Opboksen tegen de canon

Op de derde avond van het Literatuurfestival Wintertuin in Nijmegen werd oude poëzie herdicht door hedendaagse dichters. Zo dook E.T. op in `Het huwelijk' van Elsschot.

De dichter balkt en gromt, hij laat klanken ploffen en veroorzaakt kleine explosies in de boxen, de handen gaan met gespreide vingers bezwerend de lucht in, mee met de steeds diepere uithalen en net als hij lijkt te gaan opstijgen zakt het volume terug en fluistert hij hees, voor zover zijn doorrookte stem dat toelaat, zachte lieve woordjes in de microfoon: ,,En laat ons lola zuchten mogen/ en sterven als lolola klinkt''.

Ilja Leonard Pfeijffer mag dan in een polemisch artikel de poëzie van podiumdichters bij het grof vuil hebben gezet, dat weerhoudt hem er niet van een gretig podiumdier te zijn. Maar als hij na vier gedichten op stoom raakt, is het al weer afgelopen.

Aan zijn opdracht voor deze thema-avond, een herschrijving van Pierre Kemp, zegt Pfeijffer niet toe te zijn gekomen – ,,maar dat hoeft geen bezwaar te zijn, aangezien mijn hele oeuvre een herschrijving is van andere dichters, als we de meeste critici moeten geloven.'' Ter illustratie sluit hij af met zijn herdichting van `Lola' van de Kinks.

Het herdichten van oude poëzie was het onderwerp van de derde avond van het vijfdaagse literatuurfestival Wintertuin in Nijmegen. De organisatie wees een aantal dichters gedichten toe en stelde daarbij de vraag: ,,Als u dit gedicht had geschreven, hoe zou het zich dan laten lezen''.

Het was een veelbelovend uitgangspunt, waarbij de weerbaarheid en de houdbaarheid van de poëziecanon op de proef werd gesteld. De gevallen waarin de dichters dicht bij het origineel bleven leverden ook de grootste confrontaties op.

H.H. ter Balkt, de winnaar van de P.C. Hooft-prijs van dit jaar, was – hoe lollig – gevraagd zich te meten met Hooft. Ter Balkt meldde vooraf al dat hij weinig ophad met een `patriciër' als Hooft: ,,Hoe `kunstvol' maakte Hooft het Nederlands niet, en hoe rampzalig was dat niet, in coöperatie met het nieuwe stokstijve geloof.'' En dus werden Hoofts `Leitsterren van mijn hoop' `Dwaalsterren van mijn hoop' en dichtte Ter Balkt: `Ai Hooft, in jouw venen was ik wel turfsteker geweest.'

Astrid Lampe moest opboksen tegen de onwankelbare klassieker `Het Huwelijk' van Elsschot. Ze redde zich wonderwel door tussen de regels van de oorspronkelijke tekst een treiterige tegenstem op te nemen, die ze soms broeierig en soms temerig kinderlijk liet klinken: ,,...E.T. phone home/ Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad/ ...phone home/ gingen jaren heen: páp''.

Echte krachtmetingen met de canon bleven verder uit. Aangekondigde dichters van wie wat kon worden verwacht – K. Michel, Peter Holvoet-Hanssen en Hagar Peeters – waren helaas afwezig, en de andere dichters wisten niet goed raad met de hun toegewezen dichter. Het plan verdient een herkansing, met meer dichters en met beter beargumenteerde koppelingen van dichters.

F. van Dixhoorn stond zelfs wat te gniffelen na het voorlezen van `Thuiskeer' van Hans Warren en keek de zaal in alsof hij wou zeggen: vindt u het ook zo'n mal gedicht? Maar die guitige blik kon onderdeel van zijn optreden zijn. Ook zijn eigen poëzie las hij laconiek voor, alsof hij het ter plekke verzon, de blik naar boven gericht. Zo maakte hij van zijn genummerde mededelingen, met veel bijna-herhalingen en verschuivende motieven, als geheel volstrekt onbegrijpelijk, een vrolijk en onbezwaard muziekje.

    • Ron Rijghard