Alles tussen beha en eugenetica

De twee uiterste standpunten van de historicus: je plaatst jezelf helemaal buiten je onderwerp en kijkt er naar alsof je van een andere planeet komt, of je probeert je te verplaatsen in een tijdsgewricht en beschrijft dat van binnen uit. Voor beide is iets te zeggen, meestal is een combinatie van beide posities verkieslijk. De Tsjechische schrijver Patrik Ouredník kiest in Europeana. Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw een duidelijk standpunt: van buitenaf. Het volkje op de kleine planeet Aarde krijgt meteen bizarre trekken, je zult er maar tussen wonen.

Europeana vertoont zich al in de eerste regels als een bizar geschiedenisboek. Ouredník bepaalt de gemiddelde lengte van de D-Day-Amerikanen en berekent dat de in Normandië gesneuvelde soldaten bij elkaar opgeteld een lengte van achtendertig strekkende kilometer bereiken. Statistiek is een van de hulpmiddelen van elke historicus, psychologie een andere, maar de laatste discipline heeft Ouredník zorgvuldig vermeden. Ik geloof dat vooral de laatste omstandigheid Europeana tot het verbijsterende boek maakt dat het is. Dit wordt nog versterkt door het kindertoontje – onbevangen, onschuldig – waarop de schrijver de feiten presenteert: `En vrouwen konden via internet sperma van een anonieme donor bestellen en sommige laboratoria boden sperma aan van mannen van bijzondere kwaliteit, van astrofysici en ingenieurs en basketballers en dergelijken. [...] Een dosis sperma kostte gemiddeld 1.050 dollar inclusief verzendkosten en de vrouwen konden er ook een opname bij bestellen met de stem van de spermadonor. Op de opname stond `Goedendag! Wat een prachtige dag vandaag!'

Uit de snijafdeling van de taal (humor, ironie, sarcasme, cynisme) heeft Ouredník zich hier van instrument nummer één bediend, humor dus. Ook als hij vertelt over de uitvinding (1901) van het geperforeerde wc-papier of van de beha (1914) zien we de onschuldige, leuke kanten van Europeana. Fraai ironisch is Ouredník als hij doorredeneert met de eugenetica, de leer die verbetering van het mensenras nastreeft: `En ze werkten statistieken uit en zeiden dat bijvoorbeeld een drieëntachtigjarige alcoholica in totaal 894 nakomelingen zou krijgen, van wie 67 criminele recidivisten, zeven moordenaars, 181 prostituees, 142 bedelaars en veertig gekken, bij elkaar 437 asociale elementen.'

Sarcastisch wordt Europeana als we lezen over de Turkse genocide op de Armeense minderheid in 1915: `En een Duitse officier die toentertijd als instructeur in het Turkse leger zat, nam zesenzestig foto's van de Armeense genocide mee naar Duitsland en stuurde die naar de Duitse keizer en schreef hem dat Duitsland beter zijn bondgenoten moest uitkiezen, omdat de Turkse schande ook op zijn rijk afstraalde.' Met cynisme tenslotte meldt Ouredník dat de eerste wet betreffende de sterilisatie van minderwaardige en asociale elementen in 1907 in de Verenigde Staten werd uitgevaardigd: `En in 1914 werd op instigatie van psychiaters de wet uitgebreid tot recidivisten van diefstal en alcoholici en in 1923 werd die in Missouri ook nog uitgebreid voor kippendieven van negroïde en indiaanse afkomst, omdat men meende dat voor kippendieven van blanke afkomst nog een weg terug was.'

De toon, het gemak en de schijnbare achteloosheid – let op de frequentie van de woordcombinatie `en dergelijke' – waarmee Ouredník over de golven van de twintigste eeuw surft, doen je nu en dan uit het oog verliezen dat hij over een verbluffende hoeveelheid gegevens beschikt. Daarbij overziet hij met evenveel gemak filosofie, psychologie, wetenschap, politiek, krijgskunde, seksuologie, et cetera.

We lezen over de opvatting dat de fiets ongepast was voor een Amerikaanse vrouw, omdat het heen en weer schuiven van schaamlippen en clitoris over het leer hen stimuleerde tot perverse seksuele praktijken. Ouredník meldt dat in 1999 de Duitsers hun auto negentien keer per jaar wasten; dat de Hiroshima-bommenwerper Enola Gay heette omdat de Ierse moeder van de piloot zo heette en hij het zo'n vrolijke naam vond; dat de gedachte om de joden naar Madagascar te deporteren in 1905 door een Weense bijbelexegeet werd geopperd en de nazi's het kostenplaatje te hoog vonden en tot uitroeiïng besloten; dat de communisten de mens eigenlijk een aap vonden die was gaan werken, maar dat sommige evolutionisten het daar niet mee eens waren en zeiden dat de natuur op zichzelf zinvol genoeg was, ook zonder arbeid. En dergelijke.

Na alle ellende die in Europeana de revue is gepasseerd lezen we tot slot woorden over `de theorie van het einde van de geschiedenis'. Je zou het bijna wensen, als je dit op pagina 156 van Ouredníks uitmiddelpuntige historieboek leest. Maar dan komt er nog de uitsmijter: `Maar veel mensen kenden die theorie niet en bleven doodleuk geschiedenis maken.' Punt. We blijven voorlopig gewoon doorleven, daar heeft Ouredník gelijk in. Maar je houdt je hart vast.

Patrik Ouredník: Europeana. Een zeer korte geschiedenis van de twintigste eeuw. Fagel, 156 blz. euro 16,50