Het jaar van de schamperheid

De opgewonden stemming die vorig jaar door Nederland raasde, heeft plaatsgemaakt voor schamperheid. Nieuwkomers die in troebel water willen vissen, ruiken hun kans: partijen worden opgericht, aangevoerd door de nieuwe varkentjeswassers die zullen laten zien hoe het moet en die in hun ruzie met andere nieuwe varkentjeswassers ten onder gaan. Het is niet ondenkbaar dat ons deze succesvoorstellingen het komend jaar bespaard blijven, betoogt H.J.A. Hofland.

Waar is de energie van de politieke onvrede gebleven, het vuur van de opstand der burgers, de geest van Pim Fortuyn?

Is er soms geen onvrede meer, hebben de twee kabinetten-Balkenende binnen anderhalf jaar Nederland weer tot een tevreden natie gemaakt? Of is de energie eruit, schikken minderheden en meerderheden zich weer morrend in de onafwendbare traagheid van wat bij ons politieke besluitvorming wordt genoemd, en zorgen ze verder liefst binnen de grenzen van de wet, de normen en waarden zoveel mogelijk voor zichzelf (en wat er van de natie terecht komt, zal dan hun laatste zorg zijn)? Of smeult het nog altijd, is het Nederlandse electoraat een vulkaan die straks weer tot uitbarsting zal komen en het niets vermoedende bestel met zijn lavastroom van revolutionair elan zal verrassen? Of was Fortuyn een hype, een creatie van de media, van het soort dat om de haverklap ontstaat, een Idol, maar nu toevallig in de politiek? Van alles wat, denk ik. Twee jaar geleden kwamen de lijnen toevallig bij elkaar.

En nu? Er zijn, objectief bezien, genoeg redenen voor de burger om zich niet helemaal behaaglijk te voelen; meer nog dan toen `de puinhopen van Paars' werden ontdekt. Dat is zacht uitgedrukt. In 2003 zijn, om te beginnen, twee onaantastbaar gewaande bolwerken van Nederlandse ondernemingslust voor onze ogen roemloos in elkaar gezakt. Albert Heijn, als `grootgrutter' een tot wereldformaat gegroeide uitdrukking van de volksziel, bleek diep aangetast door grootheidswaan en bedrog; de KLM fuseerde met Air France, werd in feite door de Fransen overgenomen, maar mag het predikaat `koninklijk' en het kroontje in het logo houden. Soms is troost erger dan de onversneden nederlaag.

Langzaam maar zeker worstelt Europa zich uit de recessie. Dat geldt ook voor ons, maar we bungelen achteraan. Met meer dan zeshonderduizend werklozen gaan we verder bezuinigend het nieuwe jaar in. Nederland kenniseconomie! Raakt die strijdkreet langzamerhand niet een beetje versleten? Al op z'n minst tien jaar klinken uit alle lagen van het onderwijs waarschuwingen dat het geheel ten prooi is aan geldgebrek en ondoordachte vernieuwingen.

Tegen het einde van het jaar verschenen opnieuw enige kopstukken uit het bedrijfsleven op de televisie onder wie Hans Wijers en Gerard Kleisterlee. Als het zo doorgaat wordt het niets, was hun boodschap. Investeringen in het onderwijs hebben nu eenmaal het traagste rendement. Als langzamerhand de doorsnee van een generatie een gebrek aan kennis heeft opgelopen, zal die achterstand nooit meer worden ingehaald. En wat, bij verbetering van het onderwijs, de nieuwe generatie nu zou leren, zou pas merkbaar effect krijgen als ze de productieve maatschappij betreedt. `Kenniseconomie' begint dezelfde inhoud te krijgen als `Deltaplan!'– een leuze zonder consequenties.

We gaan nog even verder met de litanie. De buitenlanders. Allochtonen. Drie jaar geleden is het vraagstuk, bevrijd uit de taboes van de politieke correctheid, bespreekbaar gemaakt. Betekent dit ook dat de oplossing dichterbij is gekomen? Het nieuwe toelatingsbeleid heeft tot gevolg dat het aantal asielzoekers sterk is verminderd. Maar daarmee zijn de bestaande problemen niet opgelost; eerder worden ze scherper gesteld. Weg met het bijzonder onderwijs, in het bijzonder de islamitische scholen (want hoe men dat ook wendt of keert, het blijven potentiële broeinesten van fundamentalisme); in Nederland dreigt tribalisering!

In zekere zin is dat al het geval sinds 1848, toen de vrijheid van onderwijs haar grondwettelijke basis kreeg. De Nederlandse vorm van tribalisering wordt verzuiling genoemd, een fundamentele `levensbeschouwelijke' verdeeldheid die begint in de kerk, zich voortzet in het onderwijs, de politieke partijen, de omroepen, en het verenigingswezen, tot de eertijds legendarische rooms-katholieke geitenfokkersvereniging.

Sinds de jaren zestig heeft het volk zich in versneld tempo ontzuild, terwijl we nu juist zien dat de samenhang van het islamitische volksdeel sterker wordt. Betekent dit niet dat daar een ontwikkeling aan de gang is, die we desnoods antihistorisch kunnen noemen, en in ieder geval niet in overeenstemming met de grote lijn? Dat is best mogelijk. Maar aan de andere kant hebben we in tientallen jaren geen bewind gehad dat zo christelijk is als dit, van minister-president Balkenende. En door de vrijheid van onderwijs op te heffen, tast de staat niet alleen de rechten van alle levensbeschouwingen aan, en daarmee een van de weinige diep gewortelde nationale verworvenheden. Het praktisch gevolg is bovendien dat het islamitische volksdeel, het jongste, in de verdediging wordt gedrongen en hoe dan ook zich in zijn, langs een omweg of stiekem opgelegde, uitzonderingspositie zal harnassen.

Beter is het, te blijven vertrouwen op ,,de vitaliteit van de westerse beschaving'', zoals historicus Pieter Geyl het heeft genoemd. De seculiere, liberaal gegrondveste staat is sterk genoeg om zich de voortzetting van het nu geldende systeem te kunnen veroorloven. Voor de samenleving gaat het niet om de God waarin de school gelooft, maar om de kwaliteit van het onderwijs, de objectieve wetenschap waarmee de kinderen verder komen en zich straks als volwassenen kunnen handhaven, ongeacht wat ze met ramadan of op de dag des Heren doen. Het gaat niet om de hoofddoekjes, maar om opletten in de klas en huiswerk maken.

Zo komen we vanzelf op de normen en waarden. Na A.A.M. van Agt met het ethisch reveil is Jan Peter Balkenende de volgende minister-president die probeert zijn bewindsperiode een uitgesproken morele signatuur te verlenen. Samengevat: fatsoen moet je doen. Dat zal iedereen die wel eens bijna of daadwerkelijk op een zebrapad door een SUV of scooter tegen de grond is gereden, gloeiend met hem eens zijn. Maar zo simpel is het natuurlijk niet. Het naar onze traditie, met grondleggers als Jacob Cats en Hiëronymus van Alphen op rijm gestelde voorschrift, is als het ware het uiterste concentraat van zijn denken. Dat zeg ik zonder ironie. In zijn politieke filosofie zijn het gezin, nationale tradities, persoonlijke verantwoordelijkheid, solidariteit en `denken aan de toekomst', die van de komende generaties, de fundamenten van de maatschappelijke organisatie. Goed onderwijs in de vaderlandse geschiedenis hoort er ook bij. De overheid komt wel een beschermende en regelende rol toe, maar alleen in die gevallen waarin het fatsoen van de gemeenschap niet meer toereikend is. Het individu kan niet bij het eerste het beste noodsignaal zijn verantwoordelijkheid aan de staat overdragen.

Geen orgeltoon maar uw persoon. Naar zijn eigen fatsoensnorm gaf Balkenende zelf het voorbeeld toen in een paar satirische televisieprogramma's leden van het Koninklijk Huis op de hak waren genomen, en hij persoonlijk voor de getroffenen in de bres sprong. Don Quichotte? Tot in zijn eigen kabinet was hoon zijn deel. Ik vind dat niet rechtvaardig. Iemand die het met de beste bedoelingen opneemt voor degenen die hij de zwakkere en belaagde partij acht, moet je in zo'n geval respecteren in plaats van hem uit te lachen, zeker als je in zijn kabinet zit. Solidariteit! Maar de gebeurtenis doet vermoeden dat hij een misverstand heeft met de in dit geavanceerde openbare leven heersende zeden en gewoonten. Dat vermoeden wordt sterker door zijn behandeling van de `zaak' mevrouw M. Wisse Smit, waarvan het door hem ongetwijfeld niet gewilde resultaat was, dat hij deze andermans Dulcinea verder aan de haaien van de publiciteit uitleverde.

Mensen uit westerse landen die voor het eerst hier komen, en Nederlanders die uit een buurland weer thuis komen, valt het op dat de toon van ons openbare leven gezet wordt door norsheid, pummeligheid, op zijn best een verdediging bijvoorbaat en op zijn slechtst de aanval bijvoorbaat. De lust tot wat we noemen: afzeiken. Automatisch, als een geconditioneerde reflex. Het is niet dat bijvoorbeeld in België, Frankrijk of Amerika zachtzinniger met de autoriteiten wordt omgesprongen – het gaat daar vaak genadelozer toe dan hier maar dat geldt niet voor de persoonlijke omgangsvormen. Het is alsof Nederlanders hun hersens in een klomp hebben verpakt. Misschien bedoelt de minister-president ook dit, en dan geef ik hem gelijk.

Dat laat de andere misverstanden onverlet. Ik bedoel dan het initiatief van GroenLinks tot het oprichten van een Robin Hood Fonds, waar minister De Geus korte tijd van gecharmeerd was. Hierin konden de rijken geld afdragen tot leniging van der armen nood. Ervan afgezien dat Robin in de eerste plaats een volleerd rover was, en pas daarna een mensenvriend, hoort dit denkbeeld van de toevallige charitas tot de eervorige eeuw. En verder, tegelijkertijd laat de theoretische solidariteit ruimte voor een praktisch betoon van hardheid, waarvoor je ook tot de jaren van Hendrik Colijn terug moet gaan om de equivalenten te vinden. (Zie bijvoorbeeld de pagina brieven van lezers in de bijlage Opinie & Debat van 27/28 december.)

Niet volstrekt onverwant aan de lotgevallen van de KLM moest het land ervaren dat de grenzen van zijn macht nauwer getrokken zijn dan de illusie belooft. Het Europese Stabiliteitspact werd door wat vroeger `de grote mogendheden' werden genoemd (en wat ze binnen Europees verband onverminderd zijn), in eigen nationaal belang zonder ruggespraak opgeschort. Dat is tegen de letter van het verdrag en de geest van normen en waarden. We riepen de grote jongens voor het bord. Ze bleven zitten en deden waar ze zin in hadden. Des te slechter voor de onderwijzer.

Wat we `Europa' noemen, ook nu, na de déconfiture van de grondwet, strompelt verder naar de luchtspiegeling van de politieke eenheid. Dat is minder ernstig dan de toegewijde Europeanen doen voorkomen; misschien op het ogenblik wel een zegen in vermomming. Europa groeit economisch, zonder de paraplu van kunstmatige politieke structuren. In dit verband hoort Nederland mee te tellen. Dan komt de rest niet vanzelf, maar wel gemakkelijker.

Onder het bewind van dit kabinet schuift Nederland naar rechts, niet met grote stappen, revolutionair, maar eerder volgens de salamitactiek, met telkens een schijfje. In de Kamer vindt het daarvoor in laatste aanleg een solide meerderheid. Vindt die bij het begin van het nieuwe jaar een even solide weerklank in de publieke opinie? Dat is in politiek opzicht een gevaarlijke vraag. Een kabinet kan, zeker in een televisiedemocratie, geen consistent beleid voeren als het iedere maand ruggespraak moet houden met de publieke opinie zoals die in de resultaten van onderzoeken tot uitdrukking komt. Populariteit fluctueert als de koers van een risicodragend aandeel. Een kabinet begint met een mandaat van vier jaar.

Afgezien daarvan is er die vage grootheid, `de stemming in het land'. Beïnvloed door alles tussen de waan van de dag en grote ontwikkelingen op lange termijn. Daartoe horen nu alle onzekerheden, van de oorlog in Irak, waarin we een kleine deelgenoot zijn, tot het aangeklede spook van de immigratie, en nog altijd de files en de wachtlijsten. Toen Pim Fortuyn zijn opkomst beleefde, was de stemming toenemend opgewonden, radicaliserend. Hij was er eerst een oorzaak, later het overheersend product ervan. Hoe is de stemming nu? Eerder gemelijk, vind ik. Beheerst door schamperheid, ongeloof. En ook troebel genoeg om kleine vissers ertoe te doen besluiten, hun kans te wagen. Dit is een van de zuiverste tekenen dat het wringt en schuift in een bestel: de oprichting van nieuwe partijen, aangevoerd door de nieuwe varkentjeswassers die zullen laten zien hoe het moet, die ruzie krijgen met andere nieuwe varkentjeswassers, in concurrentie met nieuwe klussenklaarders die ook hun eigen partij oprichten, enzovoorts, tot ze zichzelf met z'n allen in de vergetelheid hebben gevochten. Mijn vermoeden, niet voorspelling, voor 2004 is, dat we in ieder geval die succesvoorstellingen achter de rug hebben.

H.J.A. Hofland is columnist voor NRC Handelsblad.