Zweedse kinderopvang is `basisservice'

In Nederland vinden veel ouders de kinderopvang zo duur dat werken (bijna) niet meer rendabel is. De Zweedse regering garandeert goede, betaalbare kinderopvang voor iedereen.

Zweden is een Mekka voor ouders. Verlofregelingen zijn royaal en de overheid garandeert binnen enkele maanden na inschrijving een plaats op de kinderopbang. De kosten zijn voor ouders relatief laag, omdat het grootste deel via de belasting wordt betaald. Kinderopvang, luidt de redenering, is goed voor kind en ouders, en daarmee voor de maatschappij als geheel. Onderzoek in de jaren zeventig en tachtig wees bovendien uit dat hoge kosten van kinderopvang, voor een groot deel worden terugverdiend doordat beide ouders aan het arbeidsproces kunnen deelnemen.

De manier waarop de kinderopvang is georganiseerd, past binnen de Zweedse overtuiging dat de samenleving tot op grote hoogte maakbaar is – en de mensen kneedbaar. De eerste barnkrubba, crèche, opende in 1854 zijn deur en was bedoeld voor kinderen van alleenstaande moeders die moesten werken om in hun levensonderhoud te voorzien. In dezelfde tijd ontstond ook de arbetsstugor. Daar konden kinderen van de armen kennismaken met de waarden van de Zweedse samenleving en zich een beetje scholen. Die twee elementen – ouders de vrije hand geven om deel te nemen aan het arbeidsproces en kinderen opvoeden in het waardenstelsel van de Zweedse samenleving – vormen nog steeds de basis van het systeem.

Langzaam ontdeed de opvang zich van het stigma van veredelde armenzorg. De landelijke overheid begon zich na de Tweede Wereldoorlog intensiever met de zorg te bemoeien, onder meer door subsidiëring. De lokale overheid nam een groot deel van de organisatie op zich. Vooral in veel steden verrezen instellingen voor voorschoolse activiteiten. Chrèches en jeugdwerkplaatsen voor armen maakten plaats voor daghem (dagopvang) en fritidshem (vrijetijdscentra).

In de jaren zestig groeide het besef dat de kinderopvang een rol kon spelen bij het streven naar een gelijkwaardige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt. Dat heeft gewerkt want meer dan 80 procent van de Zweedse vrouwen heeft een baan. Nog steeds geldt dat als een van de belangrijkste doelstellingen van de opvang. ,,Het uitgangspunt is, dat mensen goede, betaalbare kinderopvang nodig hebben, zodat ze de mogelijkheid krijgen om te gaan werken'', aldus David Bainbridge, een Britse werknemer van Ericsson die woont in een voorstad van Stockholm, in een gesprek met de BBC. ,,Het is een soort basisservice. Het hoort net zo bij de infrastructuur van naar het werk gaan als goed openbaar vervoer. Het land zou in rep en roep zijn als daarop werd beknibbeld.'' Bainbridge vertelt dat de opvang bijna altijd in de eigen buurt is en vaak al vanaf zes uur in de ochtend geopend. ,,De kinderen ontbijten en lunchen op de crèche, en het eten is bij de prijs inbegrepen.''

De kosten voor deze zorg bedroegen in 2000 ongeveer veertig miljard kronen, 4,4 miljard euro. Het grootste deel daarvan wordt betaald door de lokale overheid, die ruim dertien procent van haar begroting aan opvang van jonge kinderen besteedt. De bijdrage van de ouders is de afgelopen jaren toegenomen en bedraagt nu zo'n negentien procent van het totaal. Maar om te voorkomen dat ze het niet meer kunnen betalen, hoeven ouders sinds vorig jaar nooit meer dan drie procent van hun inkomen aan kinderopvang te besteden, met een maximum van 126 euro per maand voor het eerste kind.

Toen de sociale kant van de kinderopvang geregeld was, verschoof de aandacht naar de educatieve zorg. Sinds 1996 is niet het ministerie van Sociale Zaken, maar dat van Onderwijs verantwoordelijkheid voor de organisatie. Inhoudelijk leidde dat tot grote veranderingen. De onderwijswet van 1998 saneerde de bestaande opvang en legde de nadruk op de zogeheten förskolor, de pre-school.

Driekwart van alle Zweedse kinderen van één tot vijf jaar staat ingeschreven bij zo'n förskoler of bij een andere vorm van opvang. Daarna zijn er speciale (gratis) klassen die kinderen voorbereiden op de echte school – vanaf hun zevende zijn kinderen pas leerplichtig. In de periode tot hun eerste verjaardag is er voor de meeste kinderen geen opvang. Dat is niet nodig, want de verlofregeling voor jonge ouders – 360 dagen met doorbetaling van 80 procent van het inkomen, desgewenst op te nemen in deeltijd – is riant.

Daarnaast hebben jonge ouders recht op nog eens 90 verlofdagen waarvoor ze een kleine financiële vergoeding krijgen. En bij ziekte van het kind mogen ouders de zorg op zich nemen en betaald vrijnemen. Een speciale ombudsman let erop dat werkgevers ouders (vrouwen én mannen) in staat stellen om ouderschap en werk te combineren. Zo klaagde radiojournalist Claes Lundkvist met succes tegen een verandering van zijn werktijden waardoor hij zijn kind niet meer naar de crèche kon brengen.

Toch bestaan zelfs in Zweden klachten over het systeem. Critici menen dat de kwaliteit van de opvang te lijden heeft gehad onder bezuinigingen in de jaren negentig. Opvangcentra waren genoodzaakt om de groepen te vergroten. Anderen vinden dat het systeem ouders de onvoldoende keuze laat. Ze moeten wel beiden gaan werken, omdat de belastingen zijn zo hoog.

Maar de meeste Zweden zijn nog steeds tevreden. En partijen die de kinderopvang (en andere sociale verworvenheden) willen aantasten krijgen daarvoor bij verkiezingen veelal de rekening gepresenteerd. Ook het besluit van de Zweden om in een referendum `nee' te zeggen tegen de euro, heeft te maken met de angst dat Europese belastingharmonisatie Zweden zou dwingen tot verschraling van de voorzieningen.

,,Als je een samenleving wilt waarin het normaal is dat beide ouders werken, dan moet je de behoeftes van mensen serieus nemen'', zegt Gunnar Andersson, socioloog aan de universiteit van Lund, het hij spreekt daarmee namens de meeste Zweden. ,,School en kinderopvang moeten echt goed zijn, en flexibel.'' Zweden klagen niet over hoge belastingen, zolang ze waar voor hun geld krijgen.