Het jaar van Europa

In maart 2000 formuleerden de Europese regeringsleiders in de Portugese hoofdstad Lissabon tijdens hun halfjaarlijkse top een ambitieuze doelstelling. De Europese Unie moest in 2010 de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld worden, die in staat zou zijn ,,duurzame economische groei, met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang'' te genereren. De rauwe werkelijkheid is dat de economische ontwikkeling in Europa, net als het nu bijna afgesloten jaar, in 2004 wederom verder zal achterblijven bij die van de Verenigde Staten. Volgens de voorspellingen van het Internationaal Monetair Fonds zal de groei in de VS 3,9 procent bedragen terwijl voor de EU een groei van niet meer dan 1,9 procent wordt voorzien.

Terwijl het ijkjaar dichterbij komt, schuift het doel verder weg. Zoals zo vaak bij Europese aangelegenheden gaapt er een diepe kloof tussen de in elf talen aan het papier toevertrouwde doelstellingen en de werkelijke resultaten. Het bevestigt het beeld van Europa als bestuurlijk praatcircus. De mislukte top van Brussel, op 12 en 13 december, was hiervan opnieuw een illustratie. Wat eerder het jaar op de Europese Conventie tussen regeringsvertegenwoordigers en parlementariërs uit alle lidstaten over een Europese Grondwet was overeengekomen, werd door de regeringsleiders vervolgens getorpedeerd. Zo strompelt Europa verder, terwijl de rest van de wereld voortholt.

In hun commentaren op het mislukken van de laatste top merkten diverse betrokkenen op dat terugslagen in het integratieproces inherent zijn aan de ontwikkeling van Europa. En dat is natuurlijk ook zo. Maar die constatering geeft tevens blijk van een wel erg naar binnen gerichte blik. Europa kan het zich niet permitteren eindeloos met zichzelf bezig te zijn. Want ook dat is de realiteit van 2003. Op het wereldtoneel speelde het `zich verenigende' Europa als gevolg van interne verdeeldheid nauwelijks enige rol van betekenis. De oorlog in Irak gaf een duidelijke scheidslijn te zien met aan de ene kant het volop participerende Verenigd Koninkrijk en aan de andere kant Frankrijk en Duitsland, die zich als de felste tegenstanders van een interventie zonder VN-mandaat ontpopten. Deze uiting van diepe verdeeldheid liet zien dat de Europese politieke unie nog zeer ver weg is. Ernstig is ook dat dit jaar bleek dat Europa niet langer alleen door de buitenwereld, maar ook steeds meer door de eigen inwoners met toenemende scepsis wordt bekeken.

Tegen deze achtergrond wacht Europa een uiterst belangrijk jaar. Allereerst is er op 1 mei 2004 de uitbreiding met tien nieuwe lidstaten, waarbij de revolutionaire ontwikkelingen van 1989 in het Oostblok vijftien jaar na dato – eindelijk – op Europees-institutioneel niveau worden afgerond. Dat de nieuwe landen een eigen rol wensen te spelen heeft Polen tijdens recente politieke toppen bewezen. In Kopenhagen, eind vorig jaar, en in Brussel deze maand bleef het tot het laatst bikkelen over zowel financiële als politiek-principiële punten, zoals de stemverdeling binnen de Unie.

Dan treedt in 2004 een nieuw dagelijks bestuur van de Unie aan, de Europese Commissie. Voor de ontwikkeling van de EU en een soepele dagelijkse gang van zaken is van het allergrootste belang dat de Commissie na de zwakke Prodi weer een krachtdadig voorzitter krijgt die met gezag de ongetwijfeld moeizame eenwording van de 25 lidstaten weet te bevorderen. Interessant in dat geheel is de grotere rol die het Europees Parlement heeft toebedeeld gekregen bij de samenstelling van de Commissie. Het grote probleem bij de herkenbaarheid van Europa is immers de onduidelijke machtsverdeling – wat toch een wezenskenmerk van een goed functionerende democratie dient te zijn. Het Europees Parlement zal overigens ook zelf in 2004 worden herkozen. Wil in Nederland het fiasco worden voorkomen van de opkomst in 1999 – toen nog geen 30 procent van de kiezers zijn stem uitbracht – , dan doen de Europarlementariërs er goed aan zich meer als politici te manifesteren dan als `hoeders van de Europese zaak'. Nu in de nationale politiek de principiële vraag over de grenzen van het integrerende Europa aan de orde is, dient de verkiezingsstrijd voor het Europees Parlement juist dáárover te gaan.

Ten slotte zal de tweede helft van 2004 het voorzitterschap van de Unie aan Nederland toevallen. Mogelijk zal in die periode de besluitvorming over de Europese Grondwet alsnog worden afgerond. Vaststaat in elk geval wel dat een definitief besluit moet worden genomen over de toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Er wordt, kortom, het een en ander van de voorzitter verwacht; een aanstaande preses die zich de afgelopen tijd behoorlijk van Europa heeft weten te vervreemden. Zoals de onlangs aangetreden minister van Buitenlandse Zaken Bot een week geleden in een vraaggesprek met de Volkskrant verklaarde: ,,Als we niet oppassen ebt onze invloed in een grotere Unie weg. We zijn de laatste tijd aan de zijlijn geplaatst.'' Voor de verdere ontwikkeling van Europa zal een realistischer kijk van Nederland op wat zich buiten de landsgrenzen voordoet nauwelijks van invloed zijn. Maar voor de toekomst van ons land des te meer. Ook voor Nederland in de Unie wordt 2004 een `sleuteljaar'.