Te ingewikkeld voor zichzelf

Aardigste mannen zijn de ergsten. `Ze zadelen hun omgeving op met schuldgevoelens om hun geschonden argeloosheid en hun gekwetst zwijgen is oorverdovender dan het gevloek van ruwe, onsympathieke mannen.' Die gedachten, geventileerd aan het begin van Welkom thuis, maken al duidelijk dat Arjaan van Nimwegen zich in zijn tweede roman niet ver verwijdert van de sfeer en thematiek van zijn vorig jaar verschenen debuut Van Tol kijkt om. De hoofdfiguur van dat boek was een eenzelvige man die zich onmogelijk maakte door zich af te sluiten voor de toenaderingen van anderen – ook al omdat hij akelige zaken te verbergen had.

In Welkom thuis heet de hoofdpersoon Dijkstra, en die heeft nogal wat met Van Tol gemeen, zoals een groot vermogen om agressie op te roepen bij zijn naasten, een moeizame verhouding tot een dochter en een ongemakkelijke relatie tot seksualiteit. Hij begrijpt maar niet waarom de hele wereld steeds maar wil praten, zeker over dingen, gevoelens bijvoorbeeld, waar hij liever over zou zwijgen. (`Daar had je het weer, praten'). Dijkstra's leven loopt in het bestek van deze korte roman in het honderd. In het hoofdstuk met de titel `15 april' is hij nog een man met een vrouw, een dochter, een vriend, een penvriendin, een kennis en een baan als vertaler – van pornofilms, maar toch. Aan het slot van het boek (dat eindigt op 28 mei) is zijn dochter verdwenen, heeft zijn vrouw hem ingeruild voor zijn kennis, zegt zijn penvriendin de correspondentie op en meldt zijn enige opdrachtgever dat er voorlopig geen vertaalwerk meer voor hem zal zijn. En de verzameling miniatuurhuisjes die hij tussen de vertaalbedrijven door maakte voor zijn geliefden is kort en klein geslagen. In de tussentijd heeft Dijkstra nog warme gevoelens opgevat voor een jonge prostituee die in een eerder leven als student `iets had' met Wittgenstein – waarna al snel blijkt dat dit meisje meer met zijn dochter gemeen heeft dan hij voor beiden zou durven vrezen. Al deze ontwikkelingen heeft hij lijdzaam ondergaan, ver verwijderd van de illusie dat hij enige invloed zou kunnen uitoefenen op zijn eigen lot.

Net als in zijn debuut slaagt Van Nimwegen (1947) erin zaken duidelijk te maken in passages die van een prettig soort narrigheid getuigen. Zoals in zinnen als `en het duurde al een halfjaar en het was een kwestie van passie' (de ontrouw van zijn vrouw) of `Hein was een grote man die het tot zijn taak rekende om rust uit te stralen'. Of, pessimistischer, in een uitgebreidere passage: `Lang geleden had hij twee broers gekend, jongens van een nobel soort die de indruk wekten een ernstig ideaal na te streven zonder dat duidelijk werd wat dat inhield. Hij had ze lang bewonderd. Pas later begreep hij waarom: ze maakten nooit grapjes. Rond hun elfde vielen ze uit hun rol. Ze gingen toespelingen maken op angstwekkende handelingen van volwassenen als betrof het zaken waar je zomaar lol over kon maken. Lol, ze zeiden het zelf. Het was verraad.'

Het maakt Dijkstra een hoofdpersoon voor wie je een niet onaangenaam soort gemengde gevoelens krijgt: enerzijds heb je de behoefte hem een schop onder zijn kont te geven, omdat je wel begrijpt waarom zijn omgeving de zenuwen van hem krijgt, aan de andere kant zou je hem willen aanmoedigen in zijn bokkige, stugge gedrag – in de standvastige wijze waarop hij allerlei dingen weigert normaal of lollig te vinden, in weerwil van de druk van anderen. Dijkstra is iemand die je het zeker niet gunt dat hij aan het slot van zijn avonturen belandt in een orgie-nachtmerrie waarin alle mensen die hij kent zich overgeven aan de taferelen die hij zo goed kent uit de films die hij moest ondertitelen.

Ergens in het boek zegt Dijkstra het gevoel te hebben in een film te spelen, maar temidden van alle verwikkelingen een flat character te zijn. Je bent in eerste instantie geneigd dat op te vatten als zelfkritiek van de auteur, een teken dat deze niet helemaal tevreden was over de manier waarop zijn held uiteindelijk op papier is gekomen. Maar, dat is het niet, eerder is het hier een wensdroom van de held zelf: iets oppervlakkigs zijn, iets ongecompliceerds, iets onbezorgds. Maar nee, hij is te ingewikkeld voor zijn verwanten en vrienden – en zeker ook voor zichzelf.

Zo keren de sterke kanten uit Van Tol kijkt om terug in Welkom thuis, maar helaas niet alleen de sterke kanten. Ook de feilen uit Van Nimwegens debuut zijn in dit boek te vinden: een plot waarin de ontwikkelingen erg plotseling uit de lucht komen vallen. En al te expliciete spiegelingen in de relaties tussen Dijkstra en zijn dochter enerzijds en de jonge prostituee anderzijds. Ook schemert hier en daar op de achtergrond het verlies van de moeder van de hoofdpersoon door. Hij was toen pas acht (de titel verwijst naar het bord dat in de tuin placht te staan als zij weer eens terugkwam uit het ziekenhuis), maar echt uitgewerkt wordt dat niet, of het moet zijn in de modelhuisjes die Dijkstra bouwt voor de vrouwen in zijn leven.

Dat Van Nimwegen zich niet bijzonder heeft ontwikkeld sinds de publicatie van zijn debuut, blijkt op de laatste pagina een wel zeer prozaïsche reden te hebben: daar staat op de plaats waar bij Van Tol kijkt om het ook al van enige vertraging getuigende `Utrecht 1998-1999' was genoteerd, nu `1994'. We hebben hier dus van doen met werk dat aanmerkelijk ouder is dan van Nimwegens debuut. Daar is niets mis mee. Ook Welkom thuis is de moeite waard, al word je uiteindelijk vooral nieuwsgierig naar waar Van Nimwegen nú mee bezig is.

Arjaan van Nimwegen: Welkom thuis. Wereldbibliotheek, 128 blz. euro 14,90

    • Arjen Fortuin