Vis op het menu

Vis is niet het populairste gerecht voor op de kerstdis. Nederlanders, de autochtonen althans, zijn geen grote viseters. Ze vangen wel vis. En inderdaad: bij de vleet. De Urker, Katwijker en Scheveninger kotters vangen met hun geavanceerde apparatuur zóveel vis, dat de vangst periodiek aan banden moet worden gelegd omdat anders de Noordzee wordt leeggevist. Dat dat kan gebeuren toont het droeve lot van de kabeljauw aan. Van deze smakelijke vis zwemmen door overbevissing steeds minder exemplaren in de Noordzee rond. Grote kabeljauw is schaars geworden. De aanvoer is beperkt en de prijs is hoog. De meeste Noordzee-kabeljauw wordt tegenwoordig niet zwaarder dan een paar kilo en haalt nauwelijks de leeftijd van vijf jaar. Vroeger werden nog exemplaren van tientallen kilo's bovengehaald, maar die tijd is voorbij.

Daaraan hebben niet alleen de Nederlandse vissers schuld. De hele visserijsector in de Europese Unie is er door jarenlang handjeklap met de Brusselse politici in geslaagd van de Noordzee een knekelplaats-in-wording te maken. Niet alleen de kabeljauw heeft het zwaar. Ook soorten als schol, schelvis en heek worden overbevist. Het was Europees Commissaris Franz Fischler (Landbouw en Visserij) die vorig jaar de moed had het politiek gevoelige visserijdossier van de Unie aan te pakken. Zijn plan tot hervorming van het visserijbeleid getuigde van visie. Het legde met ingrijpende quotaregelingen de basis voor een duurzamere visserij. Het zou een einde maken aan de subsidieregeling voor de nieuwbouw van vissersschepen en greep in de schimmige handel met vangstquota in. Als nieuw instrument van vangstbeperking kwam Fischler met vermindering van het aantal dagen dat een schip op zee mag zijn. En hij stelde als eis dat er afspraken komen voor het beheer van de visserijgronden. Uiteraard was er verzet. De visserijlobby in Brussel weet politici te raken waar ze het gevoeligst zijn. Voor sommige landen is de visserij een belangrijke bron van werk en inkomsten. Politieke leiders vrezen de toorn van de vissers, die met hun kotters machtige wapens in handen hebben.

Eind vorige week bereikten de Europese visserijministers eindelijk een akkoord over een herstelplan voor de kabeljauw en de visquota voor 2004. In de eerste onderhandelingsronde over Fischlers plannen zei de Duitse minister Künast vorig jaar: ,,De vis wil dat er een oplossing komt.'' De vis wil dat nog steeds – en zeker de kabeljauw. Het zwakke in Fischlers aanpak is dat hij geen algeheel vangstverbod voor deze vis instelt. Biologen hebben dat wel geadviseerd. Het blijft bij een laag quotum om de sociale gevolgen voor de vissers enigszins te verzachten. Niettemin: wat van Fischlers voorstellen overeind is gebleven, heeft potentie. Maar alles hangt af van de integriteit van de lidstaten. Zij zullen werk moeten maken van vangstcontroles en quota-inspecties. Het is een publiek geheim dat sommige lidstaten veel meer vis aanlanden dan toegestaan. De kneep zit hem in (welbewust) falend toezicht en gebrekkige handhaving, kwalen die zo oud zijn als de Unie zelf.

Nederland moet als het volgend jaar EU-voorzitter wordt Fischlers lijn doorzetten voor andere vissoorten dan de kabeljauw. Tot nu toe werd de oplossing steevast gezocht in verlaging van de quota's. Dat biedt op termijn geen soelaas. Zoals de veehouderij een duurzame bedrijfstak moet worden, zo zal de visserij dat ook moeten. Minder schepen, moratoria en verifieerbare beheersafspraken voor de visserijgronden. Dat zijn de beste remedies.