Met zijn allen

Muziek kan de diepste menselijke emoties oproepen. Maar waarom eigenlijk? De wetenschap is er nog niet uit.

Overal ter wereld klinkt muziek. Vogels, apen, walvissen, kikkers, krekels, allemaal maken ze geluiden die door mensen zonder moeite als muziek worden herkend. Maar nergens is de muziek zo gevarieerd en zo algemeen als bij mensen, bij wie tegenwoordig zelfs 4 minuten en 33 seconden stilte als muziek geldt (in John Cage's befaamde stuk 4'33”). Muziek neemt bij Homo sapiens alle mogelijke vormen en functies aan: een fluitend ventje op straat, een symfonie van Bruckner in het Concertgebouw, een sinterklaasliedje bij de schoen, een houseparty in een oude fabriek, eindeloze Tibetaanse meditatiegezang hoog in de bergen, trommelen tijdens een vredesdemonstratie.

Wat is dan nog typisch menselijke muziek? Wat is de oermuziek van onze soort? Nog altijd klinkt in Tel Aviv en Nabloes het gezang van de oeroude joodse sekte der Samaritanen. In de omschrijving van de Amerikaanse etnomusicoloog Bruno Nettl klinkt deze `oermuziek' als `onduidelijke toonhoogtes, met een slechts zeer vaag gedefinieerd verband tussen de verschillende stemmen'. In de congresbundel Origins of Music (MIT Press 2000) schrijft Nettl daarover: ``Het is helemaal niet zo gek om déze muziek, met zijn emotionele glissando-achtige bewegingen door het hele bereik van de menselijke stem, te beschouwen als een soort menselijke oermuziek.''

Maar de kans dat de Samaritanenzang verder teruggaat dan een paar duizend jaar voor Christus is niet groot – chronologisch gezien een schijntje in de 100.000 tot 2.000.000 jaar lange evolutiegeschiedenis van de mens. Er is vrijwel niets bekend over de oertijd van de menselijke muziek. De oudst gereconstrueerde muziek is een smeeklied van een kinderloze vrouw, gevonden op een kleitablet van 3200 jaar oud (zie ook de volgende pagina). Het oudst bekende muziekinstrument is een fragment van een fluit, 44.000 jaar oud (overigens toegeschreven aan Neanderthalers, dus volgens sommigen niet eens `menselijk').

Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat Nettl een poging doet om menselijke oermuziek te definiëren. Want tot voor kort hoefde je bij etnomusicologen nauwelijks aan te komen met de vraag of er ook algemene kenmerken zijn van mensenmuziek, zo geeft Nettl toe. Makkelijk is die vraag naar universele kenmerken ook niet. Nettl: ``Zou ieder stukje muziek dan bijvoorbeeld een ritmisch element moeten hebben? Waarschijnlijk niet. Of zou het echt waar zijn dat iedere muzikale uiting toonintervallen bevat die zo ongeveer een grote secunde beslaan? Zeker niet iedere uiting.''

Vermenging

De laatste jaren is er een kentering in de etnomusicologie, naar meer aandacht voor algemene kenmerken en niet alleen voor de uniciteit van verschillende culturen. De traditionele expedities met bandrecorders naar de binnenlanden behoren tot het verleden. De traditionele muziek van niet-westerse culturen is overal in een razend tempo aan het verdwijnen. Overal treedt vermenging op met westerse muziek, tot `wereldmuziek'. En dus wil Nettl nu wel zijn observaties uit een lange etnomusicologische carrière samenvatten. Ja, iedere menselijke cultuur heeft vocale muziek, en bijna allemaal hebben ze ook muziekinstrumenten. Er is vrijwel altijd een nauwe band met dans, het octaaf komt óók vrijwel altijd voor en ritme is eveneens zelden afwezig. Maar ook, zo benadrukt Nettl, is het een universeel menselijk kenmerk dat ``muziek wordt gebruikt om een of andere fundamentele verandering in het bewustzijn van een individu te bewerkstelligen, of een verandering in de sfeer van een bijeenkomst''. Muziek speelt daarom overal ter wereld een rol in rituelen: in ``het aanspreken van het bovennatuurlijke'', zoals Nettl het formuleert, maar ook om het belang van een gebeurtenis te onderstrepen, ``of het nu een verjaardag is of het verschijnen van de koning''.

Het biologisch en antropologisch muziekonderzoek is duidelijk in beweging, niet zozeer doordat er heldere antwoorden zijn gevonden, maar vooral doordat er steeds meer vragen worden gesteld. Afgelopen zomer wijdde bijvoorbeeld Nature Neuroscience een breed opgezette special aan Music and the Brain (juli 2003). Primatoloog Marc Hauser stelde daarin ``misschien wel de meest intrigerende vraag: Waarom is er, gegeven de alomtegenwoordigheid van muziek in menselijke culturen, geen duidelijke evolutionaire functie voor muziek?'' Hauser is somber over de mogelijkheden voor een antwoord: ``Anders dan taal, waardoor we onze gedachten aan elkaar duidelijk kunnen maken, heeft muziek geen evidente functionele consequentie. En dus blijven de oorsprong en de evolutionaire betekenis deeply mysterious.''

In hetzelfde nummer van Nature Neuroscience toont de Canadese ontwikkelingspsychologe Sandra Trehub zich optimistischer. Zij legt de nadruk op de sociale functie van muziek, die volgens haar wel degelijk een duidelijk biologische basis heeft. Kijk maar eens naar het gemak waarmee baby's vanaf zes maanden verschillen in melodieën kunnen horen, aldus Trehub. En baby's van vier maanden tonen al duidelijk ongemak als ze naar liedjes met onverwachte dissonanten moeten luisteren.

Leervoorkeuren

Dat een moderne baby al in de baarmoeder is blootgesteld aan vele uren muziek en daaraan dus misschien al allerlei voorkeuren ontleent, is geen tegenargument voor een aangeboren muzikaliteit, aldus Trehub: ``Dat is niet in strijd met het idee dat het hier gaan om aangeboren leervoorkeuren. Ze leren die muziek heel makkelijk, daar gaat het om.'' Het nut van deze aangeboren muzikaliteit zoekt Trehub in de functie in de sociale interactie: ``De belangstelling van baby's voor spraak van de moeder is groot, maar lang niet zo groot als hun belangstelling voor zingen door de moeder. Het lijkt er zelfs op dat baby's vooral geïnteresseerd zijn in de zangerigheid van spraak.''

Wat de baby's zoeken in zang is het directe contact. Want in zang worden emoties uitgedrukt, en muziek maakt het ook mogelijk bewegingen precies te coördineren, zo merkt Trehub op. In die gemeenschappelijke activiteit ligt de functie van muziek, betoogt ze. Natuurlijk, tegenwoordig komen passief en individueel muziek luisteren heel veel voor, maar dat is niet de `natuurlijke' toestand voor menselijke muziek. Dat is dansen en meedoen, met zijn allen.

Blijft de vraag waarin menselijke muzikaliteit zich onderscheidt van die van de zingende gibbon, de fluitende lijster en de sonoor roepende bultrug. Het sterke ritmegevoel, antwoordt Trehub. Ze verwijst daarmee naar een theorie van de Zweedse neurobioloog Björn Merker, een van de editors van The Origins of Music. Alleen mensen zijn door hun ritmegevoel in staat hun zang (én heel veel ander gedrag) te synchroniseren, aldus Merker. Samenzingen doet verder niemand. Maar mensen kunnen dat bij uitstek wel.

Wie wel eens heeft meegespeeld in een groot symfonieorkest of heeft meegemarcheerd in een peloton soldaten, weet waar dát toe kan leiden. En als gemeenschappelijk ritmegevoel inderdaad de kern van menselijke muziek is, dan staat muziek dus in direct verband met het meest menselijke gedrag überhaupt: extreem nauwe samenwerking en mentale afstemming (volgens de joint attention-theorie van de Amerikaanse primatoloog en psycholoog Michael Tomasello). Dat mensen een curieuze `innerlijke metronoom' lijken te hebben is ook al eerder opgemerkt. De historicus William McNeill schreef een uitgebreide studie over de consequenties ervan: Keeping together in Time: dance and drill in Human History (1995).

Merker legt in The Origins of Music uit wat er zo bijzonder is aan ritmegevoel: ``Het vreemde is dat bij de meeste gedragingen een respons op een stimulus volgt, maar in de muzikale puls valt de respons in feite samen met de stimulus (die zo simpel kan zijn als de klik van een metronoom).'' Niet de solozingende mens is typerend, maar het koor en de ritmisch dansende massa. De meeste precies gecoördineerde dierenactiviteiten, zoals een fraai zwenkende school vissen of een kudde rennende zebra's, ontstaan helemaal niet uit innerlijk ritmegevoel, maar door een gelijke reactie op een gelijke stimulus of door een snelle reactie op de actie van de buurman.

Zelfs de naast verwante chimpansee kent niet zo'n onderling afstelbaar innerlijke ritmegevoel zoals de mens, zelfs niet na intense training, constateerde L. Williams in zijn boek The Dancing Chimpansee (1967), waarnaar Merker verwijst. Er is één uitzondering: bij een troep bonobo's in een dierentuin, even nauw verwant aan de mens als de chimp, heeft Frans de Waal ooit gehoord dat het staccato hooting van deze beesten ``vrijwel perfect gesynchroniseerd werd (...) in een stabiel ritme van twee per seconde'', zo citeert Merker deze primatoloog uit een onderzoek uit 1988. Maar een later onderzoek, in het Afrikaanse oerwoud, leverde alleen op dat bonobo's om en om ritmisch riepen dus niet synchroon.

Dit unieke ritmegevoel zou dan de basis zijn van de menselijke muziek in al zijn enorme diversiteit. Vele tienduizenden – zo niet honderdduizenden – jaren van menselijke cultuur resulteerden uiteindelijk in Ienemienemutte en Der Ring des Nibelungen. En inderdaad wordt vrijwel nergens in de literatuur bestreden dat ritme waarschijnlijk het cruciale kenmerk is van menselijke muziek. Melodie trekt veel minder aandacht. Hauser merkt in Nature Neuroscience op dat apen óók in staat zijn melodieën te octaveren en dat dus dergelijke melodieuze manipulaties geen uniek menselijk vermogen vormen.

Over hoe de mens dit eigenaardige ritmegevoel ooit heeft ontwikkeld, en waarom, heeft Merker ook een theorie. En daarvoor kijkt hij naar de functie van dat vermogen bij een paar andere dieren die het óók een beetje hebben. Het gaat om een klein aantal, evolutionair nogal verafgelegen diersoorten. Een vorm van gemeenschappelijk ritmegevoel kan ook worden gevonden in het knipperen van bepaalde soorten vuurvliegjes, de synchronisatie van het knerpen door bepaalde soorten insecten, het massaal ritmisch roepen van kikkers en in het gezamenlijke ritmisch scharenzwaaien door grote groepen Wenkkrabben. Een belangrijk verschil met deze krabben en kikkers (en dus misschien de bonobo's) is overigens volgens Merker, dat ``de menselijke capaciteit voor innerlijk ritme niet beperkt is tot een vastgelegd tempo met weinig variaties, maar een probleemloze range heeft van ongeveer 50 tot 200 slagen per minuut. Dat is ook zo ongeveer de variatie die je krijgt als je mensen vraagt spontaan een tempo te tikken, met 100 slagen per minuut als centraal tempo.''

Vrouwtjes lokken

De clou van Merker is dat bij de mens de oorsprong van muziek mysterieus mag zijn, de oorsprong van het ritmegevoel van krabben, kikkers en vuurvliegjes is dat al lang niet meer. ``Daar vindt de synchronisatie van het gedrag plaats als mannetjes gezamenlijk vrouwtjes aan proberen te trekken.'' Het gezamenlijk lokken biedt bescherming tegen roofdieren en door het gezamenlijke, sterkere signaal kunnen uit een groter gebied vrouwtjes worden gelokt. Als het vrouwtje gearriveerd is, geldt weer `ieder voor zich'.

Iets dergelijks zou ook bij verre voorouders van de mens kunnen zijn ontstaan. Chimpanseemannetjes roepen (niet synchroon) als ze een fruitboom hebben gevonden. Misschien is daaruit een gezamenlijk roepen ontstaan, oppert Merker: als gezamenlijk signaal waarmee de mannetjes aan vrouwtjes in de buurt laten weten dat ze én veel voedsel tot hun beschikking hebben én zeer goed gecoördineerd kunnen optreden. Samen roepen is een signaal van gezamenlijke kracht, en dat trekt vrouwtjes. Mannen die goed konden zingen en dansen hadden meer kans op kinderen dan wie dat niet zo goed kon. Eenmaal ingebakken in de natuur van de mens (ook bij vrouwen) leidde deze neiging om de beat te volgen uiteindelijk tot zang en dans. En misschien is uit deze aanvankelijk betekenisloze vocale ontwikkeling wel taal ontstaan, zo besluit Merker.

Wendingen

Taal en muziek! Over de relatie tussen die twee zijn werkelijk alle mogelijke theorieën serieus verkondigd. Taal zou zijn ontstaan uit zingen (zoals dus ook Merker suggereert). Maar evengoed kun je serieuze beschouwingen vinden van het omgekeerde: dat muziek juist uit taal is ontstaan. Worden in muziek met al zijn wendingen en ingebedde structuren niet uiteindelijk dezelfde hiërarchische en analytische vaardigheden toegepast als in grammatica? Ook wordt beweerd dat taal en muziek twee kanten van dezelfde medaille zijn die pas recentelijk uit elkaar zijn gegroeid. ``Niemand weet het'', verzucht de taalkundige Derek Bickerton in Origins of music, ``het zijn allemaal just-so stories.''

Overigens publiceerden de psychologen Patrik Juslin en Petri Laukka onlangs een meta-analyse van in totaal 155 studies naar emotionele expressie in taal én muziek (Psychological Bulletin september 2003). De meeste van die studies verschenen in de laatste tien jaar. Zowel in spraak als muziek blijken emoties op gelijke wijze te worden uitgedrukt. Bijvoorbeeld woede door een hoog tempo en hoge tonen, vreugde door een hoog tempo en stijgende tonen, lieflijkheid door een traag tempo en dalende tonen, enzovoorts. De auteurs zien er zelfs mogelijkheden in om het muziekonderwijs te verbeteren. Maar de overeenkomsten zouden ook kunnen wijzen op een gemeenschappelijke oorsprong van taal en muziek.

Het zou kunnen. Of niet. En ook Merkers theorie over het gezamenlijk lokken van de vrouwtjes als oorsprong van het menselijke ritmegevoel – en dus van muziek – is natuurlijk een klassieke just-so story: een verhaal zonder bewijzen bij gebrek aan beter. Maar de theorie dat muziek is ontstaan ergens in de relatie tussen de seksen heeft een lange traditie, die teruggaat tot Charles Darwin. Darwin liet zich daarbij inspireren door zijn indertijd baanbrekende theorie over de zang van zangvogels. Daarin zag hij een klassiek geval van seksuele selectie, want hoe beter die mannetjes zingen, hoe meer succes bij de vrouwtjes. En, schreef Darwin in zijn The descent of man and selection in relation to sex (1871), zoiets zou ook bij de mens kunnen zijn gebeurd. Tenslotte roept muziek bij de mens nog altijd ``de zachte gevoelens van tederheid en verliefdheid op, die zo gemakkelijk overgaan in liefde.''

In The Origins of Music wil ook de evolutionair psycholoog Geoffrey Miller nog een paar extra argumenten geven waarom muzikaliteit het resultaat kan zijn van seksuele selectie in een ver verleden van de mensheid. ``Muziek speelt nog altijd een opvallende rol bij het versieren. En in ieder geval bereikt de muziekproductie in de huidige openbare muziekindustrie het hoogste punt in de vroege volwassenheid, de periode van de grootste seksuele activiteit, en neemt ze dan weer langzaam af.''

Miller merkt ook op dat muziek veel kenmerken heeft die dit gedrag uitmuntend geschikt maken om een partner op uit te kiezen. Dansen toont de lichamelijke gezondheid en kracht. En omdat zenuwachtigheid onmiddellijk op de stem slaat is zingen een goede en oprechte indicator van zelfvertrouwen en status. Ritmische vermogens laten zien dat het brein goed in staat is om complexe bewegingen uit te voeren, enzovoorts.

En belangrijk: zo'n seksuele oorsprong van muziek hoeft een beschaafde appreciatie van een cantate van Bach helemaal niet in de weg te staan, betoogt Miller. Want de oorsprong van een vermogen hoeft geen gevolg te hebben voor de directe beleving, of zoals de biologen zeggen: de ultimate oorzaak is niet hetzelfde als de proximate oorzaak. ``Seksueel geselecteerde eigenschappen hoeven niet sexy te voelen voor de eigenaren, muziek is niet het gevolg van een freudiaanse gesublimeerde seksuele drang. Iemand kan gitaar gaan spelen op een bijeenkomst, zonder dat hij of zij enig idee heeft van de evolutionaire oorsprong van die neiging, maar gewoon omdat hij daar zin in heeft.''

Partydrugs

Dat er héél verschillend wordt gedacht over de oorsprong van muziek toont de opvatting van de bekende evolutionair psycholoog Steven Pinker.In zijn boek How the mind works (1997) betoogt hij juist dat de menselijke muzikaliteit een puur toevallige ontwikkeling is. Niks seksuele selectie, niks evolutionair nut. ``Als we muziek vergelijken met `taal', `zien', `sociaal gevoel' en `inzicht in de materiële wereld', zou muziek zomaar kunnen verdwijnen uit het leven van Homo sapiens zonder dat onze levenswijze wezenlijk zou veranderen'', schampert Pinker. Voor hem is dat een opmerkelijke stellingname omdat de psycholoog voor vrijwel alle andere menselijke gedragingen juist wel een evolutionaire basis veronderstelt. Maar ``muziek lijkt vooral een pure genotstechnologie, een cocktail van partydrugs die we via het oor innemen om in één keer een massa genotscircuits in ons brein te stimuleren. In muziek wordt slechts vormloze emotie gecommuniceerd. Muziek is geen taal, het is een technologie.''

De muzikale genotstechnologie grijpt op een aantal menselijke vermogens aan, aldus Pinker, waardoor we die rare notenbrij uiteindelijk als aangenaam ervaren. Ten eerste het taalvermogen, niet alleen door de tekst van liedjes maar ook in de metrische structuur en intonatie. Ten tweede de menselijke neiging om te luisteren naar gevaar en interessante geluiden. ``Melodieën zijn een uitvergroting van de ervaring in een omgeving te verblijven waarin sterke en overzichtelijke signalen klinken van interessante voorwerpen'', aldus Pinker. Ten derde het menselijk repertoire van emotionele uitroepen. ``Grienen, jammeren, huilen, kreunen, grommen, kirren, lachen, blaffen, juichen en andere uitroepen hebben allemaal akoestische signaturen. Misschien dat melodieën zoveel emotie losmaken omdat die signaturen erin terugkomen.'' Ten vierde motorische beheersing: ``muziek herschept de motivationele en emotionele componenten van beweging''. En ten laatste, zo besluit Pinker, ``iets anders'' waardoor al deze onderdelen tot één complete muzikale ervaring worden gesmeed. ``Misschien een resonantie in het brein tussen neuronen die vuren in het ritme van de geluidsgolf enerzijds en een natuurlijke trilling in de emotionele circuits anderzijds?''

    • Hendrik Spiering