Overgeleverd aan het uitleveren

De uitlevering van verdachten naar een ander land zorgt de laatste tijd voor veel trammelant. Dat geldt voor de uitlevering van een ETA-verdachte aan Spanje, waarover tot aan de Hoge Raad toe werd geprocedeerd, en de omstreden wijze waarop de Iraaks-Koerdische voorman Mullah Krekar werd afgeschoven naar Noorwegen. Dat geldt niet in de laatste plaats voor de uitlevering van Nederlanders aan de Verenigde Staten, zoals de Zwolse diskjockey Raymond K. in een xtc-zaak. K. is na een veroordeling in Amerika inmiddels weer terug in ons land om het restant van zijn straf hier uit te zitten. Maar dat maakt geen eind aan de discussie of Nederland eigen onderdanen niet te gemakkelijk blootstelt aan het risico van discutabele procespraktijken of detentie-omstandigheden in het buitenland.

Het standaardantwoord van minister Donner (Justitie) is een beroep op `het onderlinge vertrouwen tussen staten'. Dat is sinds de Vrede van Münster (1648) een internationaal beginsel. Zonder dat komt men in het internationale verkeer niet ver. Bij uitlevering is echter nog een ander internationaal beginsel in geding, bescherming van individuele mensenrechten. Dat brengt Alette Smeulders in herinnering in de dissertatie In staat van uitlevering waarop zij promoveerde aan de Universiteit Maastricht. Er is volgens haar sprake van `een botsing van twee tradities'.

Deze botsing wordt weerspiegeld in de rolverdeling tussen minister van Justitie en rechter. De minister beslist uiteindelijk en zal daarbij de buitenlandse betrekkingen niet snel uit het oog verliezen. Maar hij kan alleen tot uitlevering overgaan als de rechter deze `toelaatbaar' heeft verklaard, een oordeel waarbij de rechten van de opgeëiste persoon aan bod kunnen komen. Zo luidt althans de theorie. De praktijk is weerbarstiger. De auteur vergeleek het uitleveringsrecht van Nederland met dat van de Verenigde Staten en Duitsland. Haar conclusie is dat Nederland te veel oog heeft voor de `statelijke' kant van de zaak en te weinig voor de menselijke. Er moet marteling dreigen of de doodstraf voordat de Nederlandse rechter een stokje steekt voor uitlevering; buitenlandse procespraktijken zijn niet gauw een reden. In Amerika is het nog erger; daar houdt de rechter, op een enkele uitzondering na, helemaal geen rekening met de mensenrechtensituatie in de verzoekende staat. Duitsland laat volgens Smeulders zien dat een beter evenwicht wel degelijk tot de mogelijkheden behoort.

Zwakke punten

Het vertrouwensbeginsel is niet los te zien van de (grondwettelijke) eis dat uitlevering alleen mag plaatsvinden op basis van een formele verdragsrelatie. De redenering is dat de regering zo'n verdrag alleen sluit met staten die voldoen aan de minimumeisen voor een behoorlijke rechtspleging. Deze premisse heeft twee zwakke punten, zo blijkt uit het proefschrift. In veel gevallen is uitlevering niet gebaseerd op een bilaterale overeenkomst tussen Nederland en een ander land, maar op een multilateraal verdrag waarbij talloze landen zijn betrokken. Dat maakt de mogelijkheid voor Nederland om het rechtsgehalte van beoogde verdragspartners na te gaan natuurlijk een stuk kleiner.

Maar ook bilaterale relaties hebben dubbele bodems. Men zou verwachten dat Nederland de vinger aan de pols houdt en een verdrag opzegt (of op zijn minst opschort) zodra de situatie bij de verdragspartner uit de hand loopt. Niets is minder waar; Nederland bleef een uitleveringsrelatie houden met Oeganda onder Idi Amin in de jaren tachtig en met Pakistan begin jaren zeventig hoewel daar toen massaslachtingen plaatsvonden. Idem Argentinië tijdens de dictatuur tussen 1976 en 1981. Het uitleveringsverdrag met dat land dateert dan ook al van 1893 en zoiets zet men kennelijk niet opzij.

Het vertrouwensbeginsel betekent in de praktijk een omkering van het beginsel dat een ieder voor onschuldig wordt gehouden tot het tegendeel bewezen is. Uitlevering gaat door tenzij de opgeëiste persoon aannemelijk maakt dat er zwaarwichtige redenen zijn daarvan af te zien. De voorrang voor de vertrouwensregel wordt wel verdedigd met een beroep op het internationale beginsel dat alle staten gelijk zijn. Als dat werkelijk zo was zou een verdragsbasis voor uitlevering helemaal niet nodig zijn.

Onschuldig

Meer hout snijdt het argument dat de regering beter dan de rechter in staat is om de relaties met andere landen te beoordelen. Dit argument heeft een principiële en een praktische kant. Principieel geldt dat het de regeringen en niet de rechters zijn die de buitenlandse betrekkingen onderhouden. Praktisch is het de vraag of de rechter voldoende geëquipeerd is om buitenlandse situaties te onderzoeken. De Amerikaanse rechter heeft er zelfs een eigen stelregel van gemaakt die bekend staat als de non inquiry rule. Buitenlandse processen hebben niets te maken met onze grondwet, zo luidt de redenering, en dus hoeven wij ons daar ook niet in te verdiepen.

Deze redenering gaat in elk geval niet op voor de uitlevering van eigen onderdanen, zoals Nederland in 1986 heeft ingevoerd, want die mogen de staat toch wel aan de eigen grondwet houden. Iedere verdachte, of hij nu eigen onderdaan is of niet, kan de staat bovendien houden aan het internationaal vastgelegde recht op een eerlijk proces (fair trial). Dat de rechter niet in staat zou zijn zich te laten voorlichten over buitenlandse rechtspraktijken is een wonderlijk argument. Als het om echtscheiding gaat is dat helemaal geen uitzondering. Dat het voor de rechter moeilijk is om in de keuken van politie en justitie te kijken, is niet een exclusief probleem voor uitlevering. Dat geldt evenzeer voor de binnenlandse strafrechtspleging.

De oplossing is zo oud als het strafrecht: het is de aanklager die zijn zaak waar moet maken en niet de verdachte die zijn onschuld moet aantonen. Als een buitenlandse staat om uitlevering vraagt dient hij de nodige informatie ook echt aan te dragen. Er is geen reden waarom de uitleveringsrechter niet alle vragen zou mogen stellen die hij dienstig acht voor een goede rechtsbedeling.

Alette Smeulders: In staat van uitlevering. Intersentia, 585 blz. euro 8euro 9,50