Pavarotti versus Domingo

De tenoren Pavarotti en Domingo kiezen verschillende strategieën voor het zingen van hun hoge tonen. De crux: goede resonantie.

`PLACIDO DOMINGO? Dat is geen echte tenor', joelde de zaal. ``Pavarotti, dát is een tenor.'' De zaal met ruim honderd zangpedagogen en zangstemonderzoekers rumoerde toen prof.dr. Harm Schutte vorig jaar de frequentiespectra presenteerde van de hoge bes die Pavarotti en Domingo produceren in de tenoraria Celeste Aida, aan het begin van Verdi's opera Aïda. De toehoorders op het zangstemonderzoekcongres in Groningen zagen toen bevestigd wat ze al wisten: Pavarotti is een echtere tenor dan Domingo.

``Die hoge bes in de Aïda is waarschijnlijk de moeilijkste toon die een operatenor te zingen krijgt'', zegt Schutte, hoogleraar stem- en spraakgeneeskunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, op zijn werkkamer. ``De toon is niet alleen hoog, hij moet ook zacht worden gezongen en hij zit in het begin van de opera, in de eerste aria voor de tenor.'' De avondvullende Aïda is koud tien minuten bezig als de tenor zijn publiek al moet behagen met die hoge bes. Schutte: ``Verprutst een tenor die aria, dan hoeft hij de rest van de avond niet meer op de sympathie van het publiek te rekenen. Geen open doekjes, alleen boe-tjes.''

De Pavarotti- en Domingo-analyse van de bes uit Celeste Aida die Schutte vorig jaar presenteerde waren de voorboden van een analyse van die bes in bijna 80 Aïda-opnamen die Schutte samen met de Amerikaanse zanger-onderzoeker dr. Don Miller aan het afronden is. Het is – wegens ontbreken van onderzoeksgeld – het laatste restje zangstemonderzoek in Groningen, ooit begonnen door Schuttes voorganger en leermeester prof.dr. Jw. van den Berg. Die promoveerde 50 jaar geleden, wat de aanleiding was voor het wetenschappelijk congres waar Domingo als een gemankeerde tenor werd weggezet. (Van den Bergs proefschrift en veel over het congres staan op www.med.rug.nl/pas).

Lichaamsgewicht

Het tot in alle uithoeken van een concertzaal hoorbare stemgeluid van westerse operazangers – niet alleen van de beroemde tenoren – is niet alleen het resultaat van lichaamsgewicht, wat bij een blik op het operapodium wel eens zo lijkt te zijn. En ook niet van luchtdruk en spierkracht, waar het soms op aan lijkt te komen gezien de kreunende geluiden bij het beëindigen van een krachtig gezongen strofe. Nee, het geheim schuilt toch in de strot. De vérdragende stem ontstaat door een goed op elkaar afstemmen van formanten en harmonischen.

Harmonischen zijn de boventonen die bij iedere gezongen of met een muziekinstrument gespeelde toon ontstaan. De hoge bes in Celeste Aida heeft een grondtoon van 474 hertz, een halve toon boven de a=440 Hz van de meestgebruikte stemvork. Voor een mannenstem is dat erg hoog. Veel podiumtenoren bereiken hoorbaar de grens van hun stem als ze Celesta Aida zingen. De harmonische boventonen die gelijktijdig klinken hebben – zoals bij alle boventonen – frequenties die veelvouden zijn van de grondtoonfrequentie, voor deze bes dus: 948, 1422, 1896, 2370, 2844 Hz, en zo verder. Muzikaal gezien ligt de eerste harmonische een octaaf boven de grondtoon; de tweede harmonische daar een kwint boven; de derde harmonische een kwart. Die derde harmonische klinkt daardoor twee octaven boven de grondtoon. De vierde harmonische is een grote terts daarboven; de vijfde is ongeveer een kleine terts. En de hogere harmonischen passen niet meer echt in het akkoord, de muzikale samenklank.

Bij Pavarotti en in mindere mate bij Domingo is de negende boventoon van 4266 Hz nog goed in het geanalyseerde geluidsspectrum te zien. De boventonen die er voor de toonkwaliteit toe doen liggen onder de 5000 Hz. En het aantal en de ligging van die harmonischen in de range beneden de 5000 Hz verschillen sterk met de hoogte van de grondtoon. Dat is makkelijk te zien aan de hoge bes van een sopraan. Haar grondtoon ligt met 948 Hz een octaaf hoger dan de hoge bes van de tenoren. Beneden de 5000 Hz heeft de sopraan-bes boventonen bij de veelvouden 1896, 2844, 3792 en 4740. Dat is een beduidend kortere reeks dan waar haar mannelijke collega's over beschikken. ``Daaruit volgt'', zegt Schutte, ``dat een zanger, die immers lager zingt, veel meer met boventonen doet dan een zangeres.'' Dat is van belang, omdat de pracht, praal, kleur en nuance van een toon ontstaan door manipulatie van de formanten.

Formanten zijn de variabele versterkers waar ieder mens over beschikt door de holten in keel, mond en neus te veranderen en toegankelijk te maken. Ook wie nooit zingt gebruikt formanten om er bij het spreken klinkers mee te vormen. Bij spraak zijn de twee formanten met de laagste resonantiefrequenties (F1 en F2) belangrijk. De kromme buis van keel en mond, tussen stemplooien en lippen, kunnen we naar believen vergroten (mond open, huig omhoog) en onderverdelen door de tongplaatsing. Schutte: ``De vorming van de laagste twee formanten, de spraakformanten, gebeurt vooral door de plaatsing van de tong.''

Wie a zegt heeft zijn twee sprekersformanten dicht bij elkaar liggen. Bij mannen ligt de laagste formant (F1) dan op 750 Hz en de tweede formant (F2) op 1100 Hz. Bij een i trekken deze resonantiefrequenties (formanten) uit elkaar doordat de tong de mond- en keelholte scheidt. F1 van een i gaat naar 300 Hz, terwijl de F2 wel de 2300 Hz kan bereiken.

Zangers gebruiken ook nog F3, F4 en F5, de bij hogere frequentie liggende zangersformanten. Zangers produceren hun luide tonen door ervoor te zorgen dat de frequentie van belangrijke harmonischen zoveel mogelijk samenvallen met formanten. ``Iedere zanger ontwikkelt daar zijn eigen strategie voor,'' zegt Schutte. Het is een kwestie van aanpassen van de keel- en mondholten, van plaatsing van de tong, van het openen van de achterkeel (optrekken van de huig) en het omhoog of omlaag brengen van strottenhoofd.

En toptenoren als Pavarotti en Domingo kiezen dan verschillende strategieën. `Bij het zingen van de hoge bes in Celeste Aida,'' verklaart Schutte het enthousiasme van zijn toehoorders voor Pavarotti, ``draait Pavarotti zijn keel- en mondholte zo bij dat de derde harmonische van die toon precies in de resonantiefrequentie van de tweede formant valt.'' Bij een tweede formant die zo'n hoge frequentie versterkt moet de mond een i of een ee produceren. Verdi laat die hoge toon echter op een o van het woord `sol' zingen, want in de scène wenst Radamès (de tenor) zijn geliefde Aïda `un trono vicino al sol' toe. Een troon die tot aan de zon reikt, zo hoog. Die hoge bes staat niet voor niets in de partituur. Zo'n o in sol heeft traditioneel een lage tweede formant, van 800 hertz. De oplossing ligt in klinkerkleuring: de zangers weten het publiek de suggestie te geven dat ze een voorgeschreven klinker zingen, maar er zit ondertussen erg veel i- en ee-karakter in. Pavarotti weet die tweede formant naar 1424 Hz te kleuren.

Tenorenkarakter

Door zijn derde harmonische op de tweede formant te tunen, laat Pavarotti de toon die twee octaven boven de hoge bes ligt fors resoneren. Het is zelfs de luidst klinkende frequentie in het geluidsspectrum van zijn hoge bes. De gezongen toon krijgt er zijn typische Italiaanse tenorenkarakter van: scherp, doordringend, stralend en hoog. Bij Placido Domingo is van de Pavarottiaanse F2-op-H3-fit niets te zien. ``Domingo zingt vooral met de versterking van de zangersformanten, in het gebied van de 2500 tot 3000 hertz'', legt Schutte het geluidsspectrum van Pavarotti's tijdgenoot uit. ``Als je het mij vraagt komt dat doordat Domingo een lang aanzetstuk heeft – een langere mond- en keelholte – en moeilijker de tweede formant naar hoge frequenties weet te vormen.'' Bij Domingo klinkt daardoor de zesde harmonische het luidst, geflankeerd door de vijfde en zevende harmonischen. Domingo is wel luid en hoog, maar die zesde harmonische is geen toon die nog mooi in een akkoord past.

Schutte en zijn medewerkers verzamelen nog steeds Aïda-opnamen om de hoge bes van de tenor in Celeste Aida te analyseren. Het aantal opnamen nadert de 80. ``Er zitten acht opnamen van Pavarotti bij, uit verschillende perioden van zijn lange carrière. Maar hij heeft die bes steeds op dezelfde manier gezongen. Hij kleurt altijd zijn tweede formant op de derde harmonische. Andere tenoren hebben de strategie van Domingo en gebruiken vooral de zangersformanten. Maar er zijn er ook die de eerste formant op de tweede harmonische tunen.''

Ook niet-zangers tunen soms een boventoon op hun eerste of tweede formant. Wie luid roept (`Hé! Kijk uit!') kiest een toonhoogte waarvan de tweede harmonische samenvalt in de eerste formant. Schutte: ``Bij roepen gebruik je geen hele hoge toon, maar het resultaat klinkt vaak wel hoog. En hard natuurlijk. Er is veel resonantie.''

De harmonischen boven een grondtoon zijn overigens vooral belangrijk voor mannelijke zangers. Die zingen lager en hebben daardoor veel harmonischen in het gebied tot pakweg 5000 Hz dat met formanten voor resonantie bereikbaar is. Schutte: ``Mannen produceren ook veel meer harmonischen in hun geluid. Professionele bassen, baritons en tenoren zingen eigenlijk altijd met hun borststem. Vrouwen zingen zelden met een borststem. Zij gebruiken vooral het falsetto-register.''

Het stemregister is het onderzoeksgebied van Schuttes oud-medewerker Don Miller, een inmiddels 70-jarige Amerikaanse zanger-onderzoeker die in 2000 bij Schutte promoveerde op het proefschrift Registers in Singing. Miller ontwikkelde ook het computerprogramma Voce Vista (www.vocevista.com) waarmee zangers hun formant-harmonische-fit kunnen analyseren en waarmee ook de zangersstrategieën van de Aïda-tenoren werden geanalyseerd.

``Weinig zaken zijn in de zangerswereld zo omstreden als de naamgeving en het aantal registers waarin zangers zingen'', zegt Schutte. De eenvoudigste indeling – ook voor de spraakstem – is die in twee registers: de borststem en de falsetstem. Miller beschreef het onderscheid tussen die twee. Het verschil zit in de toonvorming door de stemplooien die zich openen en sluiten met de frequentie van de geproduceerde toon. Bij zingen in het borstregister zijn de randen van de trillende stemplooien dik. In het falsetregister zijn de stemplooien in de lengte uitgerekt en raken alleen de smalle punten elkaar. ``Essentieel,''zegt Schutte, ``is het closed quotiënt van de trilling. Dat is de tijd die de stemplooien dicht zijn tijdens een trillingsperiode. In het borstregister is de stemplooi meer dan 40 à 45 procent van de toon gesloten. Bij zang in het falsetregister zijn de plooien lang open. Het closed quotiënt is kleiner dan 30 procent.''

Zuivere sinussen

De veel kortere puls van een borstregisterstem bevat per definitie (hoe korter de geluidspuls, hoe meer frequenties er in zitten) meer boventonen. Een falsettostem met zijn relatief lang openstaande stemplooien klinkt rein door het ontbreken van hogere harmonischen. Schutte: ``Klassieke zangeressen, vooral de sopranen en mezzosopranen, zingen bijna altijd helemaal in het falsetregister. Als het een beetje hoog wordt zingen ze vrijwel zuivere sinussen. Zonder boventonen. Alleen populaire zangeressen als Barbara Streisand zingen met borststem tot flinke hoogte.''

Miller verdeelt de falsettostem van klassieke zangeressen bijvoorbeeld onder in drie registers. Het middenregister voor normale zangstem, het bovenregister waarin Mozarts Koningin van de nacht opereert en het flageoletregister voor de extreem hoge tonen. Schutte: ``De zangerswereld zou een stuk doorzichtelijker worden als alle `scholen' dezelfde terminologie voor registers zouden gebruiken en als er eenduidige definities over de registers komen. Dan kun je ook makkelijker praten en doceren over de technieken om tijdens het zingen van het ene register naar het andere te switchen. Veel zangpedagogen geloven bijvoorbeeld niet dat zangeressen voornamelijk in het falsettoregister zingen. En als je het wilt aantonen met je meetgegevens is altijd hun finale vraag: zingt u zelf? Nou nee, niet professioneel. Ik ben een verdienstelijke koortenor. Dan tel je niet mee.''

De kloof tussen zangers en zangstemonderzoekers is zo groot dat maar weinig zangers het analyseprogramma Voce Vista regelmatig gebruiken om hun zangstem te analyseren. Het zangstemonderzoek staat vrijwel stil in Groningen. Miller is met pensioen. Schutte stort zich, met subsidie van de Stichting Technische Wetenschappen (STW), op de ontwikkeling van een apparaat waarmee niet de regelmatige stemplooitrillingen van zangers zichtbaar worden gemaakt, maar waarin juist de stemproblemen door onregelmatige trillingen prachtig zichtbaar worden.

    • Wim Köhler