`Angst' bij minderheden in Servië

In Servië is door politieke vertegenwoordigers van de nationale minderheden met afschuw gereageerd op de uitslag van de parlementsverkiezingen van afgelopen zondag.

Geen enkele politicus van de Hongaarse, moslim-, Albanese of enige andere nationale minderheid keert in het parlement terug.

Onder de prominente politici die hun parlementszetel zijn kwijtgeraakt zijn de minister voor Mensenrechten en Minderheden, Rasim Ljajic, de belangrijkste leider van de moslim-minderheid, en de Servische vice-premier József Kasza, de belangrijkste leider van de Hongaarse minderheid in de Vojvodina. Alle partijen en partijencoalities van de minderheden bleven zondag onder de kiesdrempel van vijf procent.

Kasza bestempelde gisteren de uitslag als ,,rampzalig'', niet alleen omdat er geen Hongaren meer in het parlement zitten, maar ook omdat de ultra-nationalistische Servische Radicale Partij (SRS) met 82 van de 250 zetels verreweg de grootste partij in het parlement is geworden. De zege van de SRS, zei hij, heeft bij de minderheden ,,angst en verwarring'' veroorzaakt. Zijn eigen partij verkeert volgens het Hongaarse blad Népszabadság ,,in een schoktoestand''. Kasza bood gisteren het bestuur van zijn partij, waarvan hij voorzitter is, zijn ontslag aan.

Ook de regering van buurland Hongarije maakt zich zorgen. Een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Boedapest riep gisteren de nieuwe autoriteiten in Belgrado op de minderheid te betrekken bij alle beslissingen die haar aangaan.

Inmiddels lijkt Servië af te stevenen op een minderheidsregering zonder de zegevierende SRS. De radicale partij bood na de verkiezingen de grootste van de vier in het parlement vertegenwoordigde `democratische' partijen, de Democratische Partij van Servië (DSS) van oud-president Vojislav Koštunica, een coalitie aan, die een ruime meerderheid in het parlement zou hebben.

Volgens de SRS hebben de programma's van beide partijen veel met elkaar gemeen. Maar dat aanbod maakt geen kans: de DSS heeft een coalitie met de extremistische SRS bij voorbaat steeds uitgesloten. Zondag zei Koštunica nog onder geen beding met de ultra-nationalisten in zee te gaan.

De democratische partijen lijken daarom tot elkaar veroordeeld. Gevieren hebben ze een meerderheid in het parlement. Het grote probleem is echter dat de DSS een coalitie met de Democratische Partij – de partij van de in maart vermoorde premier Zoran Djindjic, de partij ook die Servië, met haar partners, de afgelopen drie jaar heeft geleid – ook al bij voorbaat heeft uitgesloten. Uit uitlatingen van ongenoemde woordvoerders in de DSS van de laatste dagen valt af te leiden dat de partij sinds zondag niet van mening is veranderd.

Hoewel de coalitiebesprekingen nog moeten beginnen, wordt in Servië nu gespeculeerd dat de DSS in zee gaat met de twee andere democratische partijen, de hervormingsgezinde partij G17 Plus en de monarchistische SPO-NS. Die coalitie heeft geen meerderheid in het parlement, maar zou door de DS moeten worden gesteund. Diverse woordvoerders van de DS, onder wie premier Zoran ˇZivkovic, lieten zich gisteren positief uit over zo'n constructie, op voorwaarde dat de regering het hervormingsbeleid voortzet en zich niet van Europa afkeert.

Of deze minderheidsregering tot stand komt, hangt nu vooral af van G17 Plus, de partij van radicale hervormers. Die sprak zich gisteren bij monde van haar vice-voorzitter, Mladjan Dinkic, de afgelopen zomer op frauduleuze wijze weggestemde gouverneur van de Servische Nationale Bank, uit tegen een minderheidsregering. De vraag is of de partij van de hervormers zich door de andere toekomstige partners nog laat overtuigen. De kleine SPO-NS van oud-oppositieleider Vuk Draškovic is voor een minderheidsregering.