Arbeidsters in nood

`Arbeiders bij de Vereenigde Nederlandsche Lucifersfabrieken liepen tijdens het verwerken van de witte fosfor gevaar om fosofonekrose op te lopen. Bij deze ziekte werden de beenderen aangetast, in het bijzonder de kaak. Pijngevoelens traden op rondom de aangestoken tanden; het tandvlees ging zweren en ontsteken. Afgrijselijke verminkingen konden hiervan het gevolg zijn, zoals gaten in de kaak en in de mondhoeken.'

Dit citaat heeft betrekking op de gevolgen van het afzijdige overheidsbeleid ten aanzien van de werkomstandigheden van de arbeidende klasse. Ik moest eraan denken bij het lezen van het ruim geïllustreerde proefschrift waarop Marga Altena begin december 2003 promoveerde. In haar boek Visuele strategieën staat een arbeidster met zo'n kaakzwelling afgebeeld. Een gespannen kijkende jonge vrouw met een asymmetrisch gezicht en een afhangende schouder confronteert ons met een van de laatste slachtoffers van de dodelijke ziekte fosofonekrose. Een tragische foto als een aanklacht tegen onbeschermde arbeidsomstandigheden.

Dat deze foto tot nu toe nagenoeg onbekend was (in 1908 voor het eerst gepubliceerd) illustreert weer eens dat onderzoek naar fotografie en film in Nederland tot dusver voornamelijk is verricht vanuit een esthetische en kunsthistorische interesse. De betekenis van een fotocollectie of film als historische bron bleef onderbelicht. In historische publicaties is beeldmateriaal vaak niet meer dan een vrijblijvende verlevendiging van de tekst. Marga Altena breekt met deze traditie en benadert de foto's en films als historische bronnen, waaraan zij evenveel waarde toekent als aan schriftelijke bronnen.

Zij heeft een aantal fotocollecties bestudeerd om zicht te krijgen op de wijze waarop vrouwelijke fabrieksarbeiders in beeld werden gebracht. Op dit terrein selecteerde zij drie belangrijke producenten van beeldmateriaal: de fabrikanten, de Arbeidsinspectie en de vrouwenbeweging. Fabrikanten lieten zich van hun beste kant zien. De als prentbriefkaart of als tijdschrift-reportage gepubliceerde opnamen van grote fabriekshallen, imposante machineparken en scharen arbeidskrachten hadden, naast een documentair doel, onmiskenbaar een reclamefunctie. Daarnaast maakten professionals talrijke reportages die de herinnering aan een jubileum of aan een koninklijk bezoek levend moesten houden.

Het in opdracht van de Arbeidsinspectie vervaardigde materiaal diende een ander doel. De eerste foto's duiken op in handgeschreven rapporten, als toelichting op de tekst en als visuele registratie van de door een inspecteur aangetroffen situatie. Daarnaast illustreerden de opnamen jaarverslagen en werden ze gebruikt voor tentoonstellingen. De door Altena onderzochte foto's en films van de vrouwenbeweging zijn bijna zonder uitzondering gemaakt voor die tentoonstellingen. Met name de `Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid' (1898) en de `Tentoonstelling De Vrouw 1813-1913' (1913) leverden karrenvrachten aan materiaal op. Omdat van deze manifestaties ook het geschreven archief bewaard bleef, kon van de collecties zowel de ontstaansgeschiedenis als het gebruik en de reikwijdte worden beschreven.

Hierin schuilt nu juist het aardige van Altena's studie: zij heeft zich niet beperkt tot een beschrijving van de beeldinhoud, maar zij wilde twee stappen verder komen. Naast het in kaart brengen van het gebruikstraject van de foto's en films, heeft zij een antwoord gezocht op de vraag hoe opdrachtgevers de beelden hebben gebruikt (of misbruikt).

Terwijl de foto's van de fabrikanten vooral een defensief doel dienden, kregen die van de Arbeidsinspectie en de vrouwenbeweging een steeds offensievere strekking. Hoewel in het begin hun foto's vooral een registrerende functie hadden, namen de gedetailleerde opnamen van de schrijnende leefomstandigheden van de arbeiders, vastgelegd door de inspecteurs en vooral door de inspectrices van de Arbeidsinspectie, al snel de vorm aan van een sociale aanklacht. Vergeleken hiermee waren de foto's van de vrouwenbeweging lange tijd erg braaf. De voorvechters van de vrouwenemancipatie verloochenden hun burgerlijke fatsoensnormen allerminst. Het zal hen niet hebben dwarsgezeten dat Anton Philips in 1916 hoogst persoonlijk `een paar dametjes van het Amsterdamse Rembrandttheater' als model voor een reclamecampagne uitkoos. De meisjes op de reclamefoto's hadden door hun blote armen en hun ontblote tanden een erotische uitstraling, die niet bij het beeld van een fabrieksarbeidster paste. In dat opzicht lieten de fabrikanten, de Arbeidsinspectie en de vrouwenbeweging zich van dezelfde kant zien: ze wilden in materieel en moreel opzicht de arbeidersbevolking beschaving bijbrengen. Dankzij Marga Altena weten we nu dat ze dit niet alleen in geschrifte deden, maar net zo goed met foto en film.

Marga Altena: Visuele strategieën. Foto's en films van fabrieksarbeidsters in Nederland (1890-1919). Aksant, 328 blz. euro 35,–