Eén nacht spelen, tien grammofoonplaten vol

Morgen is het vijftig jaar geleden dat jazzpianist Art Tatum in één keer genoeg muziek opnam voor het vullen van tien lp's.

`Verbijsterend, niet te vatten, geniaal, onnavolgbaar', het is slechts een greep uit de superlatieven waarmee tijdgenoten oordeelden over het spel van pianist Art Tatum. Natuurlijk mensen uit de jazzscene, maar ook grote namen uit andere werelden: Rachmaninov, Gershwin en Horowitz.

Toch duurde het na de dood van Art Tatum (1909-1956) bijna dertig jaar tot er een biograaf voor hem opstond, de gepensioneerde psycholoog en amateurpianist James T. Lester. Voor zijn boek Too Marvelous for Words raadpleegde hij een kleine honderd `getuigen' om te achterhalen wat voor mens Art Tatum was. Hij bleek een tamelijk opgeruimde natuur, gek op kaarten en sport. Dat laatste vooral in theorie, want zijn eigen `sport'-praktijk beperkte zich tot pianospelen en bierdrinken.

Hoe Tatum die twee zaken combineerde ziet men voor zich door te luisteren naar hoe hij een langzame standardsong aanpakt. Terwijl hij met zijn rechterhand een lange notenslinger uitvouwt, pakt hij links zijn bierglas, dat hij net op tijd leegt om met de vrijgekomen hand een machtige `stride'-accoordenreeks in te zetten.

Hoewel bedacht – er bestaat van Tatum weinig filmmateriaal – past dit beeld goed in de theorie die Lester aandraagt over de positie die deze zwarte en bijna blinde pianist innam in het Amerika van rond de Tweede Wereldoorlog. Op grond van zijn pianotalent had Tatum kunnen schitteren op de duurste podia maar in de praktijk presteerde hij vooral in bars en, als het meezat, radio-studio's. Een klassiek geval van `status-inconsistentie' waardoor Tatum als een soort `displaced person' tussen twee werelden bivakkeerde.

Een andere zaak die Art Tatums doorbraak in de weg zat – hij kreeg nooit een prijs of onderscheiding – was van muziekinhoudelijke aard. Voor oude-stijlfans speelde hij te modern met zijn `rare' doorgangsaccoorden en vaak onderbroken beat. Maar hij vond nooit aansluiting bij nieuwe jazzstijlen als `bebop' en `cool'. Dat had ook te maken met een zekere luiheid. Nadat hij zich op zijn tweeëntwintigste op de plaat had gepresenteerd als een vrijwel complete solist, breidde hij zijn repertoire slechts langzaam uit. Ook week hij als hij van een stuk een bevredigende versie had ontwikkeld daar later zelden meer ingrijpend van af. Wie zijn elfde (!) opname van de Vincent Youmans Tea for Two uit 1953 vergelijkt met de versie van twintig jaar eerder, hoort vooral een verschil in tempo. Soms was Tatums vasthoudendheid volkomen terecht, want de metamorfoses die hij Dvoráks Humoresque en Kurt Weills September Song liet ondergaan waren zo drastisch dat het eigenlijk nieuwe composities werden die hij tot in detail onthield. Zo kwam een citaat uit een mars van Sousa dat hij in 1940 verwerkte in Jules Massenets Elegie in latere versies steeds terug.

Dat Tatum na een tienjarige verbintenis met Brunswick/Decca via het label Capitol terecht kwam in de stal van de jonge platenbaas Norman Granz was goed voor hem en de jazzgeschiedenis. Granz, die naam had gemaakt met zijn roemruchte Jazz at the Philharmonic-concerten bezorgde Tatum een vliegende start. Op 28 en 29 december 1953, misschien wel in één lange nacht, liet hij Tatum zonder restricties helemaal zijn gang gaan in zijn vertrouwde roccoco-stijl. Het resulteerde in 69 stukken, die op drie na, allemaal werden vastgelegd in één enkele take. Dat het voor negentien ervan de eerste keer was dat Tatum ze opnam en voor drie ook gelijk de laatste, maakt deze prestatie extra interessant. Het materiaal verscheen op het platenmerk Clef als The Genius of Art Tatum – bestaande uit tien delen – en werd, samen met materiaal van latere marathons, nog eens uitgebracht op het label Verve.

Toen Granz zijn jazz-imperium met onder anderen Charlie Parker, Ella Fitzgerald, Oscar Peterson en Stan Getz in 1960 aan MGM verkocht, bleef Art Tatum als enige buiten de deal. En toen Granz in 1973, als gevolg van kruipend bloed, zijn nieuwe label Pablo begon, was één van zijn eerste daden het heruitbrengen van Art Tatum. The Tatum Solo Masterpieces was de titel van een box met dertien lp's met in het inlegboek een plechtig statement van Granz dat hij Tatum beschouwde als de grootste solist uit de jazzgeschiedenis.

De Nederlandse jazzkritiek dong op dat oordeel nogal af. Een recensent noemde Tatum een ,,heilige koe'', anderen typeerden zijn spel als ,,superieure barmuziek per strekkende meter'' en ,,een sensationele miskraam''. Een uitzondering was presentator Willem Duys die omstreeks 1960 voor de radio vertelde dat er in het formidabele Tiger Rag dat hij zojuist had gedraaid echt, heus, maar één pianist aan het werk was geweest.

De supertweehandige virtuoos Art Tatum ervoer tijdens zijn leven zelf eigenlijk maar één handicap: het feit dat door zijn bijna-blindheid geen auto kon rijden. Hij was net 47 toen hij overleed aan de gevolgen van suikerziekte. Want dat was, anders dan piano spelen, géén goede combinatie met het drinken van bier.

Art Tatum: The Complete Pablo Solo Masterpieces 7PACD-4404-2 (7 cd) Behalve live-opnamen ook op losse cd's. Distr. ZYX.

    • Frans van Leeuwen