Stand By Your Mann

Eén ding is zeker: als Thomas Mann niet met Katia Pringsheim was getrouwd, had hij nooit Der Zauberberg geschreven. Want als zij in 1924 niet in Davos had gekuurd en haar man in haar brieven niet zo uitvoerig had geïnformeerd over de halve en hele gekken die haar daar omringden, was hij waarschijnlijk nooit op het idee gekomen een sanatorium als decor te laten fungeren voor zijn grote `ondergangsgeschiedenis' van de negentiende eeuw.

Thomas Mann had echter nog veel meer redenen om zijn vrouw dankbaar te zijn, want in alle opzichten gold zij als het organisatorisch brein van de B.V. Thomas Mann. Behalve inspiratiebron was ze een begaafd redacteur, uitgever, vertaler, pr-vrouw, rechtenmanager, huishoudster, makelaar, gastvrouw en een toegewijde moeder die haar lastige kinderen tot stilte maande als der Zauberer aan het werk was.

De recente Thomas Mann-opleving, aangezwengeld door de honderdste verjaardag van de Buddenbrooks in 2002, heeft nu voor het eerst twee serieuze biografieën van Katia Mann opgeleverd: Frau Thomas Mann. Das Leben der Katharina Pringsheim, geschreven door het echtpaar Inge en Walter Jens, en Katia Mann. Die Frau des Zauberers, door Kirsten Jüngling en Brigitte Roßbeck. Beide boeken hebben een zwak punt: ze gaan soms meer over de wereld van Thomas Mann, de vrienden van Thomas Mann en de kwellingen van Thomas Mann, dan over hun eigenlijke onderwerp.

De wezenlijke drijfveren van Katia Mann (1883-1980) komen in beide biografieën dan ook niet écht boven water. Jüngling en Roßbeck geven zich bovendien met enige regelmaat over aan ongefundeerd en storend psychologiseren. Zoals bij het zoeken naar een verklaring voor Katia's zenuwinzinkingen rond 1912, die ze toeschrijven aan Thomas Manns al dan niet opspelende homoseksualiteit tijdens het schrijven van de homo-erotische novelle Der Tod in Venedig. Inge en Walter Jens, beiden zeer deskundige Mannologen, pakken het degelijker aan door te laten zien dat homoseksualiteit in het milieu van zowel de Manns als de Pringsheims volkomen geaccepteerd was.

Het enige waarin Jüngling en Roßbeck zich positief onderscheiden van Jens' no nonsense biografie is de grote nadruk die zij leggen op de familiegeschiedenis van Katia, die model staat voor zoveel andere Duitse joden uit de gegoede middenklasse. Zo kwamen Katia's ouders beiden uit joodse families die zich al aan het begin van de negentiende eeuw hadden bekeerd tot het protestantisme. Hun voornaamste reden voor die stap was dat ze geen hinder meer wilden hebben van het sociale antisemitisme. Niet zelden verduitsten ze hun joodse naam. Met de wereld van hun voorouders hadden ze niets meer op, het protestantisme deed hun echter weinig. Als ongelovigen stonden ze dan ook open voor de moderniseringsprocessen die zich in het negentiende-eeuwse Duitsland voltrokken. Heinrich Heine was hun grote voorbeeld.

Katia's moeder werd geboren in het progressieve gezin van Kladderadatsch-redacteur Ernst Dohm en de feministe Hedwig Dohm, terwijl haar vader, de hoogleraar wiskunde Alfred Pringsheim, de zoon was van een schatrijke spoorwegmagnaat. Als iemand de Pringsheims vroeg of ze joods waren, luidde het antwoord steevast `neen'. Hun jodendom was iets van een afgelegde, versleten jurk, meer niet. Katia zou er de rest van haar leven zo over denken.

Het paleis van de Pringsheims in München, werd rond 1900 gedomineerd door wetenschap, kunst en een uitzinnige verering van de muziek van Richard Wagner. De hele culturele elite kwam er bijeen, onder wie de jonge schrijver Thomas Mann die vastbesloten was een grootburgerlijk kunstenaarsleven te leiden. De beeldschone, schatrijke, jongensachtige Katia Pringsheim paste perfect in het beeld dat hij van dat leven voor ogen had en alleen al uit ambitie moet hij verliefd op haar zijn geworden. Katia dacht er echter anders over, zoals Jüngling en Roßbeck aantonen. Ze vond Thomas een aanstellerige houten klaas die bovendien van een te gewone komaf was om een geschikte huwelijkskandidaat te zijn. Volgens Inge en Walter Jens gaf Katia zich na lang aanhouden en tussenkomst van een zenuwarts – die haar angst wegnam om haar ouders en broers te verlaten – uiteindelijk toch gewonnen. Vanaf dat moment stelt ze zich geheel in dienst van haar echtgenoot.

Het leven van het echtpaar Mann voltrekt zich aanvankelijk in grote weelde, mede dankzij de financiële steun van de – door Thomas overigens gehate – Alfred Pringsheim, die niet wil dat het zijn enige dochter aan iets ontbreekt. Ze leven op grote voet en gaan om met alle beroemdheden uit het Duitse culturele leven. Na de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur in 1929 gelden de Manns in Duitsland als een soort koninklijke familie.

Alles verandert echter als Hitler in 1933 aan de macht komt en Katia en Thomas Mann, die op een voordrachttournee zijn in het buitenland, niet meer naar Duitsland durven terug te gaan uit angst gearresteerd te worden. Thomas gold toen al als een tegenstander van nazi's, die hij zag als een stelletje vulgaire proleten, al was hij niet openlijk politiek actief zoals zijn kinderen Erika en Klaus. Zijn aarzelende stellingname, veroorzaakt door de vrees dat zijn boeken in Duitsland verboden zouden worden en hij het contact met zijn lezers zou verliezen, leidde tot een hevig conflict met Erika. Katia laat zich nu voor het eerst zien in een nieuwe rol: die van tactvolle bemiddelaar die er alles aan gelegen is de familie bijeen te houden. Haar inspanningen leiden ertoe dat eind 1936 Thomas Mann zich in een artikel in de Neue Zürcher Zeitung openlijk tegen de nazi's keert.

In Amerikaanse ballingschap is het Katia die alle belangrijke beslissingen neemt. Ze zoekt passende huisvesting, zorgt dat er geld wordt verdiend met lezingen en probeert de godsvrede binnen haar gezin te bewaren. In Amerika vindt ze ook een goede vriendin in Molly Shenstone, de vrouw van een hoogleraar in Princeton. Uit hun wederzijdse brieven, opgediept door Inge en Walter Jens, komt een boeiende, bijna hartstochtelijke vriendschap naar voren, een intimiteit die je tot dan toe niet van Katia zou hebben verwacht.

Ondanks deze slip of emotions blijft Katia Mann bovenal trouw aan die ene: Thomas Mann. Ze zal in haar loyaliteit waarschijnlijk nauwelijks hebben verschild van andere vrouwen van haar generatie en milieu. Thomas Mann is haar in ieder geval zielsdankbaar geweest, zoals uit zijn dagboeken blijkt. Nergens is daarin het geringste verwijt jegens zijn vrouw te bespeuren, terwijl verder bijna iedereen er genadeloos van langs krijgt. De liefde en vriendschap tussen beiden moet dan ook ongekend groot zijn geweest.

Inge en Walter Jens: Frau Thomas Mann. Das Leben der Katharina Pringsheim. Rowolt, 352 blz. euro 19,90 Kirsten Jüngling en Brigitte Roßbeck: Katia Mann. Die Frau des Zauberers. Propyläen Verlag, 416 blz. euro 22,–

    • Michel Krielaars