Euro-diplomatie

De euro, de gemeenschappelijke munt van twaalf Europese landen, heeft tegen het einde van het jaar een historische hoogte ten opzichte van de dollar bereikt. Dat is geen reden om de vlag uit te steken. Een sterke euro heeft weliswaar het voordelige effect dat de prijzen van geïmporteerde grondstoffen zoals olie of koffie dalen en dat vakanties in de Verenigde Staten goedkoper worden, maar voor de Europese exportindustrie is het een ramp. Een aanhoudende stijging van de munt vormt daardoor een risico voor het economische herstel in Europa. Een sterke munt kost banen. En sterk is de euro: van het dieptepunt in 2000 is de Europese munt ten opzichte van de dollar met maar liefst vijftig procent in koers gestegen.

Het is eigenlijk verrassend dat de koers van de euro nog niet tot openlijke uitlatingen van bezorgdheid van Europese politieke leiders heeft geleid. Inspanningen om de Europese economieën op orde te brengen worden immers deels tenietgedaan door de hoge eurokoers. Daar zijn politici als Schröder of Chirac niet van gediend. Nadat Frankrijk en Duitsland er de afgelopen maand in zijn geslaagd om uit het keurslijf te breken van de begrotingsdiscipline, vastgelegd in het Stabiliteitspact, vormt de externe waarde van de euro een nieuw doelwit voor politieke druk.

In de jaren tachtig, toen de dollar almaar in koers steeg, beweerde de toenmalige Amerikaanse president Reagan: `de dollar is niet sterk, andere munten zijn zwak'. Dat heette dollar-diplomatie. Nu is deze uitspraak te spiegelen: de euro is niet sterk, de dollar is zwak. Hiermee kan aan de kritiek op de sterke euro tevens een politieke dosis America bashing worden toegevoegd. De kern van het probleem is namelijk dat de VS twee tekorten volkomen uit de hand hebben laten lopen: het federale begrotingstekort en het handelstekort. Om deze `tweelingtekorten' aan te passen, moet de waarde van de munt flink zakken. Maar die daling gebeurt niet gelijkmatig over alle valuta in de wereld. Het is de euro die de zwaarste valutaire klappen opvangt.

De opkomende Aziatische landen en in mindere mate Japan zijn actief om een koersstijging van hun munten te neutraliseren. Dat doen ze door hun centrale banken op grote schaal dollars te laten opkopen. Sinds begin 2002 hebben de Aziatische centrale banken honderden miljarden dollar aan hun valutareserves toegevoegd. Aldus hebben ze deels de Amerikaanse tekorten gefinancierd. En tegelijk hebben ze de opwaartse druk op hun munten beteugeld zodat hun exportproducten goedkoop blijven. De dollars die ze verdienen door hun handelsoverschot met de VS, lenen ze vervolgens weer uit aan de Amerikaanse schatkist. Het gevolg is dat China en andere Aziatische landen de grootste schuldeisers van Amerika zijn. Europa voelt niets voor dit Aziatische monetaire mercantilisme – de lokale munt goedkoop houden ten behoeve van het eigen handelsoverschot. De Europese Centrale Bank koopt niet actief dollars op en laat de wisselkoers over aan de financiële markten. Met als resultaat dat de last van de valutaire aanpassingen van de dollar neerkomen op de euro.

Op drie fronten dienen de eurolanden actie te ondernemen. Ten eerste moeten ze de Aziatische landen – met name China – ervan overtuigen dat het op den duur in hun eigen belang is om hun munten in waarde te laten stijgen ten opzichte van de dollar en om zo ook een deel van de aanpassingen te dragen. Ten tweede moeten ze de druk op de Amerikaanse regering vergroten om de overbestedingen in de vorm van gapende handels- en begrotingstekorten terug te dringen. En ten derde moeten ze zorgen voor grotere dynamiek in hun eigen economieën om de groei te bevorderen. Hogere groei in Europa helpt om de overmatige groei van de Amerikaanse tekorten om te buigen.

Op geen van deze drie fronten ziet het er naar uit dat er iets gebeurt. Euroland beschikt niet over een internationaal financieel-monetair beleid, laat staan over geloofwaardige middelen om China aan te pakken. Het anti-Amerikanisme inzake `Irak' werkt door op ander gebied. De EU heeft in Washington plat gezegd geen poot om op te staan. De hervormingen van de eigen economieën gaan mondjesmaat, de Europese groeivooruitzichten zijn op zijn best matig, terwijl de ECB niet van zins lijkt om met een renteverlaging te hulp te schieten. Dit alles laat de wisselkoers vooralsnog als enige uitlaatklep. Met alle risico's van dien. Dringend gevraagd voor het nieuwe jaar: verstandige euro-diplomatie.