Servië wacht nog veel instabiliteit

De zege van de radicalen bij de Servische verkiezingen is geen zege van een extreem nationalisme, maar van extreme ontevredenheid: de democraten hebben het verprutst en boeten daar nu voor.

Slobodan Miloševic, bijgenaamd Baby Face Killer, en Vojislav Šešelj, de Hitler van de Balkan (volgens wijlen premier Zoran Djindjic), kunnen vandaag in het cellencomplex van de Scheveningse strafgevangenis het glas heffen: hun partijen, de socialistische SPS en de radicale SRS, hebben het prima gedaan in de Servische parlementsverkiezingen van gisteren. De twee partijen die samen het vroegere Joegoslavië in jaren van oorlog en ellende hebben gestort in hun streven naar een door Serviërs gedomineerd Joegoslavië en later een Groot-Servië kregen anderhalf van de vier miljoen stemmen en zowel Miloševic als Šešelj veroverde een parlementszetel – al kunnen ze die niet innemen zolang ze achter de tralies zitten.

Dat betekent echter niet dat die klinkende zege, vooral van de ultranationalistische SRS – nu met 82 van de 250 zetels verreweg de grootste partij – dat oude streven naar een Groot-Servië doet herleven. De analyse dat de Serviërs voor `het verleden' of voor een Groot-Servië hebben gestemd, is verkeerd – Groot-Servië en het etnisch-nationalisme, dat altijd het visitekaartje van de SRS was, hebben geen rol gespeeld in de verkiezingscampagne van Tomislav Nikolic, als plaatsvervanger van Šešelj leider van de SRS. Hij won door in te spelen op de gevoelens van desillusie, teleurstelling en wanhoop – over de ruzies en schandalen en intriges binnen en tussen de zogenaamde democratische partijen, over de levensstandaard die eerder daalt dan stijgt, over de economie die niet van de grond wil komen, over het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag dat voortdurend nieuwe verdachten ophoest die moeten worden uitgeleverd. De frustratie over het tribunaal dat nooit klaar lijkt te zijn met zijn lijst van verdachten is zo groot dat hoofdaanklager Carla Del Ponte in Servië wel is uitgemaakt voor de beste campagneleider die Tomislav Nikolic zich had kunnen wensen.

De democratische partijen die eind 2000 Slobodan Miloševic wipten hebben er een potje van gemaakt. Vrijwel geen enkele van de hooggespannen verwachtingen is waargemaakt. Vojislav Koštunica, leider van de nationalistisch-conservatieve Democratische Partij van Servië (DSS), en Zoran Djindjic, leider van de pro-Westerse Democratische Partij DS en van de democratische coalitie DOS, raakten al snel op elkaar uitgekeken en hebben elkaar het leven zuur gemaakt tot in maart Djindjic werd vermoord en werd opgevolgd door de oncharismatische en onmachtige Zoran ˇZivkovic. De DOS-hervormers in de denktank G17 raakten zo gefrustreerd over het uitblijven van hervormingen dat ze zich losmaakten en een eigen partij stichtten. Buitenlandse investeringen bleven uit, buitenlandse hulp eveneens, want daarvoor kwamen de Serviërs pas in aanmerking als ze de oorlogsmisdadigers Karadˇ­zic en Mladic zouden uitleveren. Carla Del Ponte liet de regeerders niet met rust. En pas na de moord op Djindjic is gebleken in welke mate de politiek – óók de democratische partijen – en de geheime diensten nog altijd zijn verweven met het onder Miloševic extreem gecorrumpeerde zakenleven en de georganiseerde misdaad. Het ene schandaal stond nog niet in de krant of het volgende diende zich aan en politici uit het democratische kamp maken elkaar bij voortduring verdacht. De DOS viel op basis van die interne ruzies en intriges deze herfst roemloos uiteen. Intussen moet de gewone Serviër zien rond te komen van gemiddeld 253 euro per maand, een gemiddeld loon dat sinds oktober in reële termen weer ruim 2,5 procent is gedaald. Op de golven van desillusie over de democratische partijen is de SRS, bij uitstel de partij van populisme en demagogie, nu 's lands grootste partij geworden: de stem van gisteren was er niet een van nationalisme, maar van frustratie. ,,We hebben gekregen waar we om vroegen: straf'', zei vandaag een van de democratische leiders.

Wat nu? De radicalen zijn de paria's van de Servische politiek. Ze zullen niet kunnen regeren. Zelfs met de socialisten samen blijven ze steken op 103 van de 250 zetels en geen enkele andere partij wil met de SRS in zee. Dat betekent dat Servië alleen een meerderheidsregering kan krijgen als de democratische partijen samen een coalitie vormen: de DSS van Koštunica (53 zetels), de DS (37 zetels) en de hervormers van G17 Plus (34 zetels). Maar ook zij hebben met 124 zetels net geen meerderheid. De grote drie hebben nummer vier nodig, de nationalistisch-monarchistische coalitie SPO-NS van Vuk Draškovic, ooit met Djindjic dè leider van de oppositie tegen Miloˇ­sevic. Gevieren komen de democraten op 147 zetels, een ruime meerderheid.

Het probleem is dat deze partijen, vooral de grote drie, elkaar het leven het afgelopen jaar met wederzijdse beschuldigingen zeer zuur hebben gemaakt en ook programmatisch moeilijk door één deur kunnen. Koštunica's DSS is tegen samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal, de DS en G17 Plus zijn vóór die samenwerking. De DSS en de DS zijn voor de unie Servië en Montenegro, G17 Plus is tegen die unie en vóór de onafhankelijkheid van Servië en Montenegro. Voor de DSS is de DS een partij van corruptie en bedrog. Voor G17 Plus zijn de DS en de DSS partijen die hervormingen laten sloffen. Koštunica's DSS heeft al geruime tijd geleden een coalitie met de DS uitgesloten.

Als de vier `democratische partijen' er niet in slagen hun geschillen in de ijskast te zetten en een meerderheidsregering te vormen, komen er volgend jaar nieuwe verkiezingen. Dan zal de winst van de radicalen nog groter worden dan hij gisteren al was, want de SRS zal dan nog meer profijt trekken van het falen van de democraten. Als de democraten het wèl eens worden krijgt Servië een regering die door het onderliggende wederzijdse ongenoegen vanaf het begin kwetsbaar en zwak zal zijn. Als de stembusuitslag één ding duidelijk maakt, is dat de politieke instabiliteit nog een hele tijd zal duren.