Een concert is meer dan geluidsgolven, geld meer dan muntjes - over God en de donder

In de discussies tussen gelovigen en atheïsten geven beide partijen vaak karikaturale voorstellingen van elkaar. Gelovigen zijn dan mensen die de donder het liefst als de stem van een boze god zouden willen beschouwen, terwijl de meer wetenschappelijk ingestelde atheïsten alles platweg zouden willen terugbrengen tot materie. Maar moet men, om religieus te kunnen zijn, wel geloven in een niet-materiële wereld? En andersom: is alles `eigenlijk' te beschrijven in materiële termen?

In het Concertgebouw beluisteren wij een concert. ,,Mooi, die geluidsgolven'', zou ik tegen mijn gezellin willen zeggen. Ik durf de provocatie niet aan; het zou ons te zeer uit hoger sferen ter aarde doen neerstorten. Ik hoor haar al: ,,Dat is reductionisme!''

Maar miskent reductionisme, de gedachte dat alles is te herleiden tot iets eenvoudigers, het hogere? Is materialisme, herleiding tot een materieel gebeuren, daarom te verwerpen? Of blijft er ook in een wereld waarin alles een fysische oorzaak heeft, ruimte voor muziek, en zelfs ruimte voor religieus beleven?

Laten we nog eens over dat concert denken. Het zijn geluidsgolven die klanken tot ons brengen. Daarom lukt het ook zo aardig om met een luidspreker muziek weer te geven. Mijn oor maakt het niet uit of de geluidsgolven uit een luidspreker komen of van andere instrumenten, als het maar dezelfde trillingen zijn. Dat zijn het niet, want om hetzelfde effect te bereiken zou je niet alleen alle instrumenten moeten nabootsen, maar ook de zaal met haar akoestiek. En dan wordt nabootsen omslachtig. In een van de romans van Lewis Carroll (bekend van Alice in Wonderland, maar deze passage is uit Sylvie and Bruno Concluded) komt een discussie voor over het maken van landkaarten. De ene partij schept op dat zij kaarten met heel veel details hebben gemaakt. De anderen overtreffen dat, want zij hadden een kaart gemaakt die precies met het origineel overeenstemde een schaal van één op één. Die wordt echter niet gebruikt. ,,De boeren protesteerden; die zeiden dat het hele land dan bedekt zou zijn. Nu gebruiken we het land zelf als eigen kaart, en ik kan je verzekeren, dat werkt vrijwel even goed.'' Zo is het, vermoed ik, ook met het concert de eenvoudigste manier om een perfecte kopie te maken is om geïnspireerde violisten, hoboïsten, paukenisten op het podium van het Concertgebouw te zetten. Het concert bestaat uit geluidsgolven, maar dat wil niet zeggen dat we op een gemakkelijkere manier precies hetzelfde resultaat zouden kunnen bereiken. Zeggen dat muziek uit geluidsgolven bestaat, betekent niet dat er geen verschil is tussen ingeblikte muziek en de uitvoering zelf.

Er is meer dat de uitvoering die middag voor ons tot een belevenis maakt. Het warme rood in de zaal, de namen van grote componisten op de wanden, en vooral de aanblik van de dirigent en de musici. ,,Allemaal licht'' zou een reductionist kunnen zeggen, en hij heeft dan gelijk. Maar om dezelfde beleving op te roepen in de auto of thuis, zou dus ook het visuele toegevoegd moeten worden. Bovendien is er meer dan zien en horen de stoelen waar we op zitten, mijn gezelschap, de reis er naar toe, het idee `uit' te zijn in plaats van tijdens de afwas naar een cd te luisteren – alles werkt mee aan een bijzondere ervaring. Ook al is die ervaring er dankzij zintuigen die afgestemd zijn op geluid en licht, signalen van de materie, dan hoeft dat nog niet te betekenen dat die beleving op een simpelere wijze tot stand kan komen.

Betekent de bewering dat alles materieel van aard is, ook dat je alles kan beschrijven in de taal van de natuurkunde? Zou je het concert kunnen beschrijven als geluidsgolven? Volgens mij is het vaak zo dat een adequate beschrijving andere begrippen nodig heeft dan de begrippen die het materiële beschrijven. De dirigent zegt tegen de cellist `een rondere klank', en niet `andere boventonen'. Neem als voorbeeld het betalen van een rekening. Betalen is een materieel gebeuren, want geld is iets materieels – ronde stukjes metaal, papier, of de stand van de computer bij de bank. Je wordt belazerd als iemand zegt: ,,Ik heb je betaald'' terwijl hij niet kan wijzen op munten die van portemonnee zijn gewisseld, veranderingen in het saldo op de chipknip, of iets anders. Materiële processen zijn nodig; anders is betalen een illusie. Maar het zou onzinnig zijn om `betalen' te beschrijven in materiële termen. De munten, de bankbiljetten, of de computer van de bank: dat alles is alleen maar geld wanneer mensen die zaken als betaalmiddel opvatten. `Geld' is geen materiële categorie, maar een culturele. Hogere verschijnselen hebben soms een eigen taal nodig, met eigen begrippen, ook als er een materieel proces aan ten grondslag ligt. Sommige filosofen spreken daarom van non-reductive physicalism. Fysicalisme, omdat al wat gebeurt materieel van aard is. Maar niet-reductionistisch, omdat een materiële beschrijving niet altijd zinvol is. Inderdaad zou het al te plat zijn geweest om te spreken van `mooie geluidsgolven'; schoonheid hoort tot de taal die de muziek waardeert, en dat is niet die waarin we spreken van `geluidsgolven'.

Zoals de beleving van een concert het beste tot stand komt door naar een concert te gaan, zo kunnen ook religieuze gebruiken voor mensen een belangrijke manier zijn om wezenlijke ervaringen op te doen. Een kaars opsteken, stil worden, een loflied zingen, reciteren of mediteren, of het oude verhaal horen over een man die niet door volksgenoten maar door een vreemdeling, een Samaritaan geholpen werd: het zijn symbolen, rituelen en verhalen die iets met ons doen, ten goede of ten kwade. En iets met ons doen dat niet dan met grote moeite zonder symbolen en rituelen te bereiken zou zijn.

We interpreteren onze eigen ervaringen met behulp van religieuze en andere voorstellingen die ons door de traditie zijn geleverd. We voelen ons getroost of geborgen, klagen onrecht aan of verwonderen ons over het bestaan. Net zoals we om over geld of mooie muziek te spreken niet genoeg hebben aan de taal van de natuurkunde, zo kan ook een religieuze manier van spreken in een materiële wereld legitiem zijn, omdat we met deze beladen woorden een taal in handen hebben die de ervaringen vormt in het licht van een omvattend wereldbeeld, waarin waardering en werkelijkheid beide aan de orde zijn.

Zo kunnen we misschien begrijpen waarom religieuze termen en voorstellingen voor mensen aantrekkelijk en effectief zouden kunnen zijn. Maar daarnaast is er de vraag of bij een materiële wereld een religieus wereldbeeld mogelijk is. Als alles begrepen kan worden als gedragen door materiële processen, is er dan nog wel enige grond voor verwondering, of zelfs voor geloof? De bliksem begrijpen we nu toch als een elektrische ontlading, en niet als uiting van de dondergod?

Wetenschappers leveren antwoorden, maar geven ook telkens vragen door. De architect besluit beton te gebruiken. Daarbij heeft hij, hopen wij, kennis over de krachten die dat beton kan verdragen. Als iemand zou vragen waarom die krachten zo zijn, dan zou de architect verwijzen naar een ingenieur die materialen onderzoekt. Die materiaalonderzoeker kan vertellen over het empirische onderzoek en over de theorie, over de treksterkte en de kans op breuk. Een andere ingenieur weet misschien uit welke aardlagen het gebruikte cement en zand afkomstig zijn. Als je vraagt hoe die lagen gevormd zijn, dan zal verwezen worden naar een geoloog. Die houdt een verhaal over het afslijten van gebergten en het afzetten van zand en grind door rivieren. Maar als je blijft zeuren en vraagt waar de chemische elementen waar het zand uit bestaat, vandaan komen, dan zal de geoloog moeten zeggen dat die er al waren bij het begin van de Aarde. De sterrenkundige kan uitleggen hoe in sterren zich uit waterstof andere elementen hebben gevormd. Dan kan weer gevraagd worden waar de waterstofatomen vandaan zijn gekomen.

Zo, in een notendop, geven wetenschappers telkens antwoord op vragen die op hun terrein liggen, én schuiven ze andere vragen door. Uiteindelijk blijven er vragen over de fundamentele regels over: Waarom gedraagt materie zich zoals zij zich gedraagt? Waarom zijn de natuurwetten zoals ze zijn? En er zijn vragen van historische aard: Waar komt het bestaande uiteindelijk vandaan? Dergelijke vragen duiken telkens weer op. Met het succes van de wetenschappen verdwijnen dit soort vragen niet. Onze horizon komt verderop te liggen.

Zelfs indien de kosmologie en natuurkunde met een complete theorie zouden komen, een theorie die alle bekende verschijnselen zou verklaren, dan blijven er onbeantwoorde vragen. Stel je voor: in één artikel, in één enkele formule staat het antwoord op al onze vragen. Dat artikel staat op een stuk papier; de formule bestaat uit symbolen. Maar waarom is er een werkelijkheid die zich gedraagt zoals die formules beschrijven? Het is als met een beroemde prent van de Belgische schilder Magritte. Hij heeft heel nauwkeurig een pijp getekend, zo'n pijp waarmee tabak gerookt wordt. Er onder staat: Ceci n'est pas une pipe dit is geen pijp. En dat is waar ook. Het is een afbeelding van een pijp. Je kunt er geen tabak instoppen. Er blijft verschil tussen een afbeelding, hoe goed ook, en de werkelijkheid. Zo is het ook met een wetenschappelijke theorie: de vraag blijft waarom de werkelijkheid zich zo gedraagt als de theorie zegt.

Het is volgens mij onjuist om problemen en puzzels binnen de wetenschap op te blazen tot mysteries. De natuurwetenschappelijke weg naar kennis is een zeer succesvolle gebleken. Het onweer is geen stem van de goden en ook geen mysterie. Maar dat betekent niet dat wij ons niet meer zouden kunnen verwonderen over de werkelijkheid waarvan wij én het onweer deel uitmaken. Integendeel, uiteindelijk blijft het bestaan een mysterie.

Is dit de plek om een religieus wereldbeeld te verankeren? Ja en nee. Nee: wanneer we constateren dat we aan een grens van het weten staan, dan moeten we niet pretenderen om ook te weten wat aan gene zijde ligt. Dan zijn we bezig als de theoloog die colleges gaf over de eigenschappen van God, en daarbij ook uitgebreid sprak over de onkenbare eigenschappen Gods. De pretentie zo te kunnen spreken respecteert niet het besef van grenzen van het kennen.

Ja: in die zin dat indien iemand nu van God als schepper of bron van het bestaan zou willen spreken, deze theïst dat zou kunnen doen in relatie tot dergelijke grensvragen. Maar de spinozist die deze wereld haar eigen grond acht, of de agnost die meent dat we ten laatste het antwoord niet zullen weten, kan evenzeer de eigen visie tegen deze achtergrond verwoorden. Zo is het, lijkt mij, niet mogelijk om te kiezen tussen verschillende visies. We hebben, met alle kennis over onze wereld als een materiële wereld, een context waarin essentiële aspecten van klassieke posities in relatie tot hedendaagse kennis over de werkelijkheid opnieuw verwoord kunnen worden.

Ook in andere opzichten laat een materiële wereld een religieus wereldbeeld toe. Of wij de wereld ten diepste zinloos of zinvol achten, is niet af te lezen uit het materiële gebeuren. Zelf acht ik een materiële wereld hoog. Immers, als we zouden zeggen dat mensen niets meer zijn dan materie, dan moeten we ons beeld van materie opwaarderen. Kennelijk kan materie vliegen, zoals vliegen, vleermuizen, vogels en vliegtuigen doen. En materie kan denken, zichzelf onderzoeken, zoals wetenschappers en andere nuchtere burgers doen. En materie kan muziek scheppen, en gedichten, en nog veel meer. Materialisme haalt de mens niet naar beneden, maar laat zien wat een rijk potentieel er in materie aanwezig is, want alles wat wij hoog achten, is dan gerealiseerd in en door materie.

Er is echter veel in de religieuze tradities dat niet spoort met een door de wetenschappen geïnspireerd wereldbeeld. De bliksem is niet afkomstig van Donar en magische beïnvloeding zonder een materieel proces valt af. Ook een dualisme van stof en geest lijkt verloren te gaan. Wat dit betreft, lijkt een materialistische visie voor mensen met een religieuze levensoriëntatie een aanzienlijke prijs te hebben. Al moet die prijs ook niet overschat worden; naar mijn mening wordt religie tegenwoordig al te zeer vooral verbonden met magisch denken en voortleven na de dood. Degene die een SOS-boodschap uitzendt ('Save Our Souls') wil niet te horen krijgen dat zijn ziel gered is, maar wil zijn bezielde lichaam uit een benarde situatie verlost zien.

Het woord `ziel' gebruiken we dus niet altijd voor een ingrediënt naast het materiële; `bezield' kan ook slaan op kwaliteiten mogelijk gemaakt door de materie. Persoonlijk voortbestaan na de dood is niet essentieel wanneer het gaat om vertrouwen op de grond van het bestaan. In het bijbelboek Prediker staat aan het eind een passage die in de Nieuwe Bijbel Vertaling vertaald is als ,,Wanneer het stof terugkeert naar de aarde, weer wordt zoals het was, wanneer de adem van het leven naar God gaat, die het leven heeft gegeven.'' Je kunt hierin lezen dat de dood een scheiding van materie en ziel inhoudt. Maar ik lees het als een parallellisme, zoals wel vaker in de Hebreeuwse bijbel, waarbij twee keer hetzelfde wordt gezegd, met twee verschillende metaforen.

Indien er maar één type materie is, dan zijn wij allemaal uit hetzelfde hout gesneden. Dat is de holistische betekenis van reductionisme. Wij zijn geen vreemdelingen maar verwant aan al wat ook leeft, aan al wat ook is. Klassiek gesproken: we zijn allemaal schepselen, `kinderen van één Vader'. We zijn geworteld in al wat is, en daarmee heeft `al wat is' ook in zich de glans van de muziek, de schoonheid van de schilderkunst, en nog veel meer. Maar, niet te vergeten, ook de schaduwzijden van het bestaan.

Zo lijken me fundamentele thema's uit de religieuze beleving een plek te kunnen krijgen, ook in een wereld die door de bril van de natuurwetenschappen als `materieel' gezien wordt. Want die materie zelf, de potentie die in de materie aanwezig blijkt – inclusief de potentie om mens te worden – kan een niet-aflatende bron van verwondering zijn. Te weten dat we verbonden zijn met zoveel anderen én afhankelijk van zoveel dat aan ons is voorafgegaan, dat wordt niet minder maar meer met de toename van kennis. In een materiële wereld valt het religieuze misschien te begrijpen, zoals ik in de eerste helft van deze overweging heb betoogd. Maar die materiële wereld kan zelf ook in een religieus perspectief gezien worden, als gegrond in een bron van het bestaan die de materiële wereld te boven gaat. Het hoeft niet. Het zou kunnen.

Hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek aan de Universiteit Leiden, docent in de opleidingen Wereldgodsdiensten en Godgeleerdheid. Hij publiceerde diverse boeken over geloof en wetenschap, waaronder `Creation: From Nothing until Now' (Routledge, 2002). Kleinzoon van oud-premier W. Drees.