Europa schaadt belang nationale politici

De nationale politicus voldoet niet langer om Europa dichterbij de burger te brengen. Dat komt omdat het Europese integratieproces het punt nadert waarop de daaruit voortvloeiende baten voor de politicus niet langer opwegen tegen de kosten: weinig meer te vertellen in de Kamer, meent Gerard van den Berghe.

Na decennialang voor de Europese politieke integratie te hebben geijverd, worden nu de beperkingen van de rol van nationale politici bij dit proces duidelijk. Een voorbeeld daarvan is de zogeheten intergouvernementele conferentie die tot de primaire vaststelling van een Europese grondwet (accordering in de EU-lidstaten moest nog volgen) had moeten leiden. Dit gebeurde echter niet, de machtsverdeling tussen oude en aanstaande lidstaten vormde een belangrijk struikelblok. De Europese integratie is daardoor, althans op institutioneel vlak, tijdelijk tot stilstand gekomen.

De vraag is of die machtsverdeling alleen een verdeling van macht tussen de EU-lidstaten onderling betrof, of een verdeling van macht tussen de EU en de (EU- en kandidaat-EU-) lidstaten. Uit de eerste reacties op het debacle van de conferentie blijkt dat nationale belangen de overhand kregen over Europese belangen waardoor een oplossing voor bijvoorbeeld de stemverhoudingen achterwege bleef. Sommigen beweerden dat de problemen werden veroorzaakt doordat een aantal regeringsleiders de onderhandelingen aangrepen om hun binnenlandse positie te verstevigen.

Nu is deze handelswijze niet nieuw (denk aan de befaamde Britse opstelling van Margaret Thatcher in de jaren '80, I want my money back) en mag het Europese integratieproject niet als mislukt worden beschouwd. Wel heeft het vertrouwen van de Europese burger in de EU andermaal een knauw oplopen. Besluiteloosheid leidt namelijk tot onzekerheid die op zijn beurt weer leidt tot een vermindering van het vertrouwen, in dit geval in het Europese project.

De burgers moeten echter niet vergeten dat juist de door hen gekozen politici op nationaal niveau daar primair debet aan zijn en niet de Europese Commissie noch de Europese parlementariërs.

Het is aannemelijk dat genoemde handelwijze (bovennationale onderhandelingen aangrijpen om de eigen binnenlandse positie te versterken) ook in de toekomst plaats zal vinden en dat deze in toenemende mate een verdergaande integratie in de weg zal staan. Het is zeer begrijpelijk dat nationale politici zo handelen, omdat zíj diegenen zijn die het meest te verliezen hebben wanneer het integratieproces zich binnen de EU voortzet.

Als belangenbehartiger probeert de nationale politicus zijn invloed te maximaliseren om belangen zo goed mogelijk te waarborgen. Het huidige Europese integratieproces tast de invloedssfeer van de nationale politicus aan waardoor zijn rol in een arena vol belangen verzwakt. Er vindt een verdergaande verschuiving van macht en invloed van het nationale politieke niveau in de lidstaten naar de EU plaats.

Momenteel is dan ook sprake van een paradoxale situatie, waarbij de EU een bedreiging vormt voor de posities van nationale politici terwijl op diezelfde politici een beroep wordt gedaan om het integratieproces van de EU voort te zetten. Ook wordt aan hen gevraagd de EU onder de aandacht van burgers te brengen evenals haar rol in de nationale politiek en beleids- en besluitvormingsprocessen meer te erkennen.

De EU is bedreigend want zij vormt een nieuwe beslissingsarena waar de invloed van een nationale politicus kleiner is geworden. Er zijn vijf oorzaken voor deze kleiner wordende rol.

In de eerste plaats bestaat de EU nu al uit vijftien en in de nabije toekomst uit vijfentwintig lidstaten, waarbij een nationale politicus slechts tot één van deze lidstaten behoort. In de tweede plaats deelt de nationale politicus het politieke spectrum met politici op Europees niveau die op vele beleidsterreinen evenveel of zelfs directer betrokken zijn bij het beleids- en besluitvormingsproces op EU-niveau. Ten derde is de omvang van de lobbyactiviteiten op EU-niveau vele malen groter dan op nationaal niveau. In de vierde plaats omzeilen lokale politici (inclusief politici opererend op provinciaal niveau) in toenemende mate het Binnenhof (in het geval van Nederland) en trachten ze direct, via Brussel, hun belangen behartigd te krijgen.

Ten slotte zijn besluiten van de EU bindend voor de lidstaten, en zijn ze bijgevolg kaderbepalend voor de beleids- en besluitvormings`vrijheid' van het nationale politieke niveau (parlement en kabinet).

Intussen heeft de EU aan nationale politici zeggenschap over beleidsonderwerpen geheel of gedeeltelijk ontnomen. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat voor de Commissie veel besluiten hamerstukken zijn en het feit dat het aantal beleidsonderwerpen en -terreinen waarover met gekwalificeerde of gewone meerderheid van stemmen wordt besloten, toeneemt. Het is dan ook aannemelijk dat naarmate het integratieproces voortschrijdt, nationale politici een meer conservatieve, dan wel eurosceptische houding zullen aannemen.

Toch zijn het juist nationale politici geweest die er de afgelopen vijftig jaar voor hebben gezorgd dat het Europese integratieproces zover is voortgeschreden. Dat het zover is gekomen, kan mogelijk verklaard worden door het feit dat dit integratieproces ook de invloedssfeer van nationale politici vergroot indien zij in staat zijn het EU-beleids- en besluitvormingsproces te beïnvloeden.

Toch is het niet reëel te vertrouwen op de vasthoudendheid van nationale politici om het Europese integratieproces voort te zetten. Op een bepaald punt zullen voor hen de baten niet meer opwegen tegen de kosten met als gevolg een drang tot conservatisme. Dan zal gestreefd worden naar behoud of versterking van de rol van natiestaten met een bijbehorende grote rol voor nationale politici.

Misschien is de Europese grondwet de spreekwoordelijke `brug te ver' alsmede een verdergaande ontwikkeling van het gemeenschappelijke buitenlandse- en defensiebeleid. Echter, als men een verdergaande Europese integratie wenst, zal men met de gevolgen daarvan moeten leren leven.

Drs. Gerald van den Berghe is bestuurskundige en is actief lid van de Kring Europa van de Vereniging voor Bestuurskunde.

    • Gerard van den Berghe