HEFFINGSKORTING

TOELICHTING

Iedere belastingplichtige heeft recht op de algemene heffingskorting. Partners hebben ieder zelfstandig recht op deze niet overdraagbare heffingskorting. Als een van de partners geen of weinig inkomsten heeft en dus zijn eigen heffingskorting niet (helemaal) gebruikt, kan hij onder bepaalde voorwaarden (een deel van) het bedrag rechtstreeks uitbetaald krijgen door de Belastingdienst. Weinig inkomen houdt hier in: het totaalbedrag van salaris, uitkering of pensioen is lager dan ongeveer 5.400 euro en er is geen ander inkomen. Voorwaarde voor uitkering is dat de partner van belastingplichtige voldoende inkomen heeft en voldoende belasting betaalt.

Een belastingplichtige heeft recht op arbeidskorting als hij een van de volgende soorten inkomsten heeft: loon of salaris, winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. Het moet gaan om inkomsten uit tegenwoordige arbeid.

Een belastingplichtige heeft recht op kinderkorting als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan;

- er behoort in 2004 meer dan zes maanden een kind tot het huishouden en dit kind is bij aanvang van het kalenderjaar jonger dan 18 jaar en

- dit kind is tijdens die periode op het woonadres van belastingplichtige of dat van zijn partner ingeschreven en wordt door één van beide in belangrijke mate onderhouden en

- het gezamenlijke verzamelinkomen is niet hoger dan 59.612 euro (2003: 58.214 euro).

Een belastingplichtige heeft in 2004 recht op de aanvullende kinderkorting van 363 euro (2003: 354 euro) als voor hem de kinderkorting geldt en het gezamenlijke verzamelinkomen van de belastingplichtige en zijn partner in 2004 niet hoger is dan 29.807 euro (2003: 29.108 euro).

Bij een gezamenlijk verzamelinkomen dat niet hoger is dan 28.097 euro (2003: 27.438 euro) wordt de aanvullende kinderkorting verhoogd tot 547 euro (2003: 534 euro). Daarnaast wordt deze korting nog extra verhoogd met 64 euro (2003: 63 euro) als er in het huishouden drie of meer kinderen zijn.

Een belastingplichtige heeft recht op de combinatiekorting als:

- hij inkomen uit tegenwoordige arbeid heeft waarvoor meer dan 4.306 euro (2003: 4.206 euro) wordt ontvangen, of als de belastingplichtige in aanmerking komt voor de zelfstandigenaftrek voor ondernemers en

- er in 2004 gedurende tenminste 6 maanden een kind tot zijn huishouding behoort dat bij aanvang van het kalenderjaar jonger is dan 12 jaar en

- dat tijdens die periode op hetzelfde woonadres is ingeschreven als de belastingplichtige.

Als beide ouders aan de voorwaarden voldoen, hebben ze allebei recht op deze korting.

Met ingang van 1 januari 2004 komt er voor de minstverdienende partner die recht heeft op de combinatiekorting een nieuwe heffingskorting, de aanvullende combinatiekorting. Deze geldt eveneens voor de werkende alleenstaande ouder die recht heeft op de combinatiekorting. De aanvullende combinatiekorting bedraagt in 2004: 290 euro.

Een belastingplichtige heeft recht op de alleenstaande-ouderkorting als hij meer dan zes maanden:

- geen partner heeft en

- een huishouding voert met een kind dat hij in belangrijke mate onderhoudt en dat op hetzelfde woonadres ingeschreven staat en

- deze huishouding voert met geen ander dan kinderen die bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt.

Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende alleenstaande-ouderkorting als hij:

- recht heeft op de alleenstaande-ouderkorting en

- tegenwoordige arbeid verricht en

- gedurende een periode van meer dan zes maanden een kind tot zijn huishouden behoort, dat bij aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 16 jaar niet heeft bereikt en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres is ingeschreven.

De hoogte van de aanvullende alleenstaande-ouderkorting bedraagt 4,3 procent van de inkomsten uit werkzaamheden buiten de huishouding, maar maximaal 1.381 euro (2003: 1.348 euro).

De jonggehandicaptenkorting geldt met ingang van 2004 voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (een Wajong-uitkering), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. Tot en met 2003 geldt de eis dat men daadwerkelijk een Wajong-uitkering heeft genoten. Met ingang van 2004 komt men dus ook voor de korting in aanmerking, als weliswaar recht bestaat op een Wajong-uitkering maar geen uitkering wordt ontvangen, vanwege het hebben van een andere uitkering of inkomen uit arbeid.

Een belastingplichtige heeft recht op de ouderenkorting als hij op 31 december 2004 65 jaar of ouder is en een verzamelinkomen heeft van niet meer dan 30.303 euro (2003: 29.592 euro).

Een belastingplichtige heeft recht op de aanvullende ouderenkorting als hij recht heeft op de ouderenkorting en recht heeft op een AOW-uitkering voor alleenstaanden.

Als men vóór 2003 vanuit een uitkeringssituatie of gesubsidieerd werk,is toegetreden tot de arbeidsmarkt bestaat onder bepaalde voorwaarden recht op een toetrederskorting van 2.269 euro, verdeeld over drie jaren (1.361 euro in het eerste jaar en 454 euro in het tweede en derde jaar). De toetrederskorting is op 1 januari 2003 afgeschaft. Wel worden in 2003, 2004 en 2005 nog de tranches verrekend waarop men recht heeft gekregen door toetreding tot de arbeidsmarkt vóór 2003.

De inkomensgrens voor de tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting voor belastingplichtigen met een partner, is met terugwerkende kracht, tot 1 januari 2003, verhoogd van 5.239 euro naar 5.582 euro. Voor 2004 en 2005 is dat 5.833 euro. De groep alfahulpen die voorheen recht had op de invorderingsvrijstelling, blijft tot en met 2005 in aanmerking komen voor een tijdelijke verhoging van de algemene heffingskorting. In 2004 bedraagt de verhoging nog 47 procent (2003: 60 procent) van het bedrag van de tijdelijke verhoging. De verhoging van de algemene heffingskorting is een algemeen geldende regeling.

De korting maatschappelijke beleggingen en direct durfkapitaal gelden voor de belastingplichtige die belegt in groene beleggingen en sociaal-ethische beleggingen of direct durfkapitaal en in culturele beleggingen en bedraagt 1,3 procent van het bedrag dat gemiddeld is vrijgesteld op grond van de bepalingen in box 3.