Als een mug tegen de gevangenismuur

Op 11 september 2001 werd Benamar Benatta gearresteerd. Hij zou achter de Al-Qaeda-aanslagen zitten. Twee maanden later liet de FBI dat idee varen, maar Benatta bleef zeven maanden gevangen in barre omstandigheden. Het duurde 17 maanden voordat een rechter de zaak tegen hem kraakte – hij zit nog steeds vast. Benatta's lot is verre van uniek. Nood breekt wet, vindt president Bush. Twee gerechtshoven en de inspecteur-generaal van justitie spraken vorige week een vernietigend oordeel uit over zijn justitiebeleid sinds 911.

Benamar Benatta staat opeens in de spreekcel, vriendelijk, afwachtend. Hij heeft zijn oranje gevangeniskiel met te wijde V-hals mogen verwisselen voor het bezoek-hemd. Dat ziet er minder vormeloos uit en heeft een kraag en lange mouwen. Een glazen wand scheidt hem van het bezoek. Via een telefoon met een korte, in metaal gewikkelde draad kunnen we praten.

Benatta vertelt een verbijsterend verhaal. Wat hij in 27 maanden heeft meegemaakt in Amerikaanse gevangenschap is zo schokkend dat zijn gelijkmoedigheid bijna verdacht aan doet. Waarom is deze man niet razend, of gebroken, of bitter? Misschien is hij zichzelf niet meer. Alleen zijn familie kan het zeggen, maar die heeft hij al die tijd niet meer gezien of gesproken.

Acht maanden eenzame opsluiting, weken 24 uur per dag licht, ieder uur gewekt door gebons op de celdeur. Met zijn hoofd routinematig tegen de muur geknald door gevangenisbewakers. Kettingen achter de rug om z'n polsen – veel te strak – bij elkaar te binden. Dagelijks uitgescholden. Beschuldigd van de moord op 3.000 mensen. Zonder een begin van een strafproces.

Kan dat allemaal waar zijn? In The Land of the Free, het land dat zich ten doel heeft gesteld de wereld de zegeningen van de democratische rechtsstaat te brengen. Ja, het blijkt waar te zijn. Dat weten we langs een weg die alleen beschikbaar is in een democratie.

Eind vorige week publiceerde de inspecteur-generaal van de Amerikaanse justitie een rapport dat vaststelde dat het soort wanbehandeling waar Benamar Benatta over vertelt systematisch is voorgekomen in het Metropolitan Detention Center in Brooklyn, New York. Daar werden na de aanslagen van 11 september 2001 naar schatting 760 mannen, meest moslims van buitenlandse herkomst vastgezet. Ieder van hen kon het brein achter `911' zijn.

Puntje tandpasta

De inspecteur heeft ondanks grondige tegenwerking videobanden gevonden waarvan het bestaan was ontkend door gevangenisautoriteiten. Op die banden is te zien hoe bewakers gevangenen met kettingen knevelen en hun hoofden tegen een op de muur geplakt T-shirt rammen. Op het T-shirt staat een Amerikaanse vlag afgebeeld met daaronder de tekst `Deze kleuren lopen niet uit' (These colors don't run). De meeste ondervraagde bewakers konden niet uitleggen waarom er bloedvlekken op het shirt zaten; drie vertelden dat het de plek was waar `911'-gevangenen hun eerste hardhandige kennismaking met de gevangenis werd bereid. Als een mug tegen de gevangenismuur.

Volgens het rapport zijn minstens twintig bewakers betrokken geweest bij deze praktijken. Zij ontkenden het wangedrag dat zij op de banden duidelijk zichtbaar pleegden. ,,Als deze incidenten [op de gevonden videobanden] een aanwijzing geven van wat er gebeurde als de camera liep, dan kun je je afvragen wat er is gebeurd wanneer de camera níet liep'', zei inspecteur-generaal Glenn Fine tegen The Washington Post. ,,Dat geeft reden tot grote zorg.''

Op het moment van de aanslagen zat Benatta vast in Canada omdat hij geen geldig visum bezat. Hij was op 5 september 2001 noordwaarts de Amerikaanse grens over gekomen, van plan om asiel te vragen. Eerst wilde hij dat in Amerika doen, maar hij had gehoord dat Canada iets toeschietelijker was. Benatta, wiens visum in juni 2001 was verlopen, kwam op oudejaarsdag 2000 naar de Verenigde Staten als lid van een veertigkoppige groep van de Algerijnse luchtmacht, die voor een geheim contraterrorismeproject een half jaar stage liep bij Northrop-Grumman.

Benatta (29) wil niet zeggen waar het project over ging, maar het had te maken met het seinen van beelden uit de lucht naar de grond. Voordat hij zijn vaderland verliet, wist hij dat hij niet zou terugkeren. Dat had hij zijn ouders ook verteld. Als hij nu zou teruggaan, of wordt gedeporteerd, zit hij – als hij geluk heeft – de rest van zijn leven in de gevangenis, daar is hij van overtuigd. Waarom? Omdat hij `een akkefietje' met het regime had. De regering in Algiers zou hem zijn desertie extra kwalijk nemen vanwege de `speciale rol' die hij in de missie van de groep van veertig had.

Voor het eerst komt er wat kleur op het bijna lieve gezicht van de gedetineerde als hij vertelt over zijn eerste maanden in vrijheid, nadat de meeste teamgenoten terug naar huis waren gereisd. Benatta had wat spaargeld, vond een kamer bij een Russisch-joodse medewerker van een advocatenkantoor in de New Yorkse wijk The Bronx en legde 800 dollar neer om de Bartenders Academy te bezoeken. Hij leert screwdrivers mixen maar vindt geen werk, want hij spreekt nog weinig Engels.

Met behulp van de `Hebrew Immigrant Aid Society' probeert hij zijn visum te verlengen. Als zijn geld op is, druipt hij af om zijn heil in Canada te zoeken. Zonder succes. Bij de grens sluit men hem op om te voorkomen dat hij zich het leven beneemt tijdens het onderzoek – hij was depressief volgens de Canadese douanemannen. Ver komen zij niet met het natrekken van Benatta 's achtergrond.

De Canadezen dragen Benatta op de avond van de aanslagen over aan de FBI. Na vier dagen in de douanegevangenis in Batavia, bij Buffalo, wordt hij naar Brooklyn gebracht. Op zijn cel kalken bewakers de letters `WTC'. Toen hoorde hij pas wat er die ochtend was gebeurd, vertelt hij. Hij begreep dat hij als Algerijn, mohammedaan en ingenieur in luchtvaartelektronica alles tegen had. Een bewaker prentte hem in dat hij de gevangenis nooit meer uit zou komen als hij ontkende.

Het regime in Brooklyn is bar. Na drie maanden 24 uur per dag eenzame opsluiting mag hij een uur per dag zijn cel uit, maar hij kan bijna niet meer lopen door gebrek aan oefening. De flarden verschrikking komen langzaam bij hem terug. Benatta mag douchen noch scheren. Hij krijgt twee keer in de week een puntje tandpasta. Hij gaat er steeds meer uitzien als een terrorist. Pas na vijf maanden mag zijn haar worden geknipt en krijgt hij een kinderboek te lezen. Wat hij het meest vernederend vond: ,,Als ik wc-papier nodig had, moest ik roepen.''

Videobanden

Op 15 november 2001 concludeert de FBI dat Benatta niets te maken heeft met terrorisme. Maar hij hoort dat niet en is er pas deze zomer, vijf maanden geleden, achter gekomen dat justitie hem toen al niet meer verdacht van `911' of iets wat daar mee te maken heeft.

In december 2001 wordt hij beschuldigd van het dragen van een vals paspoort, en op die grond wordt een arrestatiebevel tegen hem uitgevaardigd hoewel hij al vier maanden vastzit. Dat alles wordt hem pas verteld kort voordat hij in april 2002 weer naar Buffalo wordt overgebracht. Daar krijgt hij voor het eerst een advocaat, maar voor het zover is wordt Benatta een schikking aangeboden. Als hij schuld bekent, komt hij er af met een gevangenisstraf van zes maanden (die hij er al op heeft zitten).

Benatta weigert en verhuist weer naar de vriendelijker gevangenis in Batavia, niet ver van de Niagara-watervallen en de Canadese grens. Joe Mistrett is de federale public defender in Buffalo, een advocaat in dienst van de overheid die mensen met weinig geld bijstaat in strafzaken. Diens verontwaardiging `als Amerikaans staatsburger' was snel gewekt. Hij kreeg Benatta's zaak op 12 december, ,,maar men had er om precies te zijn 139 dagen voor nodig om hem uit New York terug te brengen naar Buffalo''.

Volgens Mistrett probeerde justitie het gebrek aan toegang tot een advocaat te verdedigen door te zeggen dat Benatta nog niet voor een rechtbank was verschenen. ,,Een zwakkere rechter had het geaccepteerd'', zegt Mistrett. Niet magistrate judge H. Kenneth Schroeder jr. Die heeft overigens 17 maanden nodig om de zaak te ontwarren. In september 2003 velt hij een vernietigend vonnis over Benatta's rechtsgang, of het gebrek daaraan.

De rechter in Buffalo erkent dat de gebeurtenissen van 11 september 2001 justitie dwongen iedereen aan te houden die iets te maken kon hebben met die ,,verwerpelijke daden''. Een Algerijnse luchtmachtofficier die vlak voor `911' de VS verlaat valt zeker onder de mogelijke verdachten. Maar, schrijft Schroeder in een zorgvuldige bespreking van de zaak, ,,het doel heiligt niet de middelen''. Benatta werd ,,blootgesteld aan een niet-gerechtvaardigde en ruwe detentie'' en daarmee ,,van zijn vrijheid beroofd''.

Rechter Schroeder stelt vast dat Benatta zeven maanden in deze omstandigheden werd vastgehouden, terwijl na twee maanden al was geconcludeerd dat hij geen terrorist was. Een eerste rapport van de inspecteur-generaal van justitie legde eind juni al de vinger op ontoelaatbare toestanden in Brooklyn, al ontbraken de vorige week `gepubliceerde' videobanden die onomstotelijk bewijzen dat de klachten van gevangenen hout snijden.

Voor Benamar Benatta werd volgens de rechter zijn grondwettelijke `recht op een snel en eerlijk proces' geschonden. Daarbij ,,spanden de FBI, het openbaar ministerie en de Immigratiedienst samen om het te doen lijken alsof Benatta steeds wegens een immigratie-overtreding vastzat, terwijl men duidelijk zocht naar een `911'-misdrijf''. De pogingen van justitie dat te ontkennen ,,grenzen aan het belachelijke'' schrijft de rechter. Hij ontslaat Benatta van rechtsvervolging.

Borgsom van 25.000 dollar

Dat was september. Nu is het bijna 2004 en Benamar Benatta zit nog steeds vast in Batavia, New York, wachtend op een immigratie-beslissing: asiel of uitzetting. Hij mocht op borgtocht vrij, maar de benodigde 25.000 dollar kan hij op geen enkele manier bij elkaar brengen. Zijn advocaat constateert dat de borgsom wel erg hoog is voor een immigratiezaak; 4000 is een normaler bedrag.

Nu leest Benatta boeken uit de bibliotheek, zo veel hij wil, Jeffrey Deaver, Patricia Cornwell, James Patterson. Als hij ooit vrij komt, wil hij zelf ook wel een boek schrijven, in het Engels – hij heeft de taal in de gevangenis wel geleerd, al klinkt er nog een laagje Franse grondverf door.

De zaak van Benamar Benatta is inmiddels in handen van een pro deo immigratieadvocaat. Zijn strafadvocaat Joe Mistrett waagt zich nauwelijks aan commentaar op Benatta's 27 maanden opsluiting. Hij heeft nooit het recht van justitie bestreden om een man met zijn geschiedenis aan de tand te voelen. Alleen heeft hij consequent gewezen op alle procedurefouten. Mistrett meent dat hem ten onrechte ieder FBI-verslag is onthouden dat de gang van zaken begrijpelijk zou kunnen maken. ,,Ik weet van `911', maar dat geeft justitie geen carte blanche om de advocaat essentiële feiten en stukken te onthouden.''

Of het een keten van slordigheid is of dat justitie bleef hopen Benatta te kunnen aanwijzen als een brein achter de aanslagen die Amerika beroofden van zijn onbezorgdheid, de advocaat durft het niet te zeggen. Benatta's geval is zeker wel onderdeel van een breder probleem, zegt David Cole. Hij is hoogleraar aan Georgetown University in Washington en specialist in mensenrechten. In New York treedt hij als advocaat op voor een aantal andere `ontvangers' van het antiterreurbeleid van de Amerikaanse justitie.

In zijn net verschenen boek Enemy Aliens trekt Cole vergelijkingen met inperkingen van de burgerrechten tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog (toen 110.000 Japanners en Amerikanen van Japanse afkomst werden gedetineerd) en de communistenjacht onder leiding van senator Joseph McCarthy in de jaren '50. Velen nemen aan dat Amerika heeft geleerd van die pijnlijke episodes en die fouten niet opnieuw maakt, schrijft Cole. Hij waarschuwt tegen dat optimisme: ,,Wat de regering buitenlanders nu aandoet is een voorbode van wat zij ons Amerikanen zal aandoen. Alle repressieve maatregelen beginnen met buitenlanders.''

Op een recente bijeenkomst bij het American Enterprise Institute, de nauw met de regering-Bush gelieerde denktank in Washington, kruiste Cole de degens met voorvechters van het sinds `911' gevolgde justitiebeleid. Twee van hen speelden een belangrijke rol bij het opstellen van de kort na de aanslagen aangenomen USA Patriot Act. In die wet krijgt justitie meer bevoegdheden om mogelijke betrokkenen bij terreurdaden op te sporen. Michael Chertoff was tot voor kort assistant attorney general, de hoogste strafrechtman onder minister van Justitie John Ashcroft. John Yoo werkte als wetgever op het ministerie en is hoogleraar constitutioneel recht, verbonden aan de universiteiten van Californië (Berkeley) en Chicago.

Terwijl David Cole sprak over ,,de ergste schending van de mensenrechten in Amerika sinds Tweede Wereldoorlog'', wezen deze praktijkmensen op de bescheiden vernieuwingen die de Patriot Act had gebracht. Veel aanpassingen had men onder president Clinton al willen doorvoeren en hadden te maken met technologische ontwikkelingen. Degenen die zich er fel tegen verzetten ,,vechten de vorige oorlog uit'', meende Yoo. Chertoff ontkende het door Cole voorgerekende getal van `ruim 5.000' van terreur verdachte gedetineerden sinds 11 september. Hij weigerde een zijns inziens juistere schatting te geven.

Zij kregen steun van de formidabele debater Ruth Wedgwood, hoogleraar `internationaal recht en diplomatie' aan de Johns Hopkins University School of Advanced International Studies. ,,Het probleem met de Patriot Act is de naam. Ik zou het de `Technische Amenderingswet Internationaal Strafrecht' of zoiets saais hebben genoemd'', zei Wedgwood. ,,Nu zijn we in een heilloze culturele richtingenstrijd terechtgekomen, maar een feit is dat de inlichtingendiensten dankzij de wet eindelijk kunnen samenwerken. Vóór de Patriot Act kon je geen telefoon aftappen zonder dat iemand werd verdacht van door de `staat' gesponsord terrorisme''.

De verdedigers van het gevoerde beleid hielden vol dat de kolossale gevaren die uitgaan van het nog lang niet overwonnen internationale terrorisme de regering niet alleen het recht, maar zelfs de plicht geven alle wegen te bewandelen om herhaling te voorkomen. Volgens John Yoo bewegen de burgerrechten zich sinds de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten in een opgaande lijn. In tijden van crisis worden die rechten wat ingeperkt, maar daar leert men van en `na de noodtoestand' worden gemaakte fouten gecorrigeerd en herneemt de lijn zijn opwaartse koers.

Wanneer is `de oorlog tegen het terrorisme' voorbij en wie bepaalt dat, vroeg Cole. Dat is inderdaad moeilijk te zeggen, erkende Yoo: ,,Als Al-Qaeda de Verenigde Staten niet meer kan schaden.'' Cole: ,,Dan is het beter te spreken van een `Oorlog tegen Al-Qaeda' dan `de Oorlog tegen het Terrorisme' waar de president en de minister van Defensie Donald Rumsfeld voortdurend losjes naar verwijzen''. Cole werd bijgevallen door Patricia Wald, een oudgediende uit de Amerikaanse rechtspraak die van 1999 tot 2001 zitting had in het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag.

Wald rondde haar afgewogen bijdrage fel af: ,,Ik heb bezwaar tegen de inrichting van een ondervragingsgoelag, of het nu in eigen land of in Guantánamo is. Dat gaat uit van het idee dat onbeperkt ondervragen het enige is dat telt in deze strijd. Intussen zitten te veel mensen in een rechtsvacuüm. Ik heb niet de indruk dat er een weloverwogen procedure wordt gevolgd. De regering heeft zich te veel ruimte gegund en de gedetineerden moeten maar afwachten wanneer zij weer in een gewone strafprocedure terechtkomen.''

Misdaadboeken

Benamar Benatta mag in de gevangenisbibliotheek in Batavia naar hartelust misdaadboeken lezen en televisie kijken, maar daarmee kan hij het debat over zijn lot en dat van misschien duizenden anderen in de Verenigde Staten en elders op geheime Amerikaanse bewaarplaatsen rond de wereldbol niet goed volgen. Wat voor hem telt is zijn asielaanvraag. Als wij uit het bezoekershokje met de glazen scheidingsmuur zijn bevrijd en bij wijze van gunst (wegens goed gedrag?) in een spreekkamertje voor advocaten mogen zitten, vertelt Benatta bijna verlegen over zijn droom.

Hij besloot al in 1997 om te proberen weg te komen uit Algerije. Hij wist zich op de lijst voor de training bij Northrop te laten zetten, fluistert hij trots. Amerika was zijn doel. Dat blijkt lastiger te realiseren dan hij had voorzien. Maar hij is niet boos op Amerika: ,,Een paar mensen hebben fouten gemaakt. Dat kan ik het hele land toch niet aanrekenen? Hier is tenminste een rechtssysteem. Ik heb veel geleerd over Amerika. Ik had tijd genoeg om de grondwet te lezen, met alle amendementen. Ik vind het een mooie grondwet.''

Het zit hem dwars dat niemand verontschuldigingen heeft aangeboden. Hij wil graag dat zijn naam wordt gezuiverd. ,,Wie neemt mij anders ooit in dienst?'' Benatta moet er niet aan denken dat hij terug moet naar Algerije. Hij lacht om de geruststellende ingezonden brief van de Algerijnse ambassadeur in Washington die onlangs verzekerde dat op desertie maximaal twee jaar staat en dat verdwijningen bijna niet meer voorkomen.

,,Ik kwam voor de Amerikaanse droom en om een gezin te stichten'', zucht Benamar Benatta. Hij gaat rechtop zitten als hij vertelt dat hij verder wil studeren in de luchtvaartelektronica aan Columbia University of MIT. En dan, alsof hij zichzelf ziet zitten in zijn gevangenispak: ,,Ik ben wel een beetje boos. 27 maanden is vrij veel als je geen misdaad op je geweten hebt.''

    • Marc Chavannes