Nu ook nog in de politiek: emoties!

De emotie is terug in de Nederlandse politiek. Na de kilte van Lubbers en Kok is warmte weer een veelgevraagd artikel. Maar de burger heeft ook behoefte aan heldere ideeën. Kunnen die verhit gebracht worden?

Maxime Verhagen zal er niet aan gedacht hebben, toen hij dit voorjaar vanuit zijn Tweede-Kamerbankje Wouter Bos uitfoeterde met ,,Leugens, leugens, leugens''. Maar met die uithaal trad de CDA-fractieleider in de voetsporen van een politieke voorvader van Bos: SDAP-leider Troelstra, erkend driftkikker in de parlementaire geschiedenis. Die klom in 1916 bovenop zijn Kamerbankje uit woede over een rede van de Vrij-liberaal B. Nierstrasz. ,,Durf jij hier van idealen te spreken? Jij... jij... Er uit!... Er uit!'' Twee jaar later riep Troelstra, opnieuw door zijn gemoed gedreven, de revolutie uit.

Overkokende emoties zoals van Verhagen en Troelstra zijn zo oud als het Binnenhof zelf, en dat lijkt niet vreemd. Een zekere neiging tot opwinding past immers wel bij de gedrevenheid die bij politici verondersteld wordt – al leidt dat in Nederland vaker tot zelfrelativering dan tot revolutie.

Dat blijkt ook uit twee heel verschillende jaarboeken, die onlangs verschenen. Het vijfde Jaarboek parlementaire geschiedenis, uitgegeven door het Nijmeegse centrum voor parlementaire geschiedenis, is dit jaar gewijd aan `emotie in de politiek'. En het 24ste jaarboek voor het democratisch socialisme gaat over `politieke partijen op drift' – in de praktijk vooral de vraag hoe de PvdA als sociaal-democratische volkspartij dient te reageren op het verlies aan programmatische en electorale vastigheid.

Partijen vertegenwoordigen niet meer vastomlijnde maatschappelijke stromingen, belangen, bewegingen of groepen, schrijven Frans Becker en René Cuperus, medewerkers van de Wiardi Beckman Stichting in `hun' jaarboek. Ze verwijzen in dat verband naar de ontwikkeling van de `toeschouwersdemocratie' – de term die in Nederland door de Amsterdamse politicoloog Jos de Beus is gemunt. Kiezers gedragen zich in de audience democracy steeds meer als het publiek in een theater, ze klappen of fluiten achteraf voor de prestaties van regering, partijen en politici zoals na een toneelvoorstelling.

Crisis

Volgens Becker en Cuperus is die ontwikkeling een van de bestanddelen van wat zij de `grote crisis van de partijendemocratie' noemen. De negen artikelen van PvdA-politici en -volgers (van wie twee uit Duitsland) in het jaarboek kunnen gelezen worden als een debat over de nieuwe koers van partijleider Wouter Bos – al valt zijn naam opvallend weinig. Bos is verklaard voorstander van meer passie én een verregaande personalisering van de politiek. ,,Vastigheid in ons tijdsgewricht'', zegt hij in een van augustus daterend interview in het ándere jaarboek, voor parlementaire geschiedenis, ,,[kan] alleen nog gelegen zijn in personen''. Bij welke partij, dat is voor Bos van ondergeschikt belang. Bos vindt wel dat politici zich kunnen hechten aan beginselen – dat is goed voor de kiezer die vertrouwen aan de politicus geeft.

Meer persoon en passie, minder partij en een scheutje principiële overtuiging: met dat recept komt Bos aardig in de buurt van de politicus-acteur die in de toeschouwersdemocratie gevraagd wordt. Maar hij lijkt zo ook op het type populistische leider, waarvoor verschillende auteurs in het Jaarboek voor socialisme en democratie waarschuwen. Socioloog Bart Tromp gaat als enige hardop in de aanval tegen Bos. Hij voert de partijleider op als illustratie van het door hem verfoeide `plebiscitair syndroom', waarin het politieke programma vervangen is door `het ene luidruchtig gelanceerde ideetje na het andere'. Bos kan steun ontlenen aan voormalig staatssecretaris en aspirant-PvdA-leider Dick Benschop, die pleit voor meer `empathie' met wat de kiezer bezighoudt. Partijen moeten volgens Benschop de `omslag van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte organisatie' maken. Hij maakt echter niet duidelijk hoe die `omslag' samen moet gaan met een `herideologisering', waar hij ook voor pleit.

Performer-met-beginselen Bos is in zekere zin het PvdA-antwoord op de `Fortuyn-ervaring' van 2002: het besef dat een charismatische persoon de politieke verhoudingen in één klap grondig kan veranderen. Die ervaring is ook navoelbaar in het Jaarboek parlementaire geschiedenis, gewijd aan emotie in de politiek. Beschouwingen over het voorbije jaar worden afgewisseld door enkele lezenswaardige historische case-studies over bijvoorbeeld de Kamerdebatten over afschaffing van de slavernij rond 1850 en over asielwetgeving vanaf 1938. Oud-premier Van Agt verhaalt in een interview van het `meest emotionele decennium' – de jaren zeventig. Teleurstelling blijkt zijn `opperste emotie'. De bundel heeft hier en daar wel een zeer anekdotisch karakter, maar afwijkend is een beschouwing van de Nijmeegse hoogleraar politieke geschiedenis Remieg Aerts over emotie als onderdeel van politieke stijl. Volgens Aerts wisselen zich sinds 1848 `koude' en `warme' periodes in de Nederlandse politiek af. Nu eens is de politiek `gedistantieerder, bestuurlijker en kleurlozer', dan weer wil zij `nauwer met de maatschappij verbonden en ideologischer' zijn. In meer ideologisch gepolariseerde verhoudingen zijn politici volgens Aerts persoonlijker, overigens ook uit strategische overwegingen.

Zo was Troelstra niet alleen door zijn gespannen karakter driftig. Hij maakte net als zijn antirevolutionaire tijdgenoot Abraham Kuyper vooral ook gebruik van het `ruimere emotierepertoire van hun tijd'. Kuyper en Troelstra presenteerden zich als `sterke, wervende leiders die hun publiek opzochten, enthousiasmerende toespraken hielden [...] en de politiek dramatisch ideologiseerden.' Kuyper en Troelstra waren volgens Aerts een reactie op de koele, op distantie gerichte liberalen van de negentiende eeuw. En na hen werd de politieke stijl weer bepaald door politici als Ruijs de Beerenbrouck, rustig notabele, en Colijn, nuchter en zakelijk.

Volgens dit schema van een vaste historische golfbeweging moeten Bos gouden tijden wachten. Na de pragmatische en ook weinig opzwepende leiders Lubbers en Kok ligt een nieuwe periode van opwinding en ideologisering immers voor de hand. Maar Aerts hoopt daar, met Fortuyn in de herinnering, niet op. De politiek moet juist niet toegeven aan de `emotiecultuur' die veld wint, meent hij. De nieuwe politieke leiders moeten tegen de tijd in. Of daarbij nog plaats is voor emotie-gevoelige ideologie, laat hij in het midden.

Polarisatie

Dat er in de verhouding tussen het persoonlijke, de ideologie en de politiek, veel veranderd is, wordt wel duidelijk bij het lezen van een ander recent, en persoonlijk boek: de memoires van Hedy d'Ancona. De ex-minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur in het kabinet Lubbers-Kok (1989-1994) was zelf actief in de ideologische polarisatie van de jaren zeventig. Als protagonist van de tweede feministische golf heeft zij haar boek gedoopt naar de slagzin van de vrouwenbeweging uit die jaren: Het persoonlijke is politiek. Als mede-oprichter van achtereenvolgens de Actiegroep Man-Vrouw-Maatschappij en het maandblad Opzij behoorde zij tot de stroming vrouwen die – in hun eigen leven al vrijgevochten – vooral de emancipatie van vrouwen in het algemeen wilde bevorderen. Doelen als de legalisering van abortus, ontwikkeling van kinderopvang en deeltijdwerk dreven haar naar de PvdA, ondanks de spanning die zij waarnam tussen het op individuele bevrijding gerichte feminisme en sociaal-democratisch collectivisme.

Van emotionele toestanden in de vrouwenbeweging moest d'Ancona niet veel hebben – haar passie nam enigszins af toen midden jaren zeventig de `voelperiode' intrad en vrouwenliefde en mannenhaat dominanter werden. Zelf was zij al begonnen aan haar politieke carrière, vanaf 1974 als Eerste Kamerlid, later onder meer als staatssecretaris voor Emancipatie in het kabinet Van Agt-Den Uyl, minister in Lubbers III en als Europarlementariër.

Zij schrijft daarover vooral in het licht van wat zij van haar idealen heeft bereikt. Ze liet als staatssecretaris een notitie `in mensentaal' voorbereiden over het vrouwenvraagstuk en zorgde er als minister voor dat iedere dag wel ergens een nieuw kinderdagverblijf werd geopend.

D'Ancona geeft in haar memoires een nieuwe – en misschien wel al te `mooi' kloppende – dimensie aan haar leus dat al het persoonlijke politiek is, door de bron van haar gedrevenheid te zoeken in haar familiegeschiedenis. Zij was de oudste dochter van een meestentijds alleenstaande moeder en van een in de oorlog omgekomen joodse vader, van wie zij de geschiedenis pas in 1992 achterhaalde. Maar wat in het licht van de huidige discussies vooral resteert is het beeld van een politica uit een andere tijd, voor wie persoonlijk leven, politiek optreden en ideologisch engagement nog naadloos verbonden waren.

Frans Becker e.a: Politieke partijen op drift. Het vierentwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme. Wiardi Beckman Stichting/De Arbeiderspers, 226 blz. euro 17,95 C.C. van Baalen e.a (red.): Emotie in de politiek. Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2003. Centrum voor Parlementaire Geschiedenis Nijmegen, Sdu, 204 blz. euro 17,– Hedy d'Ancona: Het persoonlijke is politiek. Archipel, 158 blz. euro 16,95

    • René Moerland