Steeds weer met de hooivork ten strijde

In Tuin en wereld brengt de Vlaamse schrijver Paul de Wispelaere (1928) vier boeken samen, verschenen tussen 1979 en 1998. De veelzeggende titels als Tussen tuin en wereld, Mijn huis is nergens meer, Brieven uit Nergenshuizen en En de liefste dingen nog verder geven onmiddellijk te kennen wat deze boeken met elkaar verbindt en welke ontwikkeling er te bespeuren valt: eerst een huis ver van de wereld maar nog wel met de luiken naar die wereld open, dan een huis dat nergens staat en dus Nergenshuizen heet en tot slot geen huis meer, maar slechts `liefste dingen'.

In een aantal eerdere beschouwingen over deze boeken kregen zij het predikaat `roman' mee, maar dat is misleidend. Het zijn autobiografische geschriften pur sang, over een man die zich, aldoor met een andere en opnieuw veel jongere vrouw, terugtrekt uit de wereld en de tuin rondom zijn huis tot een paradijs heeft herschapen. Die tuin met zijn gesloten muren van geboomte is als een bastion, van waaruit de ik-persoon die zichzelf soms transformeert tot de derde persoon, de boze buitenwereld bespiedt en het liefst op afstand houdt.

Paul de Wispelaere heeft een grote staat van dienst in de Vlaamse literatuur. In 1972 ontving hij de benoeming tot hoogleraar in de Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Antwerpen. Daarnaast heeft hij zich ontwikkeld tot een criticus met een zuiver oordeelsvermogen; het is hem nooit in de eerste plaats om een mening te doen. Hij betoogt op open wijze, zodat de krantenlezer mee kan denken. Als chroniqueur der letteren kan het niet anders of in zijn eigen werk speelt de literatuur de hoofdrol. Uit elk boek in Tuin en wereld spreekt die obsessieve belangstelling voor literatuur. In de jaren zestig en zeventig begon hij met publicatie van autobiografische geschriften, zoals Een eiland worden en Paul-tegenpaul. Vooral de laatste titel duidt op De Wispelaeres dialectische verhouding tot de literatuur. Verzinsel en werkelijkheid zijn de beide tegenpolen van de fictieve literatuur, maar, net als in de dialectiek, het is onmogelijk de beide elementen van elkaar te scheiden. Zonder verzinsel geen literaire werkelijkheid en zonder de rauwe en alledaagse werkelijkheid geen verzinsel.

Herinneringen

De Wispelaere gaat verder: hoewel hij een voorstander is van de vorm, dus een beschouwer is van literatuur als autonome werkelijkheid, blijkt hij op monomane wijze geïnteresseerd te zijn in de werkelijkheid achter het boek. Tegelijk met Tuin en wereld is zijn essaybundel Onder voorbehoud verschenen, waarin hij zich richt op auteurs als Louis Paul Boon, Nescio, Hella Haasse en Thomas Bernhard. Deze essays en vooral de autobiografische reeks Tuin en wereld leiden tot een opmerkelijke impasse, die de ik-persoon nu eens wanhopig, dan weer euforisch maakt. Het eindpunt van De Wispelaeres denken over literatuur is dat iedereen die al vertellend `de waarheid wil meedelen automatisch een leugenaar wordt'. Geschreven taal is dus leugenachtige taal. Dat is een gevaarlijk standpunt. Toch kan De Wispelaere daarvan verheugd raken, want het stelt hem in staat naar hartelust zijn herinneringen aan vroeger, vooral aan zijn jeugd en de nogal wanhopige liefdesgeschiedenissen, vrijmoedig te noteren. Niemand immers die de beschreven werkelijkheid corrigeert of zelfs kán corrigeren, want al het geschrevene is immers door woordkeuze, stijl en vertellersperspectief vertekend, verkleurd, in een ander daglicht geplaatst.

Het huis en de tuin in Tuin en wereld liggen in een nog net onaangetast gebied tussen Land van Waas en de Vlaamse Westhoek. Rondom de tuin een hek. In dat huis een zolderkamer waar De Wispelaere werkt. Hij heeft zich omringd met boeken, foto's uit zijn jeugd, documenten die betrekking hebben op zijn ouders, schrijnende liefdesbrieven van vele ex-minnaressen die je soms liever niet zou lezen. De lezer krijgt de soms onaangename rol opgedrongen van voyeur. Oog in oog met die documenten op zijn werktafel reconstrueert hij bladzijde na bladzijde zijn verleden. De Wispelaere komt naar voren als een man die menige vrouw achtergelaten heeft, niet in staat als hij is tot een duurzame band. Dat is mogelijk. Hoewel hij op niet-aflatende wijze toegang zoekt tot zijn diepste drijfveren, daarbij zichzelf niet sparend, komt de ik-persoon naar voren als een mens met harde, soms zelfs boosaardige en verbitterde eigenschappen. Hij heeft ook iets wraakzuchtigs, zeker als het om zijn verhouding tot dieren gaat. Wanneer een egel het legsel van een van zijn kippen opeet, dan wacht hij gewapend met een hooivork het dier op en rijgt het nietsontziend vast. Arm beest, gemene dader is de eerste gedachte die bij me opkwam.

Pendelen

In de dagboekvorm die De Wispelaere kiest, neemt hij welbewust afstand tot zichzelf. Hij pendelt heen en weer tussen `ik' en `hij'. Hij ziet zichzelf weerspiegeld in het venster van de werkkamer en denkt dat daar een ander staat; hij ziet zijn schrijvende hand en ervaart die als van een ander. De kern van Tuin en wereld wordt gevormd door jeugdherinneringen. Als kind was De Wispelaere op gelukkige wijze opgenomen in een oeroude gemeenschap van hardwerkende en eerlijke boeren, handarbeiders, boerinnen. Hij was als jongen omsloten door het weelderige Vlaamse land, totdat dit alles in de loop van de tijd is verdwenen, kapotgemaakt door de grote drang tot vooruitgang en moedwillige verrijking ten koste van de natuur. Zijn verering van de verloren tijd van ouders en grootouders is bijna atavistisch; hij roemt het handwerk van de meubelmaker, de zichzelf krom ploegende boer op de akker.

Ergens schrijft De Wispelaere dat het lezen van Marcel Proust en zijn Op zoek naar de verloren tijd iemand voorgoed verandert; hij is zich bewust van de tragiek van de voortschrijdende tijd. Er is een groot verschil tussen Proust en De Wispelaere. De laatste wordt soms tot verstikkens toe beheerst door boosheid. De egel in de tuin komt daardoor op bizarre wijze op gelijke hoogte te staan met de aanleg van een nieuwe snelweg met al zijn lawaai en het oprooien van bomen en meidoorns, die moeten sneuvelen.

Voor De Wispelaere begint alle literatuur met het verlies van het paradijs der jeugd. In een mozaïek van herinneringen, essays, lectuurnotities, liefdesbrieven en een vaak maniakele behoefte tot analyseren keert de onmogelijkheid afstand te doen van de jeugd in elke regel terug. Berusting is kennelijk onmogelijk; een nieuwe weg inslaan eveneens. Nemen we zijn beroemde dagboek Het verkoolde alfabet (1990-1991) mede in ogenschouw, dan omspant deze cyclus Tuin en wereld met een betrekkelijk gelijkblijvende thematiek een kleine twintig jaar. De variaties zijn gering. De kracht schuilt, ondanks de vaak wat kleinsteedse verbittering (het is de boze buitenwereld die het heeft gedaan!), in De Wispelaeres vermogen bladzijde na bladzijde een wereld te scheppen waarin hij hoofdrolspeler en toeschouwer is, de dadenloze en de schrijfvaardige.

In Mijn huis is nergens meer staat een onthullende passage. De moeder van het kind wil in naam van de vooruitgang weg van het boerenland naar de stad. Daartoe moet vader een geit slachten, de bok Lucifer. Doodgemoedereerd gebeurt dat onder ogen van de kleine Paul. Vanaf dat ogenblik besluit de zoon zijn moeder te wreken. Er staat: `Helemaal begrijpen deed ik het niet, maar ik sloot de ogen en klemde de tanden op elkaar.' De jongen laat alle vogels, de lievelingen van zijn moeder, vrij uit de volière. In een scène als deze is De Wispelaere op zijn best. Het boze kind van toen wordt bekeken door de meer dan een halve eeuw oudere man van nu, met verbazing en compassie.

Paul de Wispelaere: Tuin en wereld. Atlas, 783 blz. euro 34,90

    • Kester Freriks