Veel eten

Een Franse gravure uit de negentiende eeuw. Stelt voor de nachtmerrie van een veelvraat. Hij ligt onder de dekens en wordt van het voeteneind af bekropen door een voorhoede van langoustines, kreeften, terwijl de hoofdmacht, een wild zwijn geflankeerd door een paar lammetjes, nog in het halfdonker van de droom, tot de aanval gereed staat. Ik denk nu dat dit plaatje van Jean-Ignace Grandville (1803-1847) is, maar het zou ook van Gustave Doré kunnen zijn. In ieder geval gemaakt door een van de grote Franse grafici uit de negentiende eeuw. Allemaal genieën. Bijna iedereen weet wie Doré en Daumier zijn maar, eigenaardig, van Grandville hoor je niets meer. Ik keek in de Winkler Prins, het Cultureel Woordenboek, geen Grandville. Tikte hem op in de Google-zoekmachine, kreeg daar allerlei wetenswaardigheden over een gehucht in Amerika en een fabrikant van hamburgers, maar geen graficus.

Eigenaardig is dat, omdat hij scherp modern is. Soms een voorloper van de surrealisten, maar directer, dan weer een vlijmende criticus van de zittende machten. Zijn mensen verschijnen in diergedaante. Dat is meer vertoond, maar het gaat om de uitdrukking van de koppen en de situaties. Baas leeuw als een type dat straks ontploft van ontegensprekelijkheid, de schapen van de burgerij die bij voorbaat hun nederige bijval blaten, openbare aanklager slang terwijl hij met zijn gespleten tong zijn requisitoir spreekt, gluiper jakhals die de nagels van baas leeuw poetst in afwachting van het ogenblik waarop hij aan het kadaver van de geëxecuteerde gans kan beginnen. Grandville heeft veel uit Lafontaine's fabels opgestoken. Maar hij heeft er iets aan toegevoegd. De toets van krankzinnigheid, zou W.F. Hermans gezegd hebben. Hij is dan ook jong, ongelukkig, in een gesticht gestorven.

Nu verder over deze nachtmerrie van vraatzucht. Als kind heb ik dit plaatje vaak bekeken en me telkens weer afgevraagd wat mensen ertoe brengt te veel te eten. Ik las over de zwelgpartijen van de ridders en koningen die, als ze bijna uit elkaar knapten, een speciale knecht of chirurgijn lieten komen. Die moest dan met een rietje in hun keel kietelen, op zo'n manier dat het genotene er weer uitkwam, zodat ze aan de volgende ronde konden beginnen. Hoe verschrikkelijk benauwd die mensen het gehad moeten hebben. Maar ze hadden het ervoor over. Toen deden hier de frites en de hamburgers hun intrede, in Amerika was dik-zijn toen al een volksziekte. Hier begon het ook. Tenslotte verspreidde het ongemak zich in die mate dat de overheid zich ermee ging bemoeien. Precies een jaar geleden `ging een campagne van start'. Natuurlijk met een slagzin. Maak je niet dik! Jammer dat in zulke gevallen de naam van de creatieve geest er niet bij staat.

Het hielp niet. Dit jaar zag ik in een kerstnummer van een van de kranten de nationale eetzucht opnieuw als een van de volksvijanden genoemd, met een illustratie, de grote foto van een gigantisch achterwerk. Had die foto niet wat kleiner gekund? Dit gigantische wordt niet gigantischer door het gigantisch af te drukken. Mij maakt zo'n foto minder nieuwsgierig naar de begeleidende tekst. De rollen zijn omgedraaid. Een kleine afbeelding maakt je nieuwsgierig naar een lange tekst, maar als je een grote foto hebt gezien, geloof je wel wat de kleine toelichting nog te bieden heeft.

Vandaar dat ik bij mijn eigen theorie blijf. Ontzettend veel eten heeft twee oorzaken. Ten eerste zijn `de mensen' in het algemeen steeds banger dat ze tekort komen. De Duitse fenomenoloog Philip Lersch heeft het genoemd de Antrieb des Nicht-genug-kriegen-könnens. Het prototype is een scholier in de tram die onophoudelijk uit een krakend zakje zit te eten; de vervulling een topmanager die – Tabaksblat of geen Tabaksblat – erin slaagt via ik weet niet wat voor regelingen tien miljoen euro per jaar te vergaren. Is er dan geen verzadigingspunt, vraagt u. Geen amechtig hijgend onderuit zitten, in totale niets meer willende vadsigheid? Nee. Dat hebben we overwonnen. Dat is een van de grootste verworvenheden van de moderniteit; een nieuw fase in de cultuur. Er is niets aan te doen, we moeten er doorheen.

De tweede oorzaak is de verveling. Mensen die niet weten wat ze moeten gaan doen, worden afhankelijk van andere mensen die dat voor deze beklagenswaardigen verzinnen. Eten is een van de gemakkelijkste manieren om de verveling te verdrijven. Wie hapt, kauwt en slikt verveelt zich niet. Waarom niet? Dat is nu eenmaal zo. Een koe is in de gezegende positie dat ze een herkauwer is. Eén hap gras is voldoende om twee maal de verveling te bestrijden. Dat wil zeggen: een mens dat aanleg heeft tot verveling, moet twee maal zoveel eten als een koe om hetzelfde resultaat te bereiken. Omdat in deze maatschappij van alzijdige dienstverlening steeds meer voor steeds meer mensen wordt gedaan, gaan steeds meer mensen zich vervelen, en dus meer eten. Als een koe geen herkauwer was, had je de vettekoeienziekte. Met de mens als herkauwer zou er een probleem minder in de wereld zijn.

Volgende vraag. Waarom zijn de mensen bang voor verveling? Blaise Pascal heeft het een gif genoemd, dat zich meedeelt aan alle vezels van het lichaam. Als de mensen erin slaagden gewoon thuis in hun kamer te blijven zitten, was er heel wat minder ellende in de wereld. Maar ze moeten erop uit, hun kwellende verveling bestrijden, hamburgers en friten eten, kroketten, oliebollen, hoe meer hoe beter, onheil stichten in hun eigen stofwisseling en de rest, met middelen waarvan ze niet weten wat erin zit of hoe ze gemaakt worden. Op de opiniepagina van deze krant van 24 december staat een essay van Cornel Bierens over de voordelen van de verveling, waaraan ik niets heb toe te voegen.

De conclusie van deze ouwejaarsoverpeinzing is me geschonken, op eerste kerstdag, door een verslaggeefster van het NOS-journaal die op bezoek was bij een clubje dat op de televisie de lotgevallen van `onze' nieuwe landing op Mars volgde. ,,Waarom bent u zo gespannen'', vroeg ze. ,,Er zit toch geen geld van u in?'' Nee! Dat heeft er niets mee te maken! Het gaat niet om geld! Ik wens u een gelukkig nieuwjaar.

    • S. Montag