De bikkelharde praktijk

De praktijk sijpelt de muziekopleidingen binnen. `Er heerst in de conservatoria te veel een prima-donnamentaliteit'. Een debat tussen pop en klassiek.

`Wanneer een aspirant-student van de Rock Academie niet doordrongen is van het besef dat hij maar één procent kans heeft om een succesvol popmuzikant te worden, wordt hij niet aangenomen. Dat besef zou ook op de conservatoria moeten doordringen. Daar wordt iedereen opgeleid voor stermuzikant, maar de meeste komen uiteindelijk in het onderwijs terecht.'' In een zaal van het Nationaal Pop Instituut in Amsterdam trekt directeur Jaap van Beusekom van hetzelfde instituut en mede-initiatiefnemer van de Tilburgse Rock Academie van leer tegen de wereldvreemdheid van de conservatoria. De bijeenkomst van eind oktober, een initiatief van de Federatie van Kunstenaarverenigingen, is gewijd aan een ontmoeting tussen de muziekpraktijk en de muziekopleidingen.

Populair

Er heeft afgelopen jaren een kleine revolutie plaatsgevonden binnen de hbo-muziekopleidingen. Sinds afgelopen september heeft Nederland vijf popopleidingen. Een unicum in de wereld. Vergelijkbare opleidingen bestaan alleen in het Amerikaanse Berkeley en het Engelse Liverpool. Na de de Fontys Rockacademie in Tilburg, die vier jaar geleden het spits afbeet, hebben de conservatoria in Amsterdam, Enschede, Rotterdam ook eigen popafdelingen opgezet. In het noorden van Nederland is in navolging van de Rockacademie gekozen voor een zelfstandige Academie voor Popcultuur, een samenwerkingsverband van de Hanzehogeschool Groningen en de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden. En populair zijn de popopleidingen zeker: in Tilburg zijn er bijvoorbeeld ieder jaar 2000 aanmeldingen waarvan uiteindelijk maar veertig studenten worden aangenomen. In heel Nederland is er ieder jaar plaats voor ongeveer 130 popstudenten.

In de klassieke muziekwereld is een tegenovergestelde beweging te zien. Nanette van Ris, senior consulent van de Kamervraag, het landelijk sectorinstituut voor kamermuziek vraagt zich bijvoorbeeld af of er niet te véél klassieke muziekopleidingen zijn. ``Want er zijn te veel afgestudeerden in verhouding tot de werkgelegenheid.'' Volgens een eigen onderzoek van de Kamervraag zijn er in Nederland 16 opleidingen waar in totaal 5.000 studenten een klassieke muziekopleiding volgen. In 2001 studeerden iets minder dan 1000 studenten op de conservatoria af. Uit cijfers van de hbo-raad blijkt dat twee jaar na het afstuderen 24 procent werkzaam is als uitvoerend musicus, maar noch de aard van het werk noch de hoeveelheid werk (full time of slechts nu en dan een concert) wordt gespecificeerd.

Veertig procent van de afgestudeerden is na twee jaar ook werkzaam als docent muziek en tussen beide groepen bestaat overlap, maar het is niet bekend hoe groot die is. Er zijn 17 gesubsidieerde orkesten in Nederland, maar weinig afgestudeerden vinden daar momenteel een plek. Daarnaast zijn er nog 29 ensembles die opgenomen zijn in de Cultuurnota, maar daar kunnen muzikanten niet full time hun brood verdienen. Volgens Nanette van Ris zijn studenten onvoldoende voorbereid op de harde praktijk. ``Er zal veel meer selectie en specialisatie op de opleidingen moeten plaatsvinden. Nu hebben studenten vaak geen weet van de praktijk. Te veel studenten denken gewoon aan het werk te komen en zijn verontwaardigd als dat niet lukt. Er heerst te veel een prima-donnamentaliteit.''

Verweer tegen deze kritiek komt van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Anthony Zielhorst, hoofd afdeling Klassieke Muziek en lid van het Netwerk Muziek van de hbo-raad: ``Wat Nanette van Ris zegt is volkomen achterhaald. De conservatoria zijn wel degelijk doordrongen van de praktijk. Elk conservatorium heeft inmiddels in het studieprogramma tijd en aandacht voor de realiteit na de opleiding. Zo kunnen studenten van het Koninklijk Conservatorium tegenwoordig hun studie verrijken met extra vakken, zowel binnen de opleiding als aan de Universiteit van Leiden. Dat leidt tot een ruimere blik en grotere flexibiliteit. Tot ons grote genoegen lijdt het muzikaal niveau van de student er niet onder. Studenten gaan door twee studies economischer om met hun tijd en werken doelmatiger.''

In Tilburg is intussen afgelopen september de eerste lichting studenten van de Rock Academie afgestudeerd. Het is nog te vroeg om iets zinnigs te zeggen over hun toekomstperspectieven. Maar wat betreft lesinhoud is er een opvallend verschil met de klassieke opleidingen. De helft van de opleiding bestaat uit muzieklessen en de andere helft uit een specialisatie; muziekdocent, techniek, performer of de zakelijke kant. Maar liefst zestig procent van de studenten kiest voor de commerciële richting. Van Beusekom: ``Popmuziek is ontstaan uit artistieke inhoud en commercie. Deze generatie studenten is daar zeer van doordrongen. Ze zijn realistisch. Een carrière als popster is voor weinigen weggelegd. De meesten zullen hun brood op een andere manier in de popbranche verdienen. Gesubsidieerde popmuzikanten zonder publiek bestaan niet. De strijd om het bestaan van een popmuzikant is bikkelhard. In de klassieke kamermuziek heeft men het daarentegen over speelbeurten en subsidiebeurten. Uitdrukkingen die haast soft-pornografisch zijn!''

Volgens Bert Holvast van de Federatie raakt deze vergelijking kant nog wal. ``Álle musici zoeken publiek en doen het met en zonder subsidie. In de popmuziek spelen subsidies ook een belangrijke rol. Neem alleen al het Nederlandse Popmuziek Plan. Bij de vijftig belangrijkste podia is twintig procent van de optredens gesubsidieerd en bereikt ook twintig procent van het publiek. Subsidie waar ook de studenten van de popopleidingen belang bij hebben omdat zij op déze poppodia hun eerste ervaringen opdoen.''

Kwaliteit

Nanette van Ris voorziet niettemin grote problemen als de klassiek opleidingen onvoldoende rekening blijven houden met de veranderde praktijk. ``In de kamermuziek staan het aantal concerten en ook de inkomsten van musici al onder druk. Dat zal gezien de bezuinigingen niet beter worden. De vraag moet gesteld worden of zoveel studenten zonder werk in de muziek nog te verantwoorden zijn.'' Anthony Zielhorst van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag pleit voor een betere samenwerking tussen de muziekopleidingen. ``In plaats van elkaar te beconcurreren kunnen we ons beter richten op kwaliteit. Uit de beroepspraktijk wordt steeds meer van de afgestudeerde musici geëist. Ze moeten eersteklas vaklui zijn die bovendien multi-inzetbaar zijn. Dat betekent dat we beter moeten opleiden en scherper selecteren. Het niveau van de studenten die bij ons binnenkomen moet omhoog. We zullen ons meer moeten richten op het voortraject zoals onze eigen vooropleidingen en daarnaast ook scholen voor basis- en voortgezet onderwijs en muziekscholen. Daar zullen aspirant studenten al ontdekt moeten worden en eerder geconfronteerd worden met de muziekpraktijk. De tijd van het smalle pad naar de ivoren toren is voorbij.''

    • Anja Vink