De real life soap van een columnist

Hét succes van het afgelopen televisiejaar was de real life soap rond een Bekende Nederlander. We weten inmiddels tot in detail hoe het werkelijke leven van Frans Bauer en Patty Brard eruitziet. Frans dronk steeds koffie bij zijn moeder, Patty liet ons zien hoe ze op de wc-bril plaatsnam. Waarom zou deze gouden formule niet geschikt zijn voor de krant? Frits Abrahams doet verslag van één dag uit zijn eigen leven. Een columnist die met zijn real life ook wel eens miljoenen fans wil.

Het ontwaken

De morgenstond heeft brak water in de mond.

Het is enkele minuten voor zeven als de wekker gaat. De radio blijkt nog steeds op Classic Rock te staan, wat betekent dat de dag kan worden begonnen met Let's dance van Chris Montez.

Liever blijf ik nog even roerloos liggen, omdat ik in één heldere flits besef dat ik nog geen goed onderwerp heb voor vandaag. De bijeenkomst van gisteravond bleek niet interessant, afgezien van een aantal goede glazen rode wijn na afloop. Hoe zou het toch komen dat Nederland geen sprekers heeft die kunnen spreken? En waarom zijn er nooit bezoekers die goede vragen kunnen stellen aan deze sprekers?

Er was een spreker die een halfuurtje dooremmerde zonder zelfs maar het begin van een conclusie te naderen. Opeens hield hij op. Toen zei hij: ,,De rest van mijn toespraak kunt u op mijn website vinden.''

Hij blikte de zaal in met de verwachting dat iedereen halsoverkop zou verdwijnen om thuis de loutering te voltooien. Maar we keken hem alleen maar verlamd aan, wéér was de dood dichterbij gekomen zonder dat we iets nuttigs met ons leven hadden gedaan.

,,Zou er nog iets in de krant staan dat een stukje kan opleveren?'' vraag ik mijn vrouw.

Ze kent deze vraag. Misschien kent ze deze vraag wel beter dan ze mij kent. Ze weet inmiddels hoe ze zo neutraal mogelijk moet antwoorden: door simpelweg de twee ochtendbladen uit de brievenbus te halen.

Ik blader nerveus door de Volkskrant en Trouw. Niets. Nou ja, één aardig onderwerp, maar dat heeft Jan Blokker al gedaan.

,,Ik vind het prima als Jan Blokker nog heel lang blijft leven'', zeg ik chagrijnig, ,,maar als columnist moet je weten wanneer je tijd gekomen is.''

,,Ik mag hem nog altijd graag lezen'', zegt mijn vrouw.

,,Daar gaat het niet om. Een columnist moet toch ook de weg willen vrijmaken voor een jongere generatie?''

,,Hoe jong ben jij ook weer?''

Dit zijn alleen de woorden, de toon mag iedereen er zelf bij denken. En waarom? Is zij nu zo direct omdat ze weet dat het straks allemaal in geuren en kleuren in de krant komt? Zou het ook zo werken bij Frans Bauer en Patty Brard? Wordt real life op deze manier niet larger dan real life?

,,Ik ga vast de computer aanzetten'', zegt ze.

Dat lijkt hulpvaardigheid, maar het is dwang.

Ik knik en loop naar de badkamer. Terwijl ik het bad laat vollopen, vraag ik me af of ik dit nu ook moet beschrijven. Wie zag ik laatst ook weer op tv in het bad zitten? Paul de Leeuw? En met wie ook weer? Of moet ik toch wat meer beducht zijn voor boze lezersreacties? (,,Ik had niet verwacht dat ik nog eens uit mijn kwaliteitskrant zou mogen vernemen hoe een uwer redacteuren...'')

Ik sluit ten slotte de deur, niet zozeer uit misplaatste discretie, maar vooral omdat ik in de verte de computer hoor kraken.

,,Zal ik maar vast beginnen?'' roept mijn vrouw.

,,Ga je gang'', mompel ik.

Een uurtje later, als ik het leven min of meer herboren tegemoet kan zien, komen we elkaar op de gang tegen.

,,Is het gelukt?'' vraag ik losjes.

,,De eindredactie vindt dat je de laatste tijd zelden zo goed op dreef bent geweest'', zegt ze.

Dochter belt op

Juist als ik een cd wil opzetten, belt mijn dochter uit Thailand. Het is een collect call, dat is Engels voor een telefoongesprek dat een kind vanuit het buitenland met en op kosten van zijn ouders voert.

,,Alles goed, pa?''

,,Redelijk.''

,,Nou, met mij is het wat minder.''

Ik huiver. Bij kinderen kun je je beter meteen schrap zetten, want ze zijn snel door hun eufemismen heen. Scenario's flitsen door mijn hoofd. Diefstal, roof, aanranding? Ziekte? Arrestatie? Vriend boos, vriend weg? Dochter boos, dochter weg?

,,Kan ik je helpen?''

,,Het is nu al te laat.''

,,Leg uit.''

Het blijft even stil.

,,Het heeft met jou te maken, pa.''

Mijn zelfonderzoek is al begonnen, maar wat zou ik mezelf kunnen verwijten? Ik ben hier en zij zit daar, ik heb haar niet verstoten, ik heb haar niet uitgehuwelijkt, ze zit er helemaal uit eigen vrije wil.

,,Hoezo?''

,,Ik zag op de website van NRC dat jij over mij in je column geschreven hebt. Dat ik zo stom was om mijn fototoestel te verliezen, dat ik je inschakelde om contact met de reisverzekeraar op te nemen, dat er gedoe is met de kat in Nederland, noem maar op.''

,,Ja, dat klopt.''

,,Waarom moet heel Nederland dat weten?''

,,Heel Nederland'', lach ik schril, ,,was dat maar waar.''

,,Even serieus, pa. Ik wil absoluut niet dat ik met mijn hele hebben en houden op de Achterpagina van NRC terechtkom.''

,,Ik heb heel wijze lezers die mijn satirische uitvergrotingen onmiddellijk doorhebben'', probeer ik weer quasi-luchtig.

,,Denk je dat? Dan moet je toch eens wat meer gaan praten met die lieve lezertjes van je. Ik kom er hier af en toe een paar tegen en die beginnen meteen misselijke grappen te maken als ze horen wie mijn vader is.''

,,Zie het als een vorm van erkenning.''

,,Niks erkenning. Ik wil dat je ophoudt met die onzin. Ik ben niet van plan jouw materiaal te zijn als je toevallig geen ander onderwerp hebt. Je bent Arnon Grunberg niet.''

Oorlog kun je niet ontkennen, dat is het vervelende ervan. Als het geweld zich tegen je keert, zul je te wapen moeten.

,,Zo is het wel mooi geweest'', roep ik. ,,Wie heeft jouw verblijf daar mede mogelijk gemaakt?'' Het klinkt wel erg Nationale Nederlanden-achtig.

,,Deze reis heb ik zelf betaald en ik wil niet dat jij erover blijft schrijven. Zoek maar een ander onderwerp.''

,,Ik schrijf wat ik wil.''

,,Maar als het over mij gaat, wil ik het voortaan eerst lezen.''

Ik overzie mijn situatie. Hier sta ik. Ik krijg een telefonische uitbrander op mijn eigen kosten en ik kan me nauwelijks verweren. In mijn pels is een censor gekropen.

We nemen afscheid als kat en hond.

,,Hoe gaat het met ze?'' vraagt mijn vrouw.

,,Ze hebben veel last van de hitte'', zeg ik, ,,maar verder is alles goed.''

Ik schiet in mijn jas en vertrek. Op jacht naar een ander onderwerp.

De straat op

Als mensen vragen hoe ik aan mijn onderwerpen kom, doe ik daar altijd heel onthecht over. Ik loop een beetje rond, zeg ik, ik maak hier en daar een praatje en ga vaak op een bankje in het park zitten.

Dat is het clichébeeld dat zij van een columnist hebben, en dat moet vooral zo blijven. Mensen willen graag horen dat een ander niets uitvoert. Het stijft hen in hun overtuiging dat iedereen lui is, behalve zij.

Een onderwerp zit in een klein hoekje, daar gaat het om. Daarvoor moet je wel af en toe de straat op, want een goed onderwerp wil gevonden worden.

Vandaag duikt het onderwerp misschien op in de persoon van een oud-collega die ik een jaar of vijftien niet heb gezien. Hij winkelt met zijn vrouw in Amsterdam-Zuid waar we elkaar op een straathoek tegen het lijf lopen.

,,Wat doe jij tegenwoordig ook weer?'' vraagt hij.

,,Ik schrijf stukjes.''

,,Ach ja, nu je het zegt.'' Hij kijkt zijn vrouw aan. ,,Lies zegt wel eens: lees dat even. Maar dan komt er altijd weer wat tussen. Bevalt het een beetje?''

,,Redelijk.''

,,Waar schrijf je zoal over?''

Zoal. Het woordje hoort volmaakt bij zijn hockeyaccent dat me altijd al zo hinderde, vooral nadat ik gemerkt had dat hij pas op zijn veertigste was gaan hockeyen.

,,Van alles. Je kunt het zo gek niet bedenken.''

,,Dan heb ik nog wel wat leuke tips voor je.''

Onraad.

Groot onraad.

Mensen met leuke tips moeten door de columnist eigenlijk ter plekke geliquideerd worden. Ze gaan zijn leven verpesten. Ze sturen hem uitnodigingen voor het jubileum van hun bridgeclub, ze willen hem meenemen op hun jaarlijkse, oervervelende bootreisje op de Rijn, en ze hopen vooral op een paar regeltjes in de krant als hun carrière een mijlpaal nadert die iedereen dreigt te ontgaan.

Als je op den duur aan al deze verwachtingen niet kunt voldoen, vatten ze een diepe haat tegen je op. Wie denk jij wel dat je bent dat je hen kunt negeren?

,,Prima'', zeg ik daarom, ,,ik hoor het wel.''

,,Jij schrijft dus stukjes'', teemt hij. ,,Weet je dat ik erg van dat genre hou?''

,,Dat verbaast me niets'', zeg ik, zeer op mijn hoede.

Zijn vrouw heeft zich inmiddels van ons afgewend en tuurt in een etalage met bontjassen.

,,Ik heb vroeger altijd Art Buchwald gelezen'', zegt hij. ,,Geweldig!''

Dat was nog in de tijd dat de krant de International Herald Tribune voor hem betaalde, dacht ik.

,,En die Russell Baker was natuurlijk ook fantastisch.''

,,Zeker.''

,,Weet je wat ik altijd zo jammer heb gevonden?''

Ik voel een groot, onafwendbaar onheil naderen.

,,Dat Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt nooit opvolgers hebben gekregen'', zegt hij.

,,Terwijl ze samen toch genoeg tijd hebben doorgebracht om daaraan te kunnen werken.''

,,Hm'', doet hij. Zijn columnisten maakten vroeger betere grapjes.

,,Moeten we niet gaan?'' roept zijn vrouw.

,,Ja'', zegt hij.

Hij geeft me een hand. ,,Ik lees de laatste tijd soms wel de Achterpagina'', zegt hij nog.

Kan ik me nog op tijd uit de voeten maken? Nee.

,,Die Fokke en Sukke'', roept hij me na, ,,leuk hoor!''

Bij de hoofdredacteur

De hoofdredacteur wilde me graag onder vier ogen spreken. We spraken via zijn secretaresse af in een oesterrestaurant.

,,Goed je te zien'', roept hij terwijl ik aanschuif. ,,Ik wist niet dat je zo van oesters hield.''

Dat doe ik ook niet, maar ik had van zijn secretaresse begrepen dat hij ervan hield.

,,Ik geef er niets om'', zegt hij, ,,maar ik neem wel een soepje. Wat zie jij in die slijmerige dingen?''

Moet ik nu kleur bekennen? Het staat zo onhartelijk, en wie wil een onhartelijke indruk op zijn hoofdredacteur maken? Ik ga al tientallen jaren met hoofdredacteuren om en ik ben er nog geen tegengekomen die graag onhartelijk behandeld wil worden.

Voor het overige zijn de verschillen groot. Net als onder gewone mensen heb je onder hoofdredacteuren schoften en engelen. Het lastige is dat de schoften soms in het begin engelen lijken. Het omgekeerde komt ook wel voor, maar minder vaak.

Nadat we een halfuurtje vrijblijvendheden hebben uitgewisseld, komt hij terzake juist als ik een zilte fluim moeizaam door mijn keelgat heb gegoten.

,,Je vindt het nog leuk, dat schrijven van die columns?''

,,Zeker'', slik ik, terwijl ik mijn best doe mijn behoedzaamheid zo min mogelijk te laten doorklinken.

,,Wordt het zo langzamerhand niet erg zwaar?''

Ik heb hem zelden zó bezorgd gehoord.

,,Ach'', zeg ik luchtig, ,,dat verschilt per dag. Je staat er natuurlijk wel alleen voor.''

,,Heb je thuis nog een beetje steun?''

,,Ik mag niet klagen, maar ik moet het doen.''

,,Uiteraard.''

Plotseling zegt hij: ,,Het lijkt me zo moeilijk om elke dag iets nieuws te bedenken.''

,,Hoezo?''

,,Nou, dat zou ik me kunnen voorstellen.'' Hij peinst even, zegt dan: ,,De menselijke creativiteit is per slot van rekening eindig.''

,,Dat is zo, maar ik ben gelukkig laat begonnen.''

,,Jawel... en ik vind je stijl ook nog wel behoorlijk, maar de onderwerpen worden misschien toch wat minder.''

Het verwijt ligt opeens keihard op tafel, als zo'n smerige oester die van mijn bord is gegleden.

,,Vind jij dat?''

,,Ja, en ik niet alleen...'' Hij ontwijkt mijn blik en vraagt: ,,Wat vind je er zélf van?''

Ik schrik. We weten allemaal dat dit de vraag is die de bloeiendste carrières wreed heeft afgebroken.

,,Ik vind dat het nog wel aardig gaat'', zeg ik.

,,Aardig is misschien niet genoeg.'' Hij zet nu door. ,,Necrologieën, wat vind je daar van?''

,,Hoe bedoel je?''

,,Zou het niks voor je zijn? Het is een mooi genre en we zoeken er iemand voor.''

Ik begin het opeens erg koud te krijgen. Alsof ik me in een mortuarium bevind. Ik zou hier wel weg willen.

,,Wil je er eens over nadenken?''

,,Nja.''

,,Laat het me volgende week weten.''

Volgende week.

Misschien kan ik alvast mijn eigen necrologie schrijven, of word ik nu te cynisch?

Hij reikt me de hand. ,,Gelukkig uiteinde.''

Weer thuis

,,Is alles goed gegaan?''

,,Gaat wel.''

,,Heb je al een onderwerp voor morgen?''

,,Ik zie wel.''

Ik loop naar de wc, neem plaats op de bril en bezie mezelf in de spiegel opzij. Dit is het ultieme Patty Brard-moment, zou je kunnen zeggen. Hierna kan het nooit meer slechter met je gaan.

    • Frits Abrahams