Als gelei in de woestijn

Zeshonderd journalisten trokken ingekwartierd bij Amerikaanse bataljons mee op naar Bagdad. Ze zagen meer van de soldaten dan ooit, maar hadden nauwelijks een idee van het verloop van de oorlog, zo blijkt uit een `oral history'. Over de journalistieke waarde van een propaganda-succes.

Het is behoorlijk oncomfortabel achterin een M88. Warm is het in zo'n rupsvoertuig, lawaaiig en van de buitenwereld dringt maar weinig tot je door. De laptop van William Brannigan, verslaggever voor The Washington Post, werd voortdurend met een laagje fijn woestijnstof bedekt. Met zijn scheerkwast veegde hij het er steeds weer af, want hij was doodsbenauwd dat zijn computer de geest zou geven. Als hij iets wilde zien en het niet te gevaarlijk was, ging hij op een kistje staan en deed hij een luik open. Als hij een artikel wilde doorzenden stak hij de antenne van zijn satelliettelefoon door het luik en maakte verbinding met de thuisbasis.

Brannigan was ingekwartierd, embedded, een van de bijna zeshonderd journalisten die met het Amerikaanse leger in het voorjaar van 2003 door de woestijn naar Bagdad optrokken. Hij had van te voren een document moeten tekenen waarin de voorwaarden stonden: geen informatie doorseinen over de positie van zijn konvooi, niets over de sterkte, niets over troepenbewegingen. Geen gegevens of foto's van dode Amerikanen voordat de familie was ingelicht. Maar verder werd hem geen strobreed in de weg gelegd.

De belevenissen van Brannigan en ruim vijftig van zijn collega's zijn opgetekend in Embedded, een pil van ruim vierhonderd pagina's. De verslaggevers vertellen in afzonderlijke hoofdstukjes hoe het was om met de Amerikaanse mariniers in een pantservoertuig of een Humvee (een terreinwagen) de oorlog mee te maken. Hoe de verstandhouding met de mariniers en hun commandanten was, of ze bang waren, of ze vrij waren te berichten over de oorlogshandelingen. Het is een vorm van oral history: alle reporters zijn kort na de inname van Bagdad geïnterviewd door de Amerikaanse journalisten Bill Katovsky en Timothy Carlson.

Het zijn verhalen van stress, vermoeidheid en ontberingen. Wekenlang achterin een legervoertuig, in het begin nog dag en nacht in de plastic overalls en laarzen die tegen chemische aanvallen moesten beschermen. In de hitte, zonder te kunnen douchen. Wassen ging met een spons of met de vochtige doekjes waarmee je de billen van baby's schoonmaakt. Geslapen werd er op de grond of op de banken, met de schoenen van een bemanningslid in je gezicht.

William Brannigan zag wel heel weinig, maar net als ieder lid van de zevenkoppige bemanning van de M88 had hij een helm met ingebouwde radio. Zo kon het gebeuren dat hij op een kwade dag via zijn radio getuige was van een drama dat zich op anderhalve kilometer van hem afspeelde, niet ver van Karbala. Een oude Landrover naderde met een flinke snelheid een peloton. De pelotonsleider sloeg er eerst geen acht op, vuurde uiteindelijk een waarschuwingsschot af en toen de terreinauto niet snel genoeg halt hield werd de auto onder vuur genomen. In de auto bleek niet het zelfmoordcommando te zitten dat de mariniers vreesden, maar een familie van zeventien Irakezen. Elf van hen vonden de dood, onder wie veel kinderen.

Over de radio schold een commandant zijn pelotonsleider uit: `You just fucking killed a family because you didn't fire a warning shot soon enough!' Brannigan tikte het allemaal op en stuurde het verslag naar zijn krant. Het Pentagon gaf een heel andere versie van het incident, en hield het aantal doden op zeven. Brannigan en de Post bleven bij hun verhaal en het Pentagon moest uiteindelijk bakzeil halen.

Het zal een van de momenten zijn geweest waarop de legerleiding zich heeft afgevraagd of al die embedding nou wel zo'n goed idee was. Maar in het algemeen konden ze tevreden zijn. De verslaggevers brachten de oorlog rechtstreeks in de huiskamers en lieten zien wat een toegewijde en dappere jongens die soldaten waren.

Het idee verslaggevers in te kwartieren bij de troepen was afkomstig van onderminister van defensie Victoria Clarke. Voordat ze toetrad tot de regering van Bush, had ze gewerkt voor het pr-bedrijf Hill en Knowlton. Een van hun belangrijkste klanten was de regering in ballingschap van Koeweit geweest, toen dat land door de Irakezen was bezet en alle zeilen moesten worden bijgezet om de wereld te winnen voor operatie Desert Storm, de Golfoorlog van 1991. In die oorlog werden de media nog zoveel mogelijk op afstand gehouden. Er was een pool-systeem waarvan een beperkt aantal journalisten gebruik kon maken, maar verder moesten de tv-stations het doen met de door het Pentagon vrijgegeven filmbeelden van intelligent inslaande projectielen.

In het eveneens recente Weapons of mass deception beschrijven de media-onderzoekers Sheldon Rampton en John Stauber hoe de stap van de afwerende houding van de Eerste naar de open huis-politiek van de Tweede Golfoorlog werd gemaakt. Oorlog is al heel lang een pr-zaak, betogen Rampton en Stauber in hun kritische en over het algemeen goed gedocumenteerde boek. Ze halen pr-consultant John Rendon aan, die voor de Amerikanen heel wat klusjes inzake Irak opknapte. Rendon herinnert eraan hoe de overwinnaars in de eerste Golfoorlog uitbundig in Koeweit-city verwelkomd werden. De Koeweiti's zwaaiden enthousiast met kleine Amerikaanse vlaggetjes. `Heeft u zich wel eens afgevraagd', vroeg de pr-man in 1996 tijdens een speech op een militaire academie, `hoe die Koeweiti's, na zeven maanden gijzeling, opeens aan al die vlaggetjes kwamen? Nou, dat was mijn werk.'

Oorlog werd een product, dat verkocht moest worden. Maar daarnaast speelde 11 september 2001 een belangrijke rol. Amerikaanse reporters gingen zich meer als Amerikanen en minder als verslaggevers gedragen. Oorlogscorrespondent en tv-persoonlijkheid Geraldo Rivera van de conservatieve tv-zender FOX-nieuws verklaarde nadat hij in Afghanistan was neergestreken, dat hij een wapen droeg en dat hij hoopte Osama bin Laden persoonlijk te doden.

Daar kwam bij dat de Talibaan hun nieuws-management goed op orde hadden. Als er in die oorlog burgerslachtoffers vielen, gaf het Amerikaanse leger geen thuis, maar streek de internationale pers massaal neer op de plek des onheils en gingen de beelden de wereld rond. Ten slotte was daar de voortschrijdende techniek: met satelliettelefoons en kleine videocamera's kon vanaf vrijwel elke plek ter wereld live verslag worden gedaan, en dat gaf niet alleen gevestigde nieuwszenders als CNN, NBC en de BBC nieuwe kansen, maar dat bood ook nieuwkomers als het Arabische station Al Jazeera de gelegenheid zijn kijk op de zaak wereldwijd door te geven.

Dat alles zette de Amerikaanse media-adviseurs aan het denken en al op 30 oktober 2002 deelde minister Rumsfeld mee dat in een volgende oorlog de verslaggevers een ongekende toegang tot de strijdkrachten zouden hebben. Toen Operation Iraqi Freedom van start ging waren er van de 920 plaatsen die voor ingekwartierde verslaggevers beschikbaar waren zo'n zeshonderd bezet, vooral door Amerikaanse journalisten. Daarnaast opereerden naar schatting tweeduizend zelfstandige verslaggevers in het veld. Dat hun werk een stuk gevaarlijker was, blijkt uit de dodenlijst: van de achttien journalisten die tijdens de tweede Golfoorlog omkwamen, waren er twee ingekwartierd, de rest was zelfstandig. In het boek van Sheldon Rampton en John Stauber noemt een geconsulteerde pr-consultant de strategie `geniaal'. `Hoe beter de relatie van iemand van ons met een journalist is, des te groter de kans is dat die journalist onze boodschap oppakt en erover schrijft.'

En zo was het natuurlijk. De geïnterviewde reporters in Embedded maken er geen geheim van dat hun sympathie lag bij de mariniers met wie ze op stap gingen. Geoffrey Mohan van The Los Angeles Times realiseert zich dat het voor de legerleiding wel goed moest uitpakken: `Tja, ze kregen een heleboel sympathiserende verslagen van hoe het is, om een soldaat op het slagveld te zijn.' En hoe je ook je best doet, zegt hij, om daarvoor op je hoede te zijn, `je gaat je toch identificeren met de mensen bij wie je bent ingekwartierd – vooral als er op je geschoten wordt.' Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste journalisten in Embedded onbekommerd praten over `wij' als ze het over de mariniers hebben. `In mijn bataljon zijn geen slachtoffers gevallen', zegt Chantal Escoto van de Leaf Chronicle. `We reden de hele nacht en toen de zon opkwam stopten we om te tanken', aldus Mike Cerre, ABC News.

Carl Nolte van The San Francisco Chronicle vond dat hij door embedding de kans kreeg de oorlog te zien zoals de soldaten die zagen. Maar je moest wel proberen neutraal te blijven, vindt hij. `Je wilt de oorlog van heel dichtbij zien en je er tegelijkertijd van distantiëren, en dat is tamelijk moeilijk.' Voor John Burns van The New York Times was dat helemaal de vraag niet. `In dit vak word je niet betaald om neutraal te zijn. Je moet eerlijk zijn, en dat is iets heel anders.' Hij berekent de tol van de veldtocht op 130 dode Amerikanen, veertig Britse soldaten en ten hoogste 5.000 Irakezen, `dus waarschijnlijk gingen er in die zes weken minder mensen dood dan wanneer Saddams moordmachine zijn dagelijkse routine had kunnen uitvoeren. Maar daar hoor je die neutrale correspondenten nooit over.'

De journalisten die zich in hun berichtgeving enige kritiek veroorloofden kregen het overigens wel moeilijk. Michael Wolf van The New York Magazine stelde generaal Vincent Brooks een paar kritische vragen op een van de eerste persconferenties in het mediacentrum in Qatar, en werd prompt in Amerika door ijzervreter en talkradio-presentator Rush Limbaugh voor verrader uitgemaakt. Wolf kreeg al spoedig zoveel hatemail uit het vaderland dat zijn mailbox verstopt raakte en hij moest uitwijken naar een hotel met een snellere internetverbinding.

De geïnterviewde journalisten beseften wel dat hun ook een hoop ontging. Voor informatie over het verloop van de oorlog waren ze aangewezen op informatie van het thuisfront. `Iedereen die thuis zat zag meer van de oorlog dan wij', zegt Rick Levanthal van Fox News. En Mike Cerre van ABC News onthult dat het waardevolste apparaat dat hij bij zich had een kleine transistorradio was, waarop hij de BBC kon ontvangen. `De enige manier om er achter te komen wat er aan de hand was.' Voor de mariniers zelf gold dat gebrek aan overzicht overigens ook, en veel van de reporters zagen zich al snel gebombardeerd tot vraagbaken. Zij zouden toch wel weten hoe het werkelijk met de oorlog ging?

Een groot probleem voor de ingekwartierde journalisten was dat ze nauwelijks informatie konden geven over het lot van de Irakese burgers. `Je kon het ze niet vragen. Je moest bij je eenheid blijven', merkt John Koopman van The San Francisco Chronicle op. En zonder twijfel was dat ook een van de grote voordelen vanuit het gezichtspunt van de militaire propaganda.

En passant wordt uit de verhalen van de journalisten wel duidelijk hoe de soldaten optraden tegen alles wat bewoog, een geweer had of niet snel genoeg uit de weg ging. Dat werd met enorme overkill weggevaagd. Het was de strategie van de violent supremacy – de militairen bedachten voor alles een slagzin – die tot doel had de boodschap te verspreiden dat verzet tegen de zwaarbewapende bevrijders geen enkele zin had.

Katovsky en Carlson trekken zelf geen conclusies uit het rijke materiaal dat ze in hun boek presenteren. Maar die conclusies dringen zich wel op. Vast staat dat de ingekwartierde reporters een unieke gelegenheid hebben gehad om achter de schermen van de oorlog te kijken. Ook staat vast dat ze zich daarbij in vergaande mate met de mariniers hebben geïdentificeerd. Een UPI-correspondent vatte het treffend samen: `Reporters love troops. Put us with these eighteen-year old kids and we just turn to jelly.' En vooral daarom was embedding voor de militairen een propagandasucces.

Was het ook een journalistiek succes? Dat is veel minder gemakkelijk te beoordelen. Daarvoor zou je ook de journalistieke productie moeten analyseren, en moeten bekijken op welke manier de verhalen hun weg naar de Amerikaanse tv-schermen en krantenpagina's hebben gevonden. Maar ook zonder dat kun je veilig stellen dat de inkwartiering van journalisten nooit de enige manier kan zijn om een oorlog te verslaan. Je moet hopen dat er ook reporters zijn die nóg dapperder zijn, die zelf een terreinauto huren, zelf een oorlogsgebied intrekken en die ook over de triviale gruwelijkheid van de oorlog berichten.

Of je moet hopen op zo'n bijzondere figuur als Salam Pax.

Salam Pax is het pseudoniem van een Irakees die in de maanden voor en vlak na de Brits-Amerikaanse invasie in het Engels een dagboek op Internet bijhield – een weblog zoals dat heet. Zijn aanvankelijk geestige en sardonische, maar later steeds bitterder wordende observaties trokken de aandacht, onder meer van de Britse krant The Guardian, die hem een column aanbood en zijn verzamelde aantekeningen uitgaf.

Wie is Pax? Hij wil zijn werkelijke naam nog steeds niet onthuld zien, maar het is een ontwikkelde, jonge Irakees, die onder meer een paar jaar in Wenen architectuur studeerde. Het bijzondere van zijn boek is dat `Pax' een volstrekt onafhankelijk geluid laat horen. En dat hij geestig is op een manier die we op de een of andere manier niet van een Irakees verwachten. Toen de Engelstalige radiozender van Bagdad de naam van de rockgroep Bush niet meer mocht noemen, maar hem moest spellen: bee uu es ha, schreef hij dat de dj's daar God danken dat er geen rockgroep is die Schwarzkopf heet.

Van het Saddam-regime moest hij niets hebben – en hij kwam daar al ruim voor de val van Saddam voor uit. Maar tegelijkertijd had hij geen enkele illusie dat de Amerikanen de verbeteringen zouden brengen die Bush zo vaak aankondigde. `Naar de hel met Saddam, en moge Bush zich snel bij hem voegen'. Dat motto tikte Pax toen de opmars van de Amerikanen was begonnen.

Toen The New York Times aankondigde dat het Witte Huis bezig was een gedetailleerd plan te ontwikkelen voor een overgangsregering die later plaats moet maken voor een gekozen burgerregering, noteerde Pax op 12 oktober 2002 in zijn dagboek: `Neem me niet kwalijk. Maar verwacht niet dat ik Amerikaanse vlaggetjes ga kopen om de nieuwe kolonisten te verwelkomen. [...] De beschaafde wereld komt ons, de barbaarse nomadische Arabieren een lesje leren in beter leven en ons te verlossen van al het kwaad.' En een week later schrijft hij: `Ik hoop maar dat onze Amerikaanse vrienden niet vergeten om extra exemplaren mee te nemen van Democracy for Dummies en en van Make a Decision: It's not as Hard as it Sounds'.

Op 9 november citeert hij een nieuwskop van Reuters: `Wereld ziet kans op vrede, Irak zwijgt over VN-stemming'. `Vreemd', tikt Pax in zijn dagboek. `De wereld ziet vrede, en ik moet een schuilkelder in mijn huis inrichten.' Als de gevechten in Bagdad beginnen verandert zijn toon. De bijtende spot maakt plaats voor angst en wanhoop: `De pijn die je ervaart als je eigen stad voor je ogen vernietigd wordt is onbeschrijflijk. Je kunt er geen woorden voor vinden. Het maakt je bitter. [...] Er breekt iets in je en je laat alle hoop varen.' Voor het verzet van de Fedajien – de gewapende militie van Saddam – heeft hij net als de meeste Irakezen geen goed woord over: `Ze willen in de naam van Allah sterven, dus wat doen ze? Gaan ze voor de heidense agressor staan? Nee natuurlijk niet, want ze zijn doodsbang. Ze verstoppen zich in de burgerwijken om een enkele zinloze mortiergranaat te gooien of een paar schoten met een kalasjnikov te lossen, die zonder effect afketsen op de gepantserde wagens. Maar de reactie die ze op dat ene schot krijgen is een stortvloed van mortiergranaten of wat dan ook op alle huizen in de buurt waar het schot vandaan kwam.'

Het boek van Pax is een snel werkend tegengif tegen oorlogsheroïek. Hier is een man aan het woord die machteloos moet toezien hoe zijn land naar de donder gaat. Die er van te voren voor waarschuwde, die beter voorzag hoe het met het land zou aflopen dan wie ook. Het heeft alleen niet geholpen.

Bill Katovsky en Timothy Carlson: Embedded. The media at war in Iraq. An oral history. The Lyons Press, 422 blz. euro 25,–

Salam Pax: The Baghdad Blog. The Guardian/Atlantic Books, 202 blz. euro 16,91. Vertaald door Amy Bais als Salam Pax. Het opzienbarende internetdagboek van een anonieme Irakees. Het Spectrum, 228 blz. euro 16,50

Sheldon Rampton en John Stauber: Weapons of mass deception. Tarcher/Penguin Books, 248 blz. euro 15,85