Auteursrechten mogen niet geschonden

De hoge prijzen die de muziekindustrie vraagt, mogen geen reden zijn auteursrechten te schenden, meent Aernout Schmidt.

Verschijnselen als Kazaa zijn mogelijk gemaakt door wat we de informatiemaatschappij zijn gaan noemen. Die roept bijvoorbeeld voor de rechtswetenschap op over wat hoort en wat niet hoort. Bijvoorbeeld op gebieden als privacy (spam, selectieve verzekeringen, een alwetende overheid), beveiliging (giraal betalings- en effectenverkeer), handel (Zwitserse sigaretten) en ook intellectuele eigendom (Kazaa).

Goede juridische antwoorden op die vragen zijn erg belangrijk. Ze moeten de voorwaarden scheppen waarbinnen de informatiemaatschappij een duurzaam karakter krijgt. Omdat internet een wereldwijde communicatie-infrastructuur is, is die informatiemaatschappij wereldwijd. En daarmee niet alleen een speeltuin voor spraakverwarring, terrorisme en anarchie, maar ook een voertuig voor interculturele communicatie, beschaving en welvaart.

Het belangrijkste argument van de Hoge Raad om de verspreiding van Kazaa te verbieden kan worden herleid tot de notie dat de dader verantwoordelijk moet worden gehouden voor misbruik van een instrument, niet de maker van het instrument. Zo verbieden we het rondzenden van spam, en niet het maken van e-mailprogramma's. Die notie (de dader heeft het gedaan) is fundamenteel voor de rechtsstaat.

Hugenholtz lijkt er ten gunste van de muziekindustrie te gemakkelijk, in elk geval zonder nadere argumentatie, afstand van te doen.

De makers van Kazaa zeggen dat er 200 miljoen gebruikers zijn. Daarvan maken misschien 199,999 miljoen regelmatig inbreuk op auteursrechten. Er is kennelijk weinig draagvlak bij Kazaa-gebruikers voor het respecteren van die auteursrechten. Vermoedelijk heeft dat te maken met de prijs. Voor 10 dollar kunnen (achter een PC) 10 legaal beschikbaar gestelde liedjes worden beluisterd.

De muziekindustrie zegt dat zij haar omzet in 2001 heeft zien dalen met 5% naar 37,6 miljard dollar. Stel dat de 200 miljoen Kazaa-gebruikers bereid zouden zijn om tegen een maandelijkse vergoeding van 10 dollar vrijelijk te kunnen kiezen uit alle muziekjes waarover de muziekindustrie beschikt. Dat zou voor de muziekindustrie een uiterst lucratieve extra omzet genereren van 24 miljard dollar, het zou voor de sector een broodnodige innovatie betekenen en het zou een einde maken aan een massale vorm van criminaliteit. Het zou allemaal kunnen, maar het gebeurt niet.

Het auteursrecht heeft de vorm van een monopolie. Wanneer de muziekindustrie (die vrijwel steeds over de rechten beschikt) ervoor kiest om hoge prijzen te vragen, mag dat, zolang wordt afgezien van prijsafspraken – ook in de informatiemaatschappij. Het schenden van auteursrechten mag niet. Ook niet, wanneer dat uit onvrede met die prijzen gebeurt. Maar moeten we, onder deze omstandigheden, het justitiële apparaat belasten met de massale opsporing en vervolging van Kazaa-gebruikers?

Prof.mr. A.H.J. Schmidt is hoogleraar Recht en Informatica aan de Universiteit Leiden.

    • Aernout Schmidt