Ons eigen hart is de donkerste kerker

In het Nieuw Cultureel Woordenboek ontbreekt hij zelfs in de index: Nathaniel Hawthorne, de negentiende-eeuwse Amerikaan die een onuitwisbare indruk maakte op Herman Melville, Henry James, Gabriel García Márquez en Philip Roth – allemaal schrijvers die zonder Hawthorne's literaire pionierswerk de laatste editie van de `encyclopedie van de algemene ontwikkeling' nooit gehaald zouden hebben. Hawthorne geldt als de eerste Amerikaanse literator die in het Oude Europa serieus werd genomen; hij was het `genie' aan wie Moby-Dick is opgedragen; hij zei als eerste Amerikaanse kunstenaar `donderend nee' tegen het kritiekloze optimisme van zijn land; en hij schreef tussen 1828 en 1863 een oeuvre bij elkaar dat nog steeds ontroert en intrigeert.

Helemaal vergeten is Hawthorne in Nederland gelukkig niet. In de afgelopen zeven jaar verscheen zowel een nieuwe vertaling van het romantische spookverhaal The House of the Seven Gables (1851) als een heruitgave van zijn beroemdste schuld-en-boeteroman De rode letter (1850). Maar de kern van Hawthorne's oeuvre, de korte verhalen die hij verzamelde in Twice-Told Tales (1837) en Mosses from an Old Manse (1846), is in het Nederlands al tijden niet meer leverbaar. En dat terwijl een vertaling van zijn aangenaam ouderwetse, met symbolen en (bijbelse) verwijzingen gelardeerde Engels geen overbodige luxe is.

`Welke kerker is zo donker als je eigen hart!' vraagt de verteller van The House of the Seven Gables zich retorisch af. `Welke cipier zo onverbiddelijk als je eigen ik!' Eenzelfde moraal valt te destilleren uit de beroemdste verhalen die Hawthorne in de jaren dertig en veertig schreef: `Young Goodman Brown', over een jonge Puritein die tijdens een nachtelijk visioen met het kwaad in zijn eigen wereld wordt geconfronteerd; `Wakefield', over een man die wegloopt bij zijn vrouw om haar twintig jaar lang te bespieden; `The Minister's Black Veil', over een dominee die uit vroomheid een zwarte sluier gaat dragen en langzaam verandert in een onmens.

Schuldgevoel en zondebesef zijn de overheersende thema's in het werk van Hawthorne – wat wel in verband is gebracht met 's schrijvers eigen familiegeschiedenis: Hawthorne was de afstammeling van de Puriteinen die in 1692 de motor waren geweest achter de heksenvervolgingen in Salem, Massachusetts. Maar een ten minste zo belangrijk motief in zijn verhalen is de keerzijde van het (negentiende-eeuwse) rationalisme. Als een Mulisch avant la lettre waarschuwt Hawthorne voor de gevaren van de voortschrijdende wetenschap. Zo vernietigt de bezeten scheikundige uit `The Birthmark' zijn beeldschone vrouw, in een poging haar te ontdoen van een vlekje op haar wang. Terwijl de titelheld uit `Dr. Heidegger's Experiment' pas terugschrikt voor zijn experimenten met water uit de Bron der Jeugd, als hij zijn oude vrienden eraan verslaafd heeft gemaakt. En in het mooiste Hawthorne-verhaal, in `Rappaccini's Daughter', laat een waanzinnige geleerde zijn dochter opgroeien in een ommuurde tuin vol giftige planten – niet om haar te wapenen tegen de boze buitenwereld, maar om haar te veranderen in een wapen tegen die buitenwereld.

`Hij houdt oneindig veel meer van de wetenschap dan van de mensheid', zegt een collega-doctor over Rappaccini. Toch ligt de kracht van het verhaal niet eens in het portret van de meedogenloze wetenschapper. Veel belangrijker is de tragiek van de eenzame dochter en het dilemma van de student die van een afstand verliefd op haar wordt. Met allen loopt het slecht af, want Nathaniel Hawthorne hield oneindig veel meer van de literatuur dan van zelfs zijn sympathiekste personages.

Een keuze uit de verhalen van Hawthorne is (in het Engels) onder meer verschenen in Signet- en Penguinpocket. `Rappacini's Daughter' is – samen met twee andere verhalen – onlangs met een voorwoord van Simon Schama heruitgegeven door Hesperus, euro 15,50.

    • Pieter Steinz