Platvloerse gezangen

Begin jaren vijftig. Een katholieke lagere school in Brabant waar les werd gegeven door fraters. Sommige van hen kwamen nog maar net van de kweekschool en moeten toen dus nog vrij jong zijn geweest, realiseer ik me pas achteraf. Maar ja, voor kinderen zijn volwassenen allemaal even oud, want al lang niet jong meer, en daar kwam wat die fraters betreft nog bij hun uniforme, leeftijdloze kleding ze droegen allen een lange zwarte jurk en het feit dat ze allemaal een onwaarschijnlijk glad gezicht hadden. Geen doorgroefde gelaatstrekken zoals we die kennen van denkers en dichters, maar het effen vlak van Gijsen en Simonis.

Er werd door ons veel gezongen, want we brachten een aanzienlijk deel van onze tijd door in de kerk. Iedere ochtend naar de mis. Dat leverde telkens twee punten op voor het cijfer voor godsdienst op ons wekelijkse rapport. Vijf keer in de week naar de kerk resulteerde dus in een tien, en zes keer in een rode tien. Omdat de meeste ouders geen genoegen namen met minder dan een rode tien, zaten we alle dagen van de week in de kerk. Daar zongen we en op school werd er tijdens de zanglessen geoefend.

De liederen die we zongen in de kerk waren, afgezien van de kerstliederen, altijd in het Latijn. We hadden allemaal een missaal met daarin de teksten van die gezangen, met daarnaast de Nederlandse vertaling. De tijd in de kerk doodde ik door die twee versies met elkaar te vergelijken en daarbij probeerde ik te achterhalen op grond van welke grammaticale regels dezelfde woorden telkens verschillend werden geschreven. Door er op die manier mee te puzzelen, waren die teksten, ongeacht hun betekenis, interessant.

Nu kregen we in de laatste klas van de lagere school een frater die de zanglessen wilde laten uitstijgen boven het functionele zoals we dat tot dan toe gewend waren geweest. Er kwam een boek met liedjes met gewone, begrijpelijke teksten. Nooit eerder had ik dat meegemaakt, want te begrijpen waren ook de kerst- en sinterklaasliedjes niet: `makkers staakt uw wild geraas', en `zwijg toch stil suja en krijt niet meer', dat was voor ons immers ook allemaal Latijn. Dankzij de introductie van de nieuwe liederenbundel zongen we, zo herinner ik me: `er was er eens een gaarne-groot, hi ha ho, niet hoger als een tafelpoot, hi ha ho, hij zei ik ben zo klein niet meer ik kan wel doorgaan voor een heer', gevolgd weer door dat hatelijke ha, ha etc. Ook de andere teksten uit die bundel waren net zo akelig of stompzinnig. Een volwassen man die zulke onzin met overgave zong, dat begreep ik niet, en ook vroeg ik me af hoe iemand op het idee was gekomen om zoiets misselijks te schrijven? Zingen werd daarmee voor mij ontdaan van de mystiek die het tot dan toe altijd had gekend, en was verworden tot iets platvloers. Dat hele laatste jaar op de lagere school vond ik de zangles vreselijk.

Jaren later moest het Latijn in de kerk plaats maken voor Huub Oosterhuis en consorten. Dat was natuurlijk al heel erg, maar voor sommigen ging dit nog niet ver genoeg. Zo werd de begrafenismis opgeluisterd met Mieke Telkamp en dan is de stap naar André Hazes snel gezet. Dat gaat te ver, heeft het bisdom Den Bosch onlangs besloten, maar veel maakt het niet uit. Oosterhuis of Hazes, voor mij blijft het allemaal toch kaliber `er was er eens een gaarne-groot'.

Tekst en muziek, ze verdragen elkaar maar zelden. Waarom zou de menselijke muziekstem beter te begrijpen moeten zijn dan die van de viool? U begrijpt hoe zeer ik heb geleden onder de komst van de nederpop.

prick@nrc.nl

    • Leo Prick