Op het smalle pad uit de duisternis

Kan de voorzichtig opgaande lijn van de internationale economie in 2003 zomaar worden doorgetrokken naar 2004? Nee. Met name de houdbaarheid van de huidige Amerikaanse groeispurt zal centraal staan in het jaar waarin de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten gaandeweg alles zullen overschreeuwen.

Herstel, dat is het buzz word voor 2004. Herstel van de economie, van de werkgelegenheid en als het even kan ook van de aandelenmarkten. Wie de lijnen uit 2003 simpelweg doortrekt, zou kunnen concluderen dat het komende jaar er een stuk rooskleuriger uitziet dan de afgelopen periode. Maar zo eenvoudig ligt het niet.

Hoe was 2003? Niet best. In Europa bleek het tweede kwartaal het dieptepunt te zijn in de eerste recessie van de 21ste eeuw. De Amerikaans-Britse aanval op Irak, en vooral de politieke strubbelingen die daar aan voorafgingen, misten hun uitwerking op het vertrouwen van de burger, de bedrijven en de beleggers niet. In maart, een week voor de daadwerkelijke inval, kelderde de Amsterdamse beurs naar een indexwaarde van 217 punten – nog maar 30 procent van de hoogste waarde van meer dan 700 punten die de aandelenindex nog in september 2000 bereikte. Het consumentenvertrouwen belandde in heel Europa op een dieptepunt in het tweede kwartaal.

Europa moet terugkijken op een goeddeels verloren jaar, met een economische groei van gemiddeld rond een half procent voor de eurozone als geheel. Dat geldt in sterkere mate voor Nederland, dat het slechtst presteerde van vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie. De meeste prognoses zetten een krimp van rond een half procent in de boeken voor 2003.

Wordt 2004 beter? Dat hangt af vanuit welke plek op de aardbol naar de economie gekeken wordt. Het dieptepunt van de eurozone is uitzonderlijk. Japan zag de economische groei juist aantrekken tot rond 2,7 procent voor het kalenderjaar. China stoomde, met een groei van rond de 9 procent, op als vanouds. En zelfs naast de deur, in het Verenigd Koninkrijk, deed de economie het verrassend goed. Ook in de Verenigde Staten was het afgelopen jaar op het eerste gezicht helemaal niet zo slecht. Met een economische groei van rond 3 procent op jaarbasis lijken de VS teruggekeerd in de richting van hun groeipotentieel. De meevallers in de Verenigde Staten verklaren voor een belangrijk deel waarom Azië en ook het Verenigd Koninkrijk weinig last leken te hebben van wat in Europa is ervaren als een wereldwijde groeidip.

Voor dat onverwachte wonder in de VS is wel alles uit de kast gehaald. De centralebankrente is verlaagd tot nog maar 1 procent. De overheidsuitgaven liepen op tot een tekort van tegen de 5 procent van het bruto binnenlands product, door de oorlog in Irak en door een forse lastenverlichting. De consument, aangevuurd door een recordlage rente, herfinancierde zijn woning waarvan de waarde door de lage rentestand toch al opliep, en betaalde ook op andere leningen minder. Het verkoopoffensief van de auto-industrie (0 procent rente en pas een eerste betalingstermijn in 2004) ging er onverminderd door.

De consument besteedde voor het derde achtereenvolgende jaar boven verwachting. Wie begin 2003 verwachtte dat de Amerikaanse burger eindelijk weer zou gaan beginnen met het opkrikken van zijn tot recordlaagte gezakte spaarquote, kwam bedrogen uit. De zakenbank Goldman Sachs berekent dat van de onwaarschijnlijk hoge groei van de Amerikaanse consumentenuitgaven, met 4 procent op jaarbasis in het derde kwartaal van 2003, een kwart kwam van verdere ontsparingen. De helft kwam door belastingverlaging en nog eens een kwart uit vermogensgroei (lees: het huis).

De Amerikaanse consumptieve bestedingen waren gunstig voor de rest van de wereld, die de VS kon blijven gebruiken als de externe economische impuls die het zelf niet kon opbrengen. En ze waren vooral goed voor president Bush, die opgaat voor een tweede termijn bij de presidentsverkiezingen begin november volgend jaar.

Halverwege 2003 toonde de permanente campagne van George W. Bush nog twee zwakke plekken: Irak, waar zowel de veronderstelde massavernietigingswapens als Saddam Hussein nog steeds onvindbaar waren, en de Amerikaanse troepen grote moeite hadden met het herstel van de openbare orde. En de Amerikaanse economie. Bekend is dat Bush' vader in 1992 de verkiezingen mede verloor doordat het economische herstel van de recessie van destijds te laat tot het electoraat doordrong. De doorslaggevende factor daarbij is de werkgelegenheid. Kiezers letten daar vooral op. Hun onzekerheid over de eigen baan, en natuurlijk werkloosheid zelf, zijn niet goed voor een zittende regering.

Aangezien werkgelegenheidsherstel altijd achterloopt bij het herstel van de economie zelf, is het prioriteit voor Bush om het economisch herstel zo vroeg mogelijk te realiseren. Veel economen denken dat dit precies is wat er is gebeurd in 2003 – voor zover dat in Bush' macht ligt.

Juist de scheppen kunstmest die door het Witte Huis op de economie zijn gegooid maken dat 2004 niet zomaar een voortzetting wordt van 2003. Een groeiimpuls gaat maar een jaar mee. In 2002 liep het Amerikaanse begrotingstekort op van 0,5 procent tot 3,4 procent van het bruto binnenlands product. In 2003 ging het naar 4,9 procent. Nóg een impuls van die orde is niet meer mogelijk in 2004. Dat geldt ook voor de consumentenbestedingen. Want het opvoeren van de spaarquote zal er toch eens van moeten komen.

Die noodzaak is het duidelijkst te zien in de Amerikaanse betalingsbalans. In 2004 zal daar iets mee moeten gebeuren. Waar binnenlands een spaartekort ontstaat – door een opgeteld tekort van de publieke en particuliere sector – zal het saldo door het buitenland moeten worden aangevuld. Economen maken zich al jaren zorgen om het oplopende tekort op de Amerikaanse betalingen, dat in 2003 steeg boven de 5 procent van het bruto binnenlands product. De rest van de wereld moet inmiddels 2 miljard dollar per werkdag bijdragen aan de Verenigde Staten, en in 2003 ging dat steeds moeizamer.

Eens moet er wat meegeven. De aanpassing die nodig is om het tekort te verminderen is óf een daling van de relatieve prijzen in Amerika ten opzichte van de rest van de wereld, óf een teruglopend spaartekort in de Verenigde Staten. Dat laatste is niet erg waarschijnlijk. Consumenten beslissen zelf of ze meer willen gaan sparen of niet. Maar van het terugdringen van het begrotingstekort mag in een verkiezingsjaar niet al te veel worden verwacht.

Hoewel de werkgelegenheid in Amerika in de loop van het jaar aantrok, is de groei nog lang niet genoeg voor het Witte Huis om gerust op te zijn. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) ziet de Amerikaanse werkloosheid (volgens haar eigen definitie) in 2004 slechts mondjesmaat dalen van 6,1 procent naar 5,9 procent. De non farm payrolls, de werkgelegenheidscijfers die elke eerste vrijdag van de maand worden gepubliceerd, kunnen uitgroeien tot het politiek meest relevante cijfer in de Verenigde Staten.

Blijft over het enige andere ventiel voor het betalingsbalansprobleem, en dat is een verandering van de relatieve prijzen in het wereldsysteem. Dat kan via een forse prijsdaling van Amerikaanse aandelen of obligaties (waardoor de rente oploopt) of het kan via de wisselkoers. De langverwachte daling van de koers van de Amerikaanse dollar zette in 2003 pas goed in. De munt eindigde deze week op 1,24 dollar per euro en is daarmee in een jaar tijd met 18 procent gedaald. Probleem voor Europa is dat enkel de euro de last droeg van de prijsaanpassing via de dollar. Met name de Aziatische munten bleven hardnekkig aan de dollar hangen. [Vervolg WERELDECONOMIE: pagina 22]

WERELDECONOMIE

Ingrediënten voor oplopende spanning

[Vervolg van pagina 21] Aan die hang van de Aziatische munten aan de Amerikaanse dollar kan in 2004 wellicht verandering komen. Japan gaf al toe aan een gedeeltelijke opwaardering van de yen. China ontpopte zich in 2003 als hét gespreksonderwerp van de internationale economie. Met name de vraag of de tekenen van oververhitting die de snelgroeiende Chinese economie tegen het jaareinde begon te vertonen reden zijn tot alarm, zal in 2004 nog menigmaal opduiken.

De Chinese effectenbeurs lijkt, met de zwaar overtekende beursgang van het staatsbedrijf China Life, angstwekkend veel op de Westerse beurzen tijdens de internethype van vier jaar geleden. Voor het komende jaar lopen de verwachtingen rond China sterk uiteen.

Voortgaan op de weg van 2003 is aannemelijk. Maar het kan zijn dat de vaste koppeling met de dollar gedeeltelijk wordt opgeheven om daarna de oververhitting van de economie te temperen met een bescheiden opwaardering van de Chinese yuan. Het is evengoed mogelijk dat, in parallel met de Azië-crisis van zes jaar geleden, de Chinese economie implodeert door een veel te grote kapitaalsinvoer en bijbehorende onzin-investeringen. En een nieuwe uitbraak van de besmettelijke longziekte sars, of een variant daarvan, kan alle economische prognoses op losse schroeven zetten.

Waar is Europa in dit geheel? Dat kan volgens de meeste ramingen vooruitzien naar een voortzetting van het heel voorzichtige economisch herstel dat aan het eind van 2003 doorzette. De sterk gestegen euro is daarbij een probleem. Vanuit Europa bekeken is het verleidelijk te veronderstellen dat de lage dollarkoers het de Amerikaanse president Bush indirect mogelijk maakt herkozen te worden. Of dat die lage koers hem op zijn minst goed uitkomt.

Maar het kan aan de vooravond van 2004 geen kwaad om het Europese continent eens te bekijken door Amerikaanse ogen. Een gebrek aan flexibiliteit en dynamiek houdt de consumptieve vraag in Europa lager dan hij zou kunnen zijn. Dat tekort aan dynamiek is een gevolg van weinig, of te trage structurele hervormingen – ook als de pogingen daartoe in Duitsland en Frankrijk van dit jaar in overweging worden genomen. Europa moet het hebben van een herstel door middel van export, en leunt daarmee zwaar op de Amerikaanse markt.

Andersom groeit de binnenlandse vraag in Europa veel te traag om de Amerikanen via hun export de kans te geven de handelsbalans wat rechter te trekken. En dat het Amerikaanse buitenland, Europa incluis, kennelijk thuis te weinig rendement kan halen en dus 2 miljard dollar per werkdag naar de VS toestuurt, daar kunnen de VS toch weinig aan doen? Deze visie op het betalingsbalanstekort wordt gedeeld door niemand minder dan centralebank-chef Alan Greenspan.

Vanuit Amerikaans perspectief maakt goedschiks op een bepaald moment plaats voor kwaadschiks. De oorverdovende stilte waarmee de daling van de dollar (de stijging van de euro) wordt begroet, spreekt boekdelen. Binnenlandse economische overwegingen worden voor het Witte Huis in het verkiezingsjaar 2004 belangrijker dan buitenlandse economische aangelegenheden. Daar valt vanuit Europa weinig tegenin te brengen. Terwijl de Verenigde Staten het frauderende Enron lieten instorten en zo schoon schip maakten, stromen in Italië de overheidsmiljarden meteen naar Parmalat om het bedrijf koste wat kost op de been te houden. Als de Europeanen hun maatschappijmodel zo graag willen handhaven, prima. Maar ze mogen niet verwachten dat de VS dat blijven faciliëren.

Je hoeft het niet met de Amerikanen eens te zijn om toch te kunnen begrijpen dat de zaken vanuit Washington anders worden gezien dan vanuit de Europese hoofdsteden.

2003 was het jaar van conflicten in de internationale politieke sfeer, met de zaak-Irak voorop. 2004 zou heel goed een jaar kunnen worden waarin de al lang sluimerende conflicten in de internationale economie naar de oppervlakte komen.

De wisselkoerspolitiek, de handelspolitiek, het internationale monetaire beleid, het gevaar van koerscorrecties op de financiële markten, de houdbaarheid van het Chinese groeiwonder en vóór alles de vraag of de Amerikaanse economie op stoom blijft. Ingrediënten genoeg voor oplopende spanningen. Tenzij een verrassend goed economisch herstel alles alsnog met de mantel der liefde bedekt.

    • Maarten Schinkel