Wie graag de stad in wil, gaat maar door de voordeur

Gezag is een heikel thema binnen de topsport. Wie heeft het laatste woord: de trainer of de pupil? Een gesprek met zwemcoach Jacco Verhaeren (34), hockeyer Bram Lomans (28) en sportpsycholoog Rico Schuijers (37). Over de voor- en nadelen van het poldermodel, eigenwijze maar zelfbewuste sporters en de valkuilen van de `ja- maar'-cultuur. ,,Als er niet naar mij wordt geluisterd, nemen we afscheid van elkaar.''

Volgens het Van Dale-woordenboek betekent gezag: `Door anderen aanvaarde macht'. Hoe zit dat in de topsport? Is het gezag van de trainer tanende en dat van de sporter groeiende? En als dat zo is: lijden de prestaties daaronder? Hoe vanzelfsprekend is vandaag de dag aanvaarding van het gezag? In hoeverre neemt de `ja-maar'-cultuur steeds meer bezit van de sport? En: is sport de laatste maatschappelijke sector die gedemocratiseerd moet worden?

Vragen waarop zwemcoach en -trainer Jacco Verhaeren, hockeyinternational Bram Lomans en sportpsycholoog Rico Schuijers in het traditionele eindejaarsgesprek van deze krant antwoorden proberen te geven. Zij kwamen zaterdag bijeen in Hotel Des Indes in Den Haag, om vast te stellen dat de panelen in het machtsspectrum van de sport wel degelijk zijn verschoven. De dominante houding van de trainer heeft plaatsgemaakt voor een samenwerkingsverband met de sporter. Het gezag in de sport heeft daarmee een nieuwe dimensie gekregen.

Wat is gezag?

Lomans: ,,Ik denk dan aan een structuur waarin iemand de baas is. En binnen een team aan ervaren spelers die gezag uitstralen, en daarmee leermeester zijn voor de jeugd.''

Verhaeren: ,,Gezag heeft een enigszins negatieve klank, zo van: één is er de baas. Maar mijn relatie met zwemmers zie ik als een samenwerkingsverband, gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Een sporter moet honderd procent achter een trainer staan en een trainer honderd procent achter zijn sporter. Dan heb je het al niet meer over gezag. Daarentegen moet een zwemmer wel accepteren dat ik de bewaker van een proces ben, en de beslissingen neem over de kwantiteit en kwaliteit van de trainingen.''

Schuijers: ,,Gezag heeft te maken met beïnvloeden van mensen. Drie dingen zijn dan belangrijk: de status, de natuurlijke autoriteit en de macht. Saddam Hussein had een ander soort macht dan een trainer. Wie iets meer weet dan een ander heeft macht in kennis, en dan is de kans groot dat er naar je geluisterd wordt. In de sociale psychologie wordt overigens onderscheid gemaakt tussen gezag en macht.''

Stelling: Nederlanders hebben per definitie een autoriteitsprobleem.

Schuijers: ,,Wat Nederlanders belangrijk vinden is individualiteit en autonomie. Zo van: ik bepaal zelf wat ik doe en ik zorg dat het goed is voor mezelf. Dus hebben Nederlanders moeite met iemand die zegt wat ze moeten doen.''

Verhaeren: ,,Dat is een merkwaardige opvatting voor een sporter. Zijn uitgangspunt moet zijn dat de aanpak en het programma van een bepaalde trainer voor hem het beste is. Sporters die zeuren over hun coach, daar heb ik niet zo veel mee; die moeten maar een ander zoeken.''

Schuijers: ,,Maar jij maakt de aanname dat sporters zelf verantwoordelijk zijn, terwijl lang niet iedereen die mentale stap heeft genomen.''

Verhaeren: ,,Afhankelijkheid van een trainer moet bij een sporter de kop worden ingedrukt, het is echt een samenwerkingsverband.''

Lomans: ,,Maar wij als teamsporters zijn minder zelfstandig en nemen minder verantwoordelijkheid dan een individuele sporter. Die wordt afgerekend op zijn prestaties.''

Verhaeren: ,,Hebben jullie dat dan in mindere mate?''

Lomans: ,,Dat denk ik wel. In een team word je meegezogen door een groep ouderen of een stel fanatiekelingen. Ik denk dat juist beginnende teamsporters de instelling van `ja maar' hebben. Dat had ikzelf vroeger ook. Daar word je niet direct zelfstandig van, maar het helpt je wel na te denken over de stap naar zelfstandigheid. Het is een proces van `ja maar' naar zelf meedenken.''

Schuijers: ,,Het heeft ook sterk te maken met de manier waarop iets gezegd wordt. Een coach kan in een trainingskamp bijvoorbeeld zeggen: mannen, tien uur naar bed! Maar hij kan ook zeggen: is het belangrijk om morgen fit te zijn? Ja, dan moeten we dat niet verknallen door laat naar bed te gaan. Wat zullen we doen? Tien uur, half elf, zeg het maar. Dan laat je het team mee beslissen en is de acceptatie groter.''

Verhaeren: ,,Het zal de tijdgeest zijn, maar toen ik als 24-jarig broekie als coach bij de nationale selectie begon, was er een teammanager die letterlijk op de gang zat om te controleren of zwemmers niet van de ene naar de andere kamer gingen of dat ze niet wegslopen. Met als gevolg dat mensen letterlijk langs de regenpijp naar beneden kropen en toch de stad ingingen. Daar heb ik met mijn zwemmers acuut een einde aan gemaakt. Wie zo graag de stad in wil, gaat maar door de voordeur. Sindsdien gaat niemand meer op een onhandig moment de stad in. Misschien dat je iemand van veertien daarin moet adviseren, maar na zijn achttiende moet je het met een sporter niet meer over tijdstip van naar bed gaan hebben.''

Schuijers: ,,Jij laat sporters zelf de keus. Dan is het niet meer leuk de regels te overtreden.''

Verhaeren: ,,Ik leg op die manier de verantwoording bij de zwemmers. Een trainer met de houding van allesweter krijgt ook de wind van voren als het niet goed gaat. Als ik 's morgens iemand met een `harde kop' zie, dan haal ik m'n schouders op en denk: je weet het nu.''

Lomans: ,,Een nieuwe coach moet wel zeggen: dit is mijn weg. Hij zal in het begin heel duidelijk zijn traject moeten aangeven.''

Schuijers: ,,Een coach die binnenkomt begint met zijn regels en als hij het goed doet, worden die vanzelf de norm van het team.''

Verhaeren: ,,Als je begint, haakt altijd een aantal af. Uiteindelijk blijft er een groep over die in jouw visie meegaat. Ik zeg niet dat degenen met een afwijkende mening het fout hebben, maar die moeten een trainer zoeken die bij hen past. Ik heb altijd het vertrouwen in Pieter van den Hoogenband uitgesproken; nog voor hij iets bewezen had. En Pieter laat aan mij over wat hij doen moet. Dat is mijn talent.''

Lomans: ,,Die ontwikkeling zie ik ook binnen een team. In het begin vond ik het heerlijk om te consumeren. Je hoeft nergens over na te denken, en alleen maar te zorgen dat je de tas en de spullen bij je had. Ik kan me goed voorstellen dat jouw relatie met Pieter is veranderd. Jullie gaan steeds meer op hetzelfde niveau over zwemmen denken.''

Schuijers: ,,Als je `gearriveerd' bent, moet je geen autoritaire coach hebben. Dan moet er een vertrouwensband zijn.''

Verhaeren: ,,Kennis is inderdaad macht. Ik begon als een broekie met het trainen van mensen die wel tien jaar ouder waren dan ik. Maar ze hadden snel door dat ik er echt verstand van heb. Sporters hebben razendsnel door of jouw trainingen `lopen' en of de organisatie goed is.''

Schuijers: ,,Je hebt autocratische coaches die geloofwaardig overkomen, en autocratische coaches die niet geloofwaardig overkomen. Kwestie van stijl.''

Lomans: ,,Heeft dat te maken met het succes dat de coach in het verleden behaald heeft?''

Schuijers: ,,Het kan een gevolg van succes zijn, maar ook met de status die hij van de groep krijgt. Dat kan te maken hebben met ervaring en leeftijd, maar vooral met kunde. De geloofwaardigheid van iemand hangt van veel zaken af. Succes is er daar één van.''

Verhaeren: ,,Toen ik bij PSV begon, deed ik net of ik het allemaal wist. Een beetje arrogantie moet je als trainer wel hebben, vind ik. Ik heb altijd de houding gehad dat ik van fysiologie en trainingsprogramma's meer weet dan de zwemmers. Nee, dat is geen bluf. Het is de overtuiging dat het ook echt zo is. Ik heb er ook nooit moeite mee gehad om voor een groep te staan. Als er niet naar mij wordt geluisterd, nemen we afscheid van elkaar. In een groep heb je altijd slachtoffers; dat is een natuurlijk proces.''

Schuijers: ,,Ik geef veel cursussen aan coaches en het eerste wat ik ze vertel is: zorg dat je er achter komt wie je bent, wees jezelf als je training geeft. Stel dat jij een autocratische coach bent en je gaat opeens heel aardig doen, dan zeggen die sporters: oh, cursusje gehad? Dan gaat het helemaal fout.''

Lomans: ,,En een begeleidingsteam aanstellen dat de trainer aanvult vind ik ook belangrijk. `Kenniscoaches' zijn vaak niet de sociaalste. Ze hebben geweldige ideeën, maar brengen die onder het mom: moeten, moeten, moeten.''

Verhaeren: ,,Dat vind ik nu zwak bij het hockey. Er wordt afscheid genomen van Maurits Hendriks, terwijl het Nederlands team met hem olympisch kampioen (Sydney 2000, red.) is geworden. Hoger kun je niet komen. Volgens mij is Maurits een kenniscoach. Misschien had het bestuur of de groep moeten zeggen: hij is misschien niet de sociaal vaardigste, maar wel een goede trainer. En als het gezellig moet zijn, neem je er toch een oud-hockeyer bij.''

Lomans: ,,Het is ook een grote fout van de hockeybond geweest hem te laten gaan.''

Verhaeren: ,,Maar was het dan niet de keuze van jullie spelers?''

Lomans: ,,Tijdens de Spelen in Sydney zijn er dingen gebeurd waardoor Maurits niet kon blijven. We hadden te veel eigenwijze, betweterige spelers die zich niet meer aan het team konden conformeren. Er waren vijf jongens die vonden dat zij de aanvoerder moesten zijn. Daar is het probleem mee begonnen, waarna het uit de hand is gelopen.''

Verhaeren: ,,Maar ik kan het niet rijmen dat de man met wie het beste resultaat werd behaald eruit is geknikkerd.''

Lomans: ,,Dan had een groep jongeren onder wie ik moeten opstaan. Maar die zaten nog in de consumerende fase.''

Schuijers: ,,Dat eigenwijze is niet erg, als het maar goed wordt gebruikt. Nu was er een conflict met vijf kapiteins op één schip. Als de coach de sociale vaardigheid mist om in de smiezen te hebben wie de leiders en de volgers zijn, dan is dat heel jammer.''

Lomans: ,,Maurits had een begeleidingsteam moeten samenstellen dat zijn tekortkomingen had kunnen compenseren. Hij had een te zwakke groep om zich heen. Joost Bellaart zorgde juist voor een goede sfeer en had in [assistent] Van den Heuvel een kundige kracht voor de technische zaken. Onder Bellaart ging het aanvankelijk goed, omdat het gezellig was en de vijf die een negatief stempel op de ploeg drukten waren gestopt. Maar uiteindelijk vertelde Bellaart tegen iedereen wat anders; er zat geen lijn meer in. Daar wordt een sporter onzeker van.''

Schuijers: ,,Van de buitenkant bekeken zeg ik: er is [in de affaire-Bellaart] te laat ingegrepen door mensen die daarover gaan. De onvrede die kennelijk al lang heerste is niet onderkend. Het is geëscaleerd. Succes verdoezelt dat soort processen. Mart Smeets mag graag roepen dat de winnende coach altijd gelijk heeft, maar daar moet hij eens mee stoppen, want het is niet waar. Het ligt genuanceerder. Succes is niet gelijk aan winnen. Je kan veel succes hebben zonder te winnen. Als je te veel nadruk legt op winnen en minder op succes hebben, dan ontneem je jezelf het zicht op de werkelijkheid. Succes en falen zijn gemoedstoestanden, en winnen is gewoon te meten aan de hand van de resultaten. Het gevoel van succes hebben is veel waardevoller. Als jij zwaar geblesseerd bent geweest en je wordt zesde bij je rentree, dan heb je een geweldig succes behaald. Als je alleen maar let op winnen en verliezen, dan is het meteen afgelopen. De buitenwereld heeft het alleen maar over winnen. Maar zodra ik met een sporter aan de slag ga, houd ik hem voor dat winnen een gevolg is van hoe je de zaken aanpakt. Niet meteen denken aan winnen en verliezen, dat is iets voor de buitenwereld. Dat is de grootste valkuil.''

Verhaeren: ,,Het is goed dat de crisis in de hockeyploeg nu ontstaan is, en niet pas in mei. Dan ben je te laat. Het betekent ook dat de spelers olympisch kampioen willen worden, anders doe je zoiets niet. Wat ik niet heb begrepen is dat Bellaart ondanks de motie van wantouwen wilde blijven. Als Pieter na de WK tegen mij had gezegd: we moeten ons beraden over de samenwerking, dan sta ik al buiten. Dan ben ik klaar. Even goede vrienden, want dat soort beslissingen moet een sporter nemen.''

Lomans: ,,Wat ik mezelf kwalijk neem is dat ik dat gevoel van onvrede te laat aangekaart heb. We zijn té lang té lief geweest. Maar, en ook dat heb ik geleerd, het is goed dat er een onafhankelijk persoon tussen zit met wie je evalueert. Wij hadden geen manager. Het is zover gekomen door gebrek aan communicatie tussen ons en de bondsvoorzitter. Tegen de commissaris tophockey is vaak genoeg gezegd: het loopt niet. Maar die boodschap is nooit doorgebriefd. In de evaluaties met Joost zelf was het uitermate lastig om aan te geven waar de schoen wrong. Dat doe je niet zo makkelijk.''

Verhaeren: ,,Ieder mens heeft zijn onhebbelijkheden. Maar het gaat om een bepaald respect. Tegen mensen die commentaar hebben op groepsprocessen, zeg ik altijd: wat beteken jezelf binnen die groep en wat heb jezelf bijgedragen om voor succes te zorgen? En respecteer de keuzes van een ander. Bij voetbalteams worden spelers vaak gedwongen iets gezamenlijk te doen. Daar heb ik moeite mee. Het enige wat ze gezamenlijk moeten doen, is op het veld staan en presteren. Ik vind het desondanks wel verstandig naar anderen te luisteren. In het zwemmen voert [bondscoach] André Cats overleg met de privé-coaches; daarmee wordt zijn autoriteit niet aangetast.''

Schuijers: ,,Maar veel trainers kunnen hun ego niet aan de kant zetten. Een groot ego betekent over het algemeen dat je niet luistert naar de mening van een ander. Als je met je ego bezig bent, dan heb je één doel en dat is jezelf. En dat zijn ook de coaches die zeggen: ik ben een goede coach, want mijn sporters hebben gewonnen. Die zien een wedstrijd als een wedstrijd tussen coaches. Dat noem ik `coachgerichte coaches'. Die commanderen, die leggen op, die straffen. Het andere type is de kenniscoach. Met die groep werk ik het meest. De coaches die ik eigenlijk zou moeten bereiken komen dus niet.''

Lomans: ,,Dat herken ik van De reis van de held, het mentale programma van NOC*NSF. Terwijl iedereen serieus bezig was, zat Bellaart met judocoach Cor van der Geest te geinen. Die heb ik daar nadien ook niet meer gezien.''

Schuijers: ,,Begrijpelijk, want zij schikken zich niet, dat komt niet in hen op.''

Stelling: Het poldermodel heeft ook de Nederlandse topsport vergiftigd.

Lomans: ,,Afspraken maken is ook een compromis. En er moeten wel beslissingen worden genomen.''

Verhaeren: ,,Een bepaald gezag moet geaccepteerd worden. Mooi dat er atletencommissies zijn die standpunten naar voren brengen, maar bij het zwemmen hoorde ik de leden zeggen dat ze `een adviesrecht richting de zwembond hebben'. Nou, volgens mij heeft iedereen dat. Ik moest helemaal lachen toen adviezen over trainingskampen aan de orde kwamen. Dat vond ik te ver gaan. Dat is toch echt mijn vak en de zwemmers die ik begeleid leggen zich bij mijn beslissingen neer. Als het poldermodel ertoe leidt dat planningen en trainingskampen worden aangepast aan de verlangens van de zwemmer, gaat het niet goed.''

Lomans: ,,Ik denk dat het principe van `meeste stemmen gelden' niet werkt in topsport. Je moet mensen met kennis van zaken laten beslissen, de rest moet volgen.''

Schuijers: ,,Macht krijg je van de sporters met wie je werkt, niet vanwege de positie. Die vorm van macht is gebaseerd op angst. En van angst is nog niet één sporter beter gaan presteren. Ze komen `los' als ze vrij zijn. Bij angst voel je altijd die ogen in je rug.''

Stelling: Topsporters van het niveau-Van den Hoogenband hebben geen trainer nodig.

Verhaeren: ,,Dat denk ik niet. Elke sporter heeft een trainer nodig. Een coach is een ander verhaal. Dat is iemand die langs de kant staat en op het juist moment de juiste dingen moet zeggen. Daar kan een sporter afscheid van nemen, vooral als hij zijn mentale processen onder controle heeft. Maar bij een trainer ligt dat anders. Pieter mist de opleiding en de fysiologische kennis om zijn schema's zelf op te stellen. De kop van een sporter moet bovendien vrij zijn. Ze moeten alleen het proces volgen.''

Schuijers: ,,Een sporter ontwikkelt zich, komt in een fase dat hij weet waar hij staat, maar kan vervolgens niet aangeven wat hij exact moet doen. Pieter kan hooguit aangeven waarop hij getraind moet worden.''

Verhaeren: ,,Er zijn natuurlijk nuanceverschillen. Als trainer ben je een procesbewaker. Je moet alle vlakken in de gaten houden. Het is niet alleen de start, ook de keerpunten, de laatste meters, de voeding, noem maar op. Ik ben het er wel mee eens dat een sporter naarmate hij verder komt meer input kan geven. Een sporter verandert ook. Ik heb dat met Marcel Wouda meegemaakt. Die wilde als 30-jarige even intensief trainen als een 18-jarige. Een trainer is er voor om dat in de gaten te houden en hem duidelijk te maken dat zijn lichaam aan slijtage onderhevig is. En dat hij daar dus op een andere manier mee om moet gaan.''

Schuijers: ,,Ik werk veel met technische sporters, waarbij de herhaling het succes bepaalt. Bij hen luistert de techniek zo nauw dat één foutje de vorm kan aantasten. Een trainer is er voor om dat goed in de gaten te houden. Hij is hard nodig, al is het maar als klankbord.''

Lomans: ,,Het klopt dat er in de hockeyploeg van `Sydney' betweters rondliepen die meenden geen coach nodig te hebben. Maar als je zo denkt als sporter, ben je te ver doorgeslagen.''

Verhaeren: ,,Ik ken geen voorbeeld van een sporter die beter is geworden zonder coach. Ik denk dat Pieter zonder trainer Nederlands kampioen op de 200 meter vrije slag kan worden, maar dat is niet het issue. Het gaat erom dat hij olympisch kampioen wordt. En ik geloof niet dat hij dat zonder trainer kan realiseren.''

Stelling: Nederlandse topsporters zijn te snel tevreden en trappen daarom snel op de rem.

Verhaeren: ,,Ik ervaar dat absoluut niet zo. De echte toppers zeg maar de topvijf bij WK's en Olympische Spelen blijven altijd streven naar perfectionisme. Die moet je eerder afremmen in hun enthousiasme. Van de groep daaronder heb ik vaak het idee dat ze onderhoudend bezig zijn. Dat zijn de sporters die zich het bereiken van de Spelen ten doel hebben gesteld. Dat kan te maken hebben met het idee: ik ben subtop en ik blijf subtop.''

Schuijers: ,,Toppers hebben als doel persoonlijke ontwikkeling en groei. Die moet je tegenhouden, die kennen geen einde. Anderen zullen zeggen: ik wil olympisch kampioen worden, want dan krijg ik aandacht en waardering; dan kan mijn vader zeggen dat ik het goed gedaan heb. Die groep is vooral op zoek naar erkenning. Degene die zijn motivatie van binnenuit haalt maakt dat niets uit. Die hebben de vitrine met medailles ook niet op de schouw staan, maar ergens op zolder.''

Lomans: ,,Ik weet niet of dat onderscheid zo makkelijk te maken is. Toon Gerbrands vertelde mij eens dat hij de volleyballers in de aanloop naar `Sydney' graag als intrinsieke motivatie had willen meegeven om zichzelf te verbeteren. Maar de belangen bleken nogal uiteen te liggen. De één wilde een contract afdwingen in Italië, een ander wilde voorzitter bij NOC*NSF worden. Uiteindelijk kwam Gerbrands erachter dat het helemaal niet uitmaakte, omdat iedereen op zijn manier de beste wilde zijn.''

Schuijers: ,,Over Lance Armstrong las ik laatst dat woede zijn drijfveer is. Het maakt dan niet uit waar het vandaan komt.''

Lomans: ,,Types die snel tevreden zijn zullen nooit de top halen.''

Schuijers: ,,Die vallen onder de `openslaande-deuren'-theorie: eerst stadskampioen, dan provinciaal kampioen, en zo steeds een stapje hoger tot ze aan de internationale top gaan ruiken. In negen van de tien gevallen blijven die types hangen in de mondiale subtop. Ze blijven net onder de berg hangen aan het richeltje. De openslaande-deuren-theorie is een veilige manier, maar brengt je niet naar de absolute top. Wie knalt in het olympisch kwalificatietoernooi, kan het vaak vergeten op de Spelen. Dan is de accu leeg. Alberda kwaad, NOC*NSF kwaad. Het is puur een kwestie van doelen stellen.''

Lomans: ,,Ik ben niet zo snel tevreden. Mijn eerste toernooi waren de Spelen van Atlanta en ik werd meteen olympisch kampioen. Als je dan tevreden bent, houdt het op. Ik was net begonnen met tophockey, nog niet goed genoeg om in het Nederlands elftal te spelen en was op basis van mijn corner mee als vliegende wissel. Toen die regel verdween (begin seizoen 1998-1999, red.), werd ik gedwongen mezelf ook als hockeyer te ontwikkelen.''

Stelling: Het gezag in de topsport staat onder druk door de toegenomen media-aandacht.

Lomans: ,,Je moet als sporter uitgerust zijn met een gezonde dosis nuchterheid. Lovende kritieken moet je per definitie met een korrel zout nemen en andersom geldt dat evenzeer. Als je daar geen onderscheid in kan maken, zit je in een permanente depressie.''

Verhaeren: ,,Trainers van tegenwoordig worden ook meteen een hoop andere kwaliteiten toegedicht, die niets met hun vak te maken hebben. Je moet ook lezingen kunnen geven. Trainers die niet `overkomen' in de media merken dat hun gezag wordt ondermijnd. Dat geldt vooral voor voetbaltrainers. Zie wat er nu met [Feyenoord-coach] Bert van Marwijk gebeurt. De voorzitter communiceert via het huisorgaan, terwijl de kantoren van beide heren tegenover elkaar liggen. Dat kan ik niet vatten. In zo'n geval ondermijnt de voorzitter het gezag van de trainer. In principe is hij al gevallen.''

Lomans: ,,Of een trainer moet zich onder druk van de media ineens anders gaan gedragen. Sporters hebben dat snel door. Dan is zijn gezag in gevaar.''

Verhaeren: ,,Dat is de self-fullfilling prophecy van de media. Die voeren de spanning op, het onderlinge vertrouwen staat dan onder druk en opeens is het niet meer te houden.''

Schuijers: ,,Kenmerk van toppers is dat ze beseffen en accepteren dat de buitenwereld verwachtingen heeft. Druk wordt pas druk als je er zelf druk van maakt. Tot die tijd is het gewoon functioneren. `Ik weet wat ik kan, ik weet dat ik hard kan zwemmen', zei Pieter eens. Dat werd uitgelegd als arrogantie. Dat was het niet. Integendeel: het is gezond zelfvertrouwen.''

Stelling: NOC*NSF wordt te dominant.

Lomans: ,,We zijn deels afhankelijk van NOC*NSF. Als A-sporter krijg ik 1.100 euro per maand, daar klaag ik niet over. Ik zou ook topsporter zijn voor minder. Het is een extraatje. Verder wordt alles geregeld: vliegreizen, kleding, noem maar op. Daar mag best wat tegenover staan. Er is sprake van een overeenkomst en dan ligt een contract voor de hand. En daar staan ook gedragsregels in die je onderling met je team al geregeld hebt. Het is een formalisering, ik heb daar geen problemen mee.''

Verhaeren: ,,Ik heb het contract niet gelezen maar wel getekend, mede omdat ik anders niet meekan naar Athene. Ja, dat is een vorm van macht. Maar ik zou niet weten hoe dit anders op te lossen. Nee, wij zijn niet gedwee, maar ik vind het randzaken.''

Schuijers: ,,De bonden willen autonoom blijven, maar zodra het olympisch traject in zicht komt, heeft NOC*NSF ook wat te zeggen.''

Verhaeren: ,,De Nederlandse successen zijn een gevolg van particuliere initiatieven. NOC*NSF wordt geïnfomeerd en ondersteund, maar initieert niet. Ik zou juist willen dat de bond eens wat meer zijn stempel op de topsport zou drukken. Want het is natuurlijk leuk dat wij in Eindhoven een clubje hebben, en er in Amsterdam en Dordrecht soortgelijke initiatieven van de grond zijn gekomen, maar dat heeft natuurlijk niets met structuur te maken. D'r zijn een paar gekken die de rondgang maken bij een aantal sponsors en dat is het dan.''

Lomans: ,,Maar het maakt het voor jullie wel makkelijker dat de bond zich afzijdig houdt. Je krijgt de ruimte.''

Verhaeren: ,,Nee, het is juist de taak van elke bond om de breedtesport, en daarmee de aanvoer voor de topsport, te stimuleren. En dat gebeurt te weinig. Als het aan de bond had gelegen, waren Pieter en Inge nooit zo ver gekomen. Daarom zeg ik: waarom initiëren ze niet meer structurele projecten voor de topsport? Er gebeurt nu helemaal niets.''

Schuijers: ,,NOC*NSF hanteert het credo: investeren, presteren, honoreren.''

Verhaeren: ,,Die filosofie klopt, alleen: zeg dan niet aan het einde van de rit dat je werkt aan een topsportbeleid, want dat is niet waar. Je kijkt alleen naar de buitenkant, zo van: het gaat goed daar, laten we daar nog wat geld insteken. En, oh ja, die en die heeft de medaille ook al half om de nek hangen, dus die krijgt ook wat. Dan bouw je niets op.'' Elke olympische sport is het waard om in te investeren. Je kan elke vier jaar zeuren over de waterpoloploeg die niet verder komt dan plaats tien, maar je kan ook extra inspanningen verrichten om ervoor te zorgen dat die ploeg de aansluiting met de wereldtop bereikt. Nu is het zo dat die jongens elk jaar minder geld krijgen. Dat is geen beleid. Het is een toevalmodel, geen topsportmodel.''

Vierde en laatste aflevering van een serie over gezag in de sport. Eerdere afleveringen stonden in de krant van 20, 23 en 24 december, en zijn na te lezen op www.nrc.nl.