Wees consequent neutraal tegenover religie

De staat moet duidelijker scheidslijnen trekken voor het uitdragen van religieuze overtuigingen, vindt Thomas von der Dunk. Geen rechters met een hoofddoek, wel getuigen. Geen kruisje aan de muur van de klas, wel om de hals.

In de discussie over een scheiding van kerk en staat, gevoed door de paniekerige angststemming omtrent een dreigende `islamisering' van Nederland, heeft het vermijden van discriminatie-gevoelige conflicten de boventoon gevoerd. Het resultaat was een kronkelende ad-hoc koers. Het Franse Stasi-rapport kan ook ons helpen heldere richtlijnen op te stellen.

Vooropgesteld moet worden dat het principiële Franse laïcisme voor Nederland te rigide is, omdat de beoogde godsdienstige neutraliteit van de staat te makkelijk kan omslaan in een bewust godsdienstvijandige houding. Scheiding van kerk en staat betekent dat de kerken geen bijzondere voorrechten genieten, niet dat zij niet over maatschappelijke problemen gehoord zouden kunnen worden maar dan wel op dezelfde basis als elke andere maatschappelijke organisatie, en niet met een exclusieve claim op de Waarheid.

Hoe moet de overheid in het licht van de vele moslimimmigranten omgaan met de scheiding van kerk en staat, waar tegelijkertijd in de Grondwet zowel de gelijkheid als de vrijheid van godsdienst zijn vastgelegd? Het eerste impliceert dat moslims dezelfde rechten hebben als christenen, en het laatste dat er religieuze uitingsvrijheid bestaat die niet beperkt blijft tot een zolderkamertje achteraf. In beginsel zijn daarom openbare religieuze processies, toogdagen en feesten toegestaan, of het nu om een moslimfeest gaat of om de jongerendag van de EO. Het is ieders recht om er niet van te houden, maar het hoort bij een open samenleving dat men niet alles waar men niet van houdt meteen verbiedt. Dat dreigt met name de VVD onder aanvoering van Hirsi Ali te vergeten opmerkelijk, voor een `liberale' partij.

De scheiding van kerk en staat dient zich te beperken tot die plekken, waar het staatsgezag zélf naar buiten treedt. Maar daar dient men dan ook consequent te zijn. Zodra de staat zich in de samenleving met zijn sterke arm manifesteert, via leger, douane, politie of rechterlijke macht, moet hij neutraal zijn. Net zo min als er aparte hoofddeksels zijn voor hindoestaanse of joodse agenten, kan men hoofddoekjes voor griffiers of rechters in de rechtszaal tolereren, zoals in Zwolle is gebeurd. De sollicitante die zich daarmee in haar religieuze plichten beperkt voelt, kan een andere werkkring zoeken of emigreren. Hetzelfde geldt voor het openbaar bestuur: ministers en burgemeesters vertegenwoordigen het staatsgezag, en dat dient met een areligieuze hoofdtooi te geschieden. Dit geldt niet voor raadsleden of Kamerleden, omdat zij niet het geheel (de staat) maar slechts een bepaald deel (een partij) van de samenleving vertegenwoordigen. Of zo'n hoofdtooi op zich ook wenselijk is, is een tweede.

Dan het openbaar onderwijs. In een stelsel waarin ouders het recht hebben om op godsdienstige grondslag een eigen school te stichten, kan men voor de openbare school verder gaan dan anders. Want zoals religieuze ouders voor hun kroost een religieus herkenbare leraar kunnen zoeken, hebben niet-religieuze ouders het recht om van opdringerigheid in dezen gevrijwaard te blijven. Dat betekent dat de klaslokalen en ook de docenten redelijk neutraal moeten ogen: een permanente nadrukkelijke confrontatie van anderen met de eigen religieuze overtuiging is ongewenst. Een kruis aan de wand is daarbij iets anders dan een kruis om een hals: net zo min als een getuige bij de rechtbank als `klant' van een neutrale overheidsinstelling haar hoofddoek hoeft in te leveren, hoeft een scholiere dat. Dat ligt uiteraard anders voor een gezichtssluier, omdat die communicatie en identificatie onmogelijk maakt.

Godsdienstvrijheid impliceert het recht om zijn godsdienst te beleven, maar niet om dat overal en altijd te doen. Het probleem zit hier in de claim van sommige belijders dat hun religieuze verplichtingen steeds voorrang moeten hebben. In zijn omgangsvormen zal een religieuze groepering zich op openbaar terrein moeten aanpassen aan de algemene normen. Men kan niemand dwingen om de eigen kennissenkring een evenredige afspiegeling van de samenleving te laten zijn. Maar als sommige moslimmannen weigeren om het gezag van vrouwelijke docenten of agenten te aanvaarden, is een grens bereikt.

Datzelfde geldt voor de (soms sluipenderwijs al vervulde) wens om op openbare scholen over gebedsruimtes te beschikken. Bij roosters is, net als voor christelijke zondagen, een zekere flexibiliteit niet uit den boze, maar kan niet met alle denkbare varianten rekening gehouden worden. Net zoals de Reformatie indertijd al onder het grote aantal onproductieve katholieke feestdagen opruiming hield, is ook in geval van moslims een dagindeling die te zeer door godsdienst wordt bepaald niet inpasbaar in de publieke instituties van een moderne seculiere maatschappij. Voor wie het offer van aanpassing onoverkomelijk is, rest de verhuizing naar een bijpassende theocratie.

De consequentie van een en ander is dat de atheïst ook niet langer moet zeuren. Net zo goed als kerken hoge torens mogen hebben, mogen moskeeën dat met minaretten. De recente Rotterdamse protesten daartegen herinneren aan de benepen reacties van negentiende-eeuwse protestanten op de bouw van neogotische katholieke kerken, waarachter ook buitenlandse geldstromen en duistere orthodoxe krachten werden vermoed: waarom moest het allemaal zo hoog? Als de staat op staatsterrein de neutraliteit voortaan strikter handhaaft, hoeft men daarop minder paniekerig te reageren. Dan zal men in ambitieuze islamitische bouwprojecten ook niet meer de voorbode van een Saoedische overname van Nederland vrezen, zoals men in 1853 bij het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie voor een Vaticaanse machtsovername deed.

Thomas von der Dunk is publicist

    • Thomas von der Dunk