`Te weinig afstand houden is obsceen'

De Oostenrijkse schrijver Norbert Gstrein weet dat je niet meer op een stoere verhalende manier over oorlog kan schrijven. In zijn laatste roman probeert de hoofdfiguur het tijdens de Balkanoorlog anders te doen, maar hij gaat tenonder aan de vermenging van feit en fictie, van zin en waanzin.

Serieuze auteurs van tegenwoordig willen niet meer op de Hemingway-manier over oorlog schrijven; de opvatting dat het bloedvergieten een stoer avontuur is gaat er bij hen niet meer in. Maar hoe beschrijf je de oorlog dan wèl? Die in Joegoslavië werd door maar weinigen in romans geboekstaafd; het onderwerp is nog te gevoelig of domweg te dichtbij. In het Duitse taalgebied waagden Gerhard Roth, Juli Zeh en Peter Handke zich aan het onderwerp, de eerste warrig en vaag, de tweede oppervlakkig en naïef, de derde extatisch en provocerend.

Nu heeft ook Norbert Gstrein een roman over de Balkan-gruwelen geschreven. Das Handwerk des Tötens problematiseert de stoere, de naïeve en de kitscherige weergave van die gruwelen – en is zelf óók een probleem. Een interessant probleem, want net als zijn personages raakt Gstrein betrokken bij een tragedie waartoe hij afstand wilde bewaren. Zijn personage Paul raakt er zo in verstrikt dat hij in Zagreb zelfmoord pleegt, en ook bij een van de andere hoofdpersonen loopt het schrijven dodelijk af.

Het schrijven, dat is hier de eigenlijke tragedie, en die andere hoofdpersoon, vormt het onderwerp van Pauls nooit voltooide grote roman. Christian Allmayer, een oorlogsverslaggever, wordt bij een reportage in Kosovo vermoord. Ook hij wilde onschuldig blijven en ook voor hem bleek dat een valkuil; ook hij kon uiteindelijk geen onderscheid meer maken tussen realiteit en fictie, tussen zin en waanzin. We weten niet eens zeker of de ik-verteller, een extreem sceptische man die met tegenzin besluit om Pauls roman af te maken, de missie levend volbrengt.

De extreem sceptische Norbert Gstrein overleefde het in elk geval wèl en zíjn roman kreeg zelfs een prestigieuze prijs. Tweeënveertig is Gstrein, zijn wieg staat in Tirol, hij woonde in Wenen, Parijs en Zürich en nu leeft hij in Hamburg, naast de Balkan de voornaamste plaats van handeling in zijn nieuwe boek. Voor een lezing en voor een bezoek aan de uitgeverij die Das Handwerk des Tötens in het Nederlands gaat uitbrengen is hij even in Amsterdam. Hij kijkt door de ruiten van het uitgevershuis naar de voetballende jongens op het Amstelveld en vraagt zich hardop af: ,,Zou ik niet hier kunnen komen wonen? Ik red me vast wel met Engels en wat Duits.' Hij moet van huis zijn om te kunnen schrijven: ,,Waar ik een buitenstaander ben voel ik me vrijer.'

Maar het buitenstaanderschap, het pure toekijken, trekt hij in zijn boeken juist in twijfel. Vooral als het om toekijken in een oorlog gaat. ,,Op een gegeven word je een deelnemer. Dan maak je je medeplichtig. Kijk maar naar de scène waarin Allmayer op zijn vraag aan een krijgsheer hoe dat nou voelt, het doden, zelf een wapen in de hand krijgt gedrukt. Er wordt een gevangene uit de barakken gesleept, je hoort een schot, van wie? Van de krijgsheer? Of toch van Allmayer? Je kunt rare dingen doen onder druk.'

Die Kunst des Tötens is opgedragen aan Gabriel Grüner (1963-1999), ,,over wiens leven en dood ik te weinig weet om erover te kunnen vertellen.' Wie was Gabriel Grüner? ,,Hij was een journalist van het weekblad Stern in Hamburg, een Zuid-Tiroler, die in de Kosovo is omgekomen. Hij was een kennis van me, haast een vriend. In mijn roman heb ik een paar feiten uit zijn leven gebruikt en dat hebben de media in Duitsland mij kwalijk genomen. Men vroeg: is het fatsoenlijk om fictie te maken van een echte dode? Precies de vraag die ik in mijn boek stel! Grüners vriendin noemde mij in het weekblad Der Spiegel respectloos. Ik kan haar moeilijk tegenspreken omdat iemand die rouwt eigenlijk altijd gelijk heeft. Maar ik vind het fatsoenlijk dat ik, anders dan Paul in mijn boek, niet in de omgeving van de dode heb rondgesnuffeld. Ik heb alleen feiten gebruikt die je ook uit de kranten kunt halen.'

In Das Handwerk des Tötens schrijft een journalist over een journalist die een boek over een journalist schrijft. Vanwaar die ingewikkelde constructie? ,,Ik wilde mijn eigen doen en laten becommentariëren. En afstand houden omdat ik te weinig afstand obsceen vind. In mijn boek komt een scène voor waarin de lijken rijendik naast elkaar liggen, dat is in Vukovar. En Paul, die journalist uit West-Europa, kijkt ernaar en wenst zich dat de doden terugkijken. Want dat kan hij wel gebruiken voor zijn verhaal. Zijn directe blik is obsceen. Ik wil mij tegen die obscene blik beschermen. Als je dat niet doet, dan draagt het schrijven alleen maar bij aan de destructie. Dan wordt het, zie de titel, een dodelijk ambacht.'

De nadelen van zijn aanpak ziet hij ook wel: ,,De meeste van mijn vertellers zijn vooral bezig met ontkennen. Die ikpersoon bijvoorbeeld die Paul steeds onderuithaalt. Die niet aangeeft hoe je wèl over oorlog zou kunnen schrijven. Dus het is een vrij risicoloze, misschien ook een laffe aanpak. Mijn hoop was dat er door dat veelvuldige ontkennen nieuwe beelden en nieuwe inzichten zouden ontstaan. En soms is dat gelukt. Zo ga je nadenken over een uitspraak die je vaak in kranten leest: `In de oorlog is de waarheid het eerste slachtoffer'. Maar het begint al veel eerder. Namelijk zodra je twee partijen hebt die elk aan de waarheid geloven. Aan de hunne dan. En dat zijn concurrerende waarheden. Beide partijen verdraaien de feiten om elkaar effectief te kunnen verketteren en daaruit ontstaat dan oorlog. We hadden het gemakkelijker met elkaar als waarheid een relatiever begrip zou zijn.'

Welke waarheid hing Gstreins familie aan in die andere oorlog, onder Adolf Hitler? ,,Ik heb een oom die Adolf heet en die na 1935 is geboren. Dat deel van de familie was akelig gezagsgetrouw. Ze zeiden: `Hitler zal wel weten wat goed voor ons is.' En: `Die lui in de concentratiekampen zitten daar niet voor niets, die hebben vast rottigheid uitgehaald.' Een vreselijke mentaliteit.' Gstreins ouders bestierden een hotel in een bergdorp. ,,Amper honderd inwoners, duizend meter hoog, niks anders dan wintersport en toerisme. De vakantievierende Duitsers gedroegen zich als kolonisatoren. Wij raakten erdoor in de knel.'

De herbergierszoon ging wiskunde studeren, in Innsbruck. Wat trok hem in die studie aan? ,,De pure schoonheid. De oplosbaarheid van problemen. Als je een bewijs had was je klaar. Dat gevoel mis ik zeer. Want bij het werk dat ik nu doe kun je altijd nog dit en dat verbeteren en het is nooit klaar.' Nog steeds, zegt hij, heeft hij een voorliefde voor getallen en symmetrieën. ,,In de eerste versies maak ik zoiets als een kristal, met rechte lijnen en gladde vlakken en scherpe kanten. En een deel van mijn latere werk bestaat eruit om de kristal kapot te maken, omdat kristal hoe mooi ook iets levenloos heeft. Juist het niet volmaakte heeft met leven te maken.'

In zijn bekendste, met de Alfred-Döblin-prijs bekroonde roman Die englischen Jahre leverde de onvolmaaktheid van zijn hoofdpersoon hem het verwijt van politieke incorrectheid op. Want die hoofdpersoon is een jood. En een leugenaar. ,,Ik wilde niet lief over joden schrijven. Geen zoete cliché-portretten maar echte, niet goede en niet slechte mensen. In het boek speurt een vrouw anno nu het verhaal na van een joodse Oostenrijker die vluchtte voor de naziterreur. Maar ineens blijkt dat deze emigrant alleen maar dóet alsof hij joods is. En dan beschrijf ik hoe journalisten met joodse identiteit omgaan. Zo sentimenteel, zo vals, zo verkitscht.'

Verkitscht is in de ogen van Norbert Gstrein ook Peter Handkes proza over de Balkanoorlog. ,,Ik meen te weten waarom hem dat is gebeurd: door een verkeerd begrip van zijn eigen poëtica. Handke denkt dat de wereld alleen bestaat om op een dag door Handke beschreven te worden. Dus gaat hij in Servië letterlijk over lijken terwijl zijn hoofd in de wolken is. En dan waren zijn contactpersonen ook nog dubieus. Een van hen was een verschrikkelijke nationalist en hij verklaarde Handke de Servische wereld en Handke trekt dat niet in twijfel. Okee, ik trek te véél in twijfel. Maar dat is reëel. Want niets is zeker, toch?'

`Das Handwerk des Tötens' verscheen bij Suhrkamp en kost euro 22,20. De Nederlandse vertaling komt deze herfst uit bij Cossee. De vertaling van `Die englischen Jahre' is bij Meulenhoff verschenen en kost euro 21,50.

    • Anneriek de Jong