar deel uit van de moderne wereld, maar tegelijk maken ze het als enige supermacht met hun enorme militaire capaciteit mogelijk dat Europa zijn veiligheid zoekt in de postmoderne wereld van samenwerking en integratie.

De Europese Unie neemt bedreigingen op het eigen continent weg door zijn grenzen steeds te verleggen – niet zoals imperia vroeger deden door verovering, maar door steeds meer landen vrijwillig te laten toetreden. Dit `coöperatieve imperialisme' neemt echter niet álle bedreigingen weg. Voor de gevaren uit de pre-moderne of moderne wereld – terrorisme, massavernietigingswapens en de combinatie van die twee – is een hardere, zo nodig militaire, aanpak nodig. En daarvoor is samenwerking onontbeerlijk met Amerika, de enige mogendheid die een antwoord heeft op deze bedreigingen. Hoe dat in de praktijk moet gaan, en hoe Europa het in concrete gevallen over zulke samenwerking moet eens worden, laat Cooper helaas in het midden.

Samenwerking is trouwens niet alleen voor Europa onontbeerlijk. Amerika heeft ook bondgenoten nodig, al was het maar om zijn dominantie te legitimeren. Zoals Europa moet accepteren dat het niet zonder militaire `hard power' kan, zo hangt er veel vanaf of de Verenigde Staten accepteren dat ze er niet aan ontkomen om geregeld deel te nemen aan de postmoderne wereld van afspraken, verdragen en zelfs gedeelde soevereiniteit.

Zendingswerk

Coopers analyse en stellingname zijn scherp en helder, maar zal de werkelijkheid zich er iets van aantrekken? Als de politieke leiders in Europa en Amerika het volgende grote conflict na `Irak' opnieuw op de spits drijven, is daar weinig kans op. In de nieuwe veiligheidsstrategie van de Europese Unie wordt de transatlantische band `onvervangbaar' genoemd. De bedreigingen voor Europa die erin worden opgesomd, vallen vrijwel samen met de gevaren die ook de VS vrezen. Maar pas als Amerika nog eens besluit tot een `pre-emptive strike' zal blijken wat de stevige Europese woorden en de theorie van Cooper waard zijn. Legt Europa `preventieve betrokkenheid' dan toch vooral uit als diplomatieke inspanning, dan zal Cooper in Brussel nog heel wat zendingswerk moeten verrichten en krijgt Kagan voorlopig het gelijk aan zijn kant.

Tot slot gaan auteurs van de grote geopolitieke greep, en Cooper is daarop helaas geen uitzondering, nogal eens voorbij aan een evidente onevenwichtigheid in de wereld. De economische ongelijkheid: ruim anderhalf miljard mensen leven onder de armoedegrens en hebben geen toegang tot schoon drinkwater. Dat hoeft niet tot terrorisme te leiden, of tot de ineenstorting van staten, om toch een bron van geopolitieke instabiliteit te zijn die krachtig optreden van het Westen noodzakelijk maakt – niet op het slagveld, maar wel bijvoorbeeld in de onderhandelingen van de Wereldhandelsorganisatie.

Robert Cooper: The Breaking of Nations. Order and Chaos in the Twenty-First Century.

Atlantic Books, 180 blz. euro 28,32