Pijn en weerzin in lappen en lussen

Het boek heet Anna en ik ben bang dat er niet veel lezers zijn die meteen weten om welke Anna het hier gaat. Ze woonde en werkte van 1935 tot 1980 grotendeels in Rotterdam. Ze heeft een aantal ontroerende, tijdloze kunstwerken gemaakt en daarover is na haar dood te vaak en te lang gezwegen. Een flink aantal musea heeft werken van haar in huis en die zijn in groeps- of themaverband ook wel tentoongesteld. Maar vorige week opende in het Rotterdamse kunstcentrum TENT dan eindelijk weer een solo-tentoonstelling, met diezelfde museale stukken en met zelden geëxposeerd werk. Bij die gelegenheid verscheen ook Anna, een door Henriëtte Heezen zorgvuldig geschreven monografie met veel illustraties.

Anna Verweij-Verschuure werkte in textiel. Ze maakte zowel minuscule, driedimensionale bloemvormen als eendimensionale, menshoge figuren van stof, figuren die vallen en opstaan, die vergankelijkheid en wedergeboorte verbeelden. Als er iets in de beeldende kunst van haar tijd verfoeid werd, dan was het wel – dat `gedoe met lapjes'. Textiel was synoniem voor huisvlijt, naaldvakken en macramé. Een zielige hobby, zo vond men in kunstkringen, waarin vrouwen vooral als charmante hulpen in de huishouding werden gezien en niet moesten denken dat het kunstenaarschap binnen hun bereik lag.

Anna Verweij-Verschuure is nu bijna twintig jaar dood. Kunstenaars als Michael Raedecker, Louise Bourgeois, Berend Strik, Madeleine Berkhemer en Rosemarie Trockel hebben intussen met naald en draad furore gemaakt. Er is veel vrijheid gewonnen – ook als het om sekse gaat. De biografie illustreert dat dat niet vanzelf ging. Ze was `een onopvallende dissident', zoals Heezen schrijft, die in de jaren zestig `actieschilderde in applicatie technieken'.

Dat stille verzet laat zich nog nauwelijks aflezen van haar eerste, forse, gewatteerde en grillig gecomponeerde wandkleden. Die doen denken aan de toen gangbare `vrouwenkunst' – iets aaibaars over iets vruchtbaars. Tussen de bergen en dalen van textiel moest nog een eigen pad gekapt worden. En dat lukte wonderbaarlijk snel, mede dankzij Alice in Wonderland. Anna verzamelde van alles en nog wat over Lewis Carrolls boek. Naast forse, geometrische blokkleden, `soft sculptures' van aaneengeregen, gewatteerde kussens en zakken, exposeerden Rotterdamse galeries ineens eigenaardige haakwerkjes, gemaakt door diezelfde Anna, die via Alice's magische wereld de blik naar binnen had gericht, op de nabije dingen waar je van alles mee kon uitspoken. Die haakwerkjes lieten zich lastig etiketteren, zo eigenaardig en toch persoonlijk, zo gewoon en toch absurdistisch als ze waren. Wie haakte er in die tijd nou elpees, met een humoristische titel als `Bij de 100.000ste toespraak'? Of pannenlappen met keurig gehaakte smelt- en schroeivlekken? En wie schreef er brieven in de vorm van roze, wormvormige borduursels? Dat stille verzet tegen wat standaard van kunstenaars, van vrouwen, van het leven verwacht werd, die tegendraadsheid, zat hem vooral in dit `broddelwerk'.

De geestdodende herhaling van haaklus en kruissteek koppelt Heezen in het boek aan `pijn, weerzin en frustratie'. Grote woorden, maar wél van toepassing. Naast de intieme werken, die alsmaar aan verfijning wonnen, die met drukkertjes tot organische vormen werden getransformeerd, experimenteerde Anna met bestaande wandkleden van rustieke bollenvelden en alpenweiden. Ze haalde er – in vloeiende danslijnen – slierten uit, die nu onderaan het kleed bungelen; het is tussen die molens en die bergen ineens niet pluis meer, de pais en vree zijn eruit weggesijpeld.

Bij gebrek aan dagboeken zocht Heezen secuur uit welke kunstenaars van invloed zijn geweest op Anna's ontwikkeling: van Jaap Wagemakers materie-schilderijen, via vroege conceptualisten als Marinus Boezem en Ger van Elk tot de arte povera en het minimalisme. Ze analyseert hoe Anna's `doe-het-zelven' als veilige bezigheid `een middel tot introspectie bood, met ruimte voor diepere gedachten en verdrongen gevoelens'. Het bekendste, meest dramatische werk in dat verband is `Mijn plaats aan tafel': een onbenullig keukentafeltje met een kleedje, waarvan de kleurrijke bloemenborduursels aan de kopse kant ineens grillig weglopen, zwart verkleuren en tot op de draad kapot zijn gefrunnikt.

`Je moet iets doen om je eigen hof in orde te maken', vond Anna zelf. Dat deed ze letterlijk in de tuin waar ze van hield, maar vooral op haar atelier, waar heldere inzichten over de illusies en desillusies van het aardse bestaan met naald en draad, met ironie en humor boven het leven van alledag werden uitgetild. De Rotterdamse dichter Rien Vroegindeweij schreef het ooit treffend op: `Haar Memento Mori was haar Carpe Diem en andersom'.

Henriëtte Heezen: Mijn plaats aan tafel – Anna. Stichting Kunstpublicaties Rotterdam, 150 blz. euro 24,50

    • Marianne Vermeijden