De kwestie van het doorleven

Tegen het eind van het jaar doe je het als vanzelf, omkijken. Wegen wat voor jaar het was, autobiografisch gesproken bedoel ik de kranten en de televisie zorgen wel voor de wereldterugblik. Maar daar zitten je eigen vreugden, vergissingen, doden meestal niet bij. Het is en blijft een onbegrijpelijk iets dat iemand die er vorig jaar nog gewoon was, die helemaal nog niet dood ging, welnee, waarom, dat die er nu niet meer is, dat binnenkort het jaar van zijn of haar sterven ook al om is. Over een paar jaar vraag je: welk jaar was dat ook weer, dat F. dat C. dat I. stierf?

Laatst werd op de televisie de opera De zaak Makropoulos van Janácek vertoond. Een ongelooflijke opera, waarin de mooie vrouw met de schitterende stem die de hoofdpersoon is, steeds tragischer wordt. Want zij heeft iets gekregen waar we soms in zo'n eindejaarsbui naar verlangen: eeuwige jeugd. Maar na 327 jaar is ze het helemaal beu. Steeds als er weer iemand die ze gekend heeft dood blijkt te zijn krijst ze ,,Wát! Is die ook al dood?'' of ze zucht ,,Iedereen gaat maar dood.'' Zij niet.

Natuurlijk is het een idioot gegeven, mensen kunnen zo lang niet leven en er bestaan geen geheime toverdrankjes die daar verandering in kunnen brengen. Maar als je, voor de duur van de opera, nu even aanneemt dat ooit deze ene vrouw, slachtoffer is geworden van het experiment met de eeuwige-jeugddrank, dan zie je hoe dankbaar we moeten zijn om het feit dat we sterven. Alles wat we doen staat in dat perspectief, al die hoop, al die hartstocht, al ons werken en denken en liefhebben zonder de wetenschap dat we sterven wordt het allemaal vergeefse onzin. Elina Makropoulos kan zich niet meer druk maken over het lot van de stervelingen om haar heen. Een jongeman schiet zich, uit (vergeefse) liefde voor haar voor het hoofd, en zijn vader verwijt haar dat ze niet aangeslagen is. ,,Omdat hij zich voor zijn hoofd heeft geschoten?'' vraagt zij. ,,Dat doen zoveel mannen.''

Niets kan haar nog raken, het maakt haar niet meer uit wat de mensen om haar heen doen. Ze zullen toch zo meteen dood zijn. Zij niet.

Ze lijkt op de zieneres Kassandra wier lot het was om nooit geloofd te worden. Wislawa Szymborska laat haar aan het woord in haar gedicht `Monoloog voor Kassandra'. Ze zegt over de mensen om haar heen: ,,Ik hield van hen./ Maar vanuit de hoogte./ Hoog boven het leven./ Vanuit de toekomst. Waar het altijd leeg is/ en vanwaar men heel gemakkelijk de dood kan zien.'' Kassandra is weliswaar niet onsterfelijk maar ze weet wanneer wie gaat sterven, wat er gaat gebeuren, dus hoop is aan haar niet besteed. Ze weet precies welk inspanningen vergeefs zijn en welke niet, haast heeft ze niet, het ogenblik betekent niets voor haar.

Ze is al bijna goddelijk.

Toch vreemd, in een bepaald opzicht, dat alle goden die mensen verzonnen hebben altijd maar onsterfelijk zijn. In een ander opzicht is dat niet vreemd natuurlijk, door hun onsterfelijkheid stijgen ze boven de mensen uit, hebben ze overzicht, zijn ze geen deel van ons gedoe maar staan daar boven. Maar tegelijkertijd kan het niet anders of dat maakt ze uiterst onverschillig. Bij de Griekse goden kan je daar nogal wel eens wat van zien. Ze hebben iets verschrikkelijks, iets ongenaakbaars, hun aanwezigheid is al te verblindend, al te overweldigend voor een mens. En ze hebben die meedogenloze glimlach, die eeuwige licht gekrulde mondhoeken wat er ook gebeurt.

In zijn boek Gesprekken met Leuco laat Cesare Pavese Eros en Thanatos met elkaar praten over het lot van de jongeman Hyacinthos, die door Apollo werd bemind. Zes dagen amuseerde de god zich met de jongen, toen had hij er genoeg van. Een discus trof Hyacinthus tussen de ogen en hij veranderde in een bloem. De twee lagere goden spreken over dit lot. Eros vindt dat Hyacinthus het niet zo slecht getroffen heeft, hij heeft toch maar zes dagen in het gezelschap van de Stralende doorgebracht, en daarna kwam direct het einde. ,,Wat zou je hem nog anders willen toewensen Thanatos?'' Thanatos antwoordt: ,,Dat de Stralende hem beweende, zoals wij.'' Eros: ,,Je vraagt te veel, Thanatos.''

Wezens die geen dood kennen zijn wreed. Hun interesse is kortstondig al kan hún kortstondigheid voor een mens zijn hele leven betekenen. Ze zijn grillig, te midden van al die krioelende stervelingen valt hun oog op een enkeling. Hun liefde is gevaarlijk.

In het christendom hoor je daar nooit zoveel over, over deze bijwerking van onsterfelijkheid. Toch is het moeilijk voorstelbaar dat een God die eeuwig is, zich druk zou kunnen maken over menselijk gedoe. ,,Want duizenden jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren, wanneer hij voorbijgegaan is.'' Daarin kan die ene mens toch nauwelijks opgevallen zijn.

Het enige zinvolle aan de onsterfelijkheid van goden is dat ze ons daardoor de mogelijkheid geven om onszelf af en toe even in een ander perspectief te zien: ,,Vanuit de hoogte./ Hoog boven het leven.'' Zoals Kassandra en zoals Elina Makropoulos. En in Janaceks opera begreep ik het ineens, hoewel ik het toch al veel vaker ineens begrepen moet hebben, wat `ars moriendi' betekent, waarom de kunst van het sterven ook de kunst van het leven zou zijn. Waarom het niet anders kan. Precies zoals de dichter Robert Anker zo luchtig schreef in zijn oudejaarsgedicht `Waar is het einde van het jaar':

Zonder de dood is het leven zinloos. Voilá.

Verder de kwestie van het doorleven. Dat we dat doen.

Zo is het. Ook zonder degenen die er vorig jaar nog waren leven we door. En dat we ze bewenen, dat maakt ons menselijk, godzijdank niet goddelijk. Niet stralend, niet onverschillig.

    • Marjoleine de Vos