Morsdood onder de gordel

De moderne professor is uit de boeken komen kruipen en houdt zich volop bezig met wereldlijke zaken, van seks tot netwerken. Een inventieve en vermakelijke studie toont de opkomst en ondergang van de saaiheid in het beeld van de geleerde.

Mijn professor klassiek Grieks kwam tijdens hoorcollege ooit te spreken over het boek Greek Homosexuality, het destijds recente en verfrissend openhartige overzichtswerk van zijn Britse collega Dover over homoseksualiteit in het oude Griekenland. De geleerde, die zich graag liet verleiden tot een uitweiding, begon te vertellen over zijn bewondering voor Dover en hun innige vriendschap, die dikwijls uitmondde in logeerpartijen. Na deze laatste vermelding viel hij even stil, geplaagd door een onaangename gedachte. Haastig voegde hij toe dat Dovers vrouw en kinderen óók bijzonder aardig waren.

De onzekerheid bij het gehoor waar die toevoeging een einde aan moest maken, zegt iets over de relatie tussen geleerdheid en het persoonlijk leven, die toen, in de vroege jaren tachtig, kennelijk aan de beterende hand was. Het was voor het publiek immers best mógelijk, en niet per se een schande, dat beide hoogleraren hun onderzoeksgebied ook praktisch hadden onderzocht.

Inderdaad, de moderne professor wordt niet meer gezien als de boekenwurm van vroeger. Niet alleen lijkt de moderne academische wereld met richtingen als gender studies geobsedeerd door seks en sekse, ook andere sociale bezigheden hebben hoge prioriteit. Netwerken hoort tot de belangrijkste taken in het pakket van een hoogleraar. Een geslaagde moderne professor staat midden in het leven, publiceert in de vroeger geminachte dagbladpers, verschijnt als pratend hoofd op de tv, en is misschien wel vaker op recepties en gelegenheden dan achter zijn of haar bureau te vinden. Onder de eerbiedwaardige toga van de moderne academicus lijkt tegenwoordig dikwijls een soort handelsreiziger via de glasvezelkabel schuil te gaan.

Middlemarch

Het contrast met de negentiende en vroeg twintigste eeuw is groot. Eén van de raakste portretten van een typische negentiende-eeuwse geleerde is geschetst door George Eliot in haar meesterwerk Middlemarch (vorig jaar vertaald, en besproken in Boeken 27.12.02). Eliot beschrijft de doodse en pedante Casaubon, de veel te oude echtgenoot van de bloeiende, naïeve Dorothea Brooke, die in dit huwelijk van een koude kermis thuiskomt. Casaubon schrijft een onleesbaar meesterwerk (The Key to all Mythologies) dat maar niet af komt. Al zijn kennis blijkt onbruikbaar, en Casaubon ontpopt zich voor de ontgoochelde Dorothea als een monster, die zijn levenslustige en idealistische vrouw, die hunkert naar kennis en liefde, geen van beide kan geven. Casaubon blijkt even dood als de talen die hij bestudeert.

De dichter Robert Browning, tijdgenoot van Eliot, ijkte voor het fenomeen van de dorre geleerde de uitdrukking `dead from the waist down', wat zoveel betekent als morsdood beneden de gordel. Die uitdrukking gebruikt de Britse hoogleraar Engelse letterkunde A.D. Nuttall (geboren 1937) als titel voor een geleerd én vermakelijk, uiterst stimulerend boek over de ontwikkeling van het beeld van `de geleerde' van de renaissance tot heden.

De leidraad voor Nuttalls betoog is een inventieve en deskundige analyse van Eliots personage Casaubon en diens relatie tot Dorothea. Die stelt hem in staat om de fictieve Casaubon te vergelijken met twee werkelijke geleerden: enerzijds Eliots tijdgenoot en vriend Mark Pattison, classicus en rector van Lincoln College in Oxford, en anderzijds de fameuze filoloog, en naamgenoot van Eliots personage, Isaac Casaubon (1559-1614), die een grote staat van dienst had in de omgang met klassieke teksten. Hij verrichtte pionierswerk met tekstonderzoek naar Aeschylus' Oresteia, dateerde voor het eerst het mystieke Corpus Hermeticum correct (namelijk in de late Oudheid), bezorgde een weergaloze editie van Athenaeus en verrichtte talloze andere filologische heldendaden.

Deze drie hoofdpersonen, één fictieve en twee echte, delen meer dan op het eerste gezicht lijkt. Want niet alleen schreef rector Mark Pattison in zijn tijd de standaardbiografie van de echte Casaubon, tijdgenoten van Eliot merkten ook al op dat Pattison wellicht model had gestaan voor de fictieve Casaubon in Middlemarch: ook Pattison trouwde een veel jongere vrouw bij wie zijn eigen verzuring scherp afstak, ook Pattison was ontevreden over zijn wetenschappelijke arbeid. Maar het zijn niet zo zeer de overeenkomsten als wel de grote verschillen tussen Nuttalls drie hoofdpersonen die hem in staat stellen om in zijn boek op een prikkelende manier de oorsprong en reputatie van scholarship, geleerdheid, in perspectief te plaatsen.

Sirenen

Hoe begon het? De bijbel waarschuwt met de zondeval al nadrukkelijk voor de gevaren van kennis, net als trouwens de Odyssee, met haar gevaarlijke Sirenen. Maar juist die gevaarlijke kant van kennisverwerving buiten de gebaande paden leidt geleerden in de renaissance tot vivere pericolosamente, intellectueel avontuurlijk leven waar de vonken vanaf springen. De geleerden die van dorp naar dorp galoppeerden om op stoffige zolders verloren gewaande teksten terug te vinden maken het lezen over humanisten tot zo'n aangename bezigheid. Lorenzo Valla sneed, in het midden van de vijftiende eeuw zelfs de paus de pas af door te bewijzen dat de Romeinse tekst waarop het pausdom haar wereldlijke macht baseerde een vervalsing moest zijn (hij bemachtigde zo een baan in Rome).

Zulke triomfen, afgewisseld met het leven tussen de courtisanes van Venetië, Rome en Napels, spreken tot de verbeelding. Ook Isaac Casaubon leidde een avontuurlijk bestaan, en, stelt Nuttall tevreden vast, was gelukkig getrouwd (zijn vrouw baarde in 22 zwangerschappen 19 kinderen). Maar het grootste avontuur was dat van de geest, de kosmische reis door de manuscripten, die dankzij vele doorwaakte nachten langzaam hun wonderbare geheimen prijsgaven. Deze tomeloze, haast angstaanjagende activiteit leidt tot het beeld van de geleerde als tovenaar die zijn gevaarlijke experimenten soms met de dood moet bekopen, een beeld dat werd gecodeerd in de mythe van Dr. Faustus.

Wat ging er dan mis, dat we van deze dynamiek bij de verschraalde Casaubon uit Middlemarch zijn uitgekomen? Het is hier dat Nuttall, hoe briljant hij ook is, het spoor soms bijster raakt. Twee factoren, die in zijn boek meer nadruk hadden verdiend, springen in het oog. In de eerste plaats: de protestantse reformatie en katholieke contrareformatie, die hongeraars naar kennis een waarschuwende vinger toestak, en hen soms zelfs op de brandstapel brachten. In de tweede plaats: de scheiding tussen humaniora en exacte wetenschap, die er in toenemende mate toe leidt dat ook de menswetenschappen zich van de weeromstuit een keurslijf van exactheid aanmeten, en `saai' moeten worden.

Nuttall stelt nu terecht dat juist die oude wetenschappelijke zorgvuldigheid het sieraad is van de geleerde: juist dat vormt de kern van zijn integriteit en het wapen dat hem kan doen triomferen. Waar het om gaat is de balans tussen precisie en plezier. En op dat punt falen Pattison, en in zijn kielzog Eliots Casaubon, inderdaad, en mislukken ze als geleerde én als mens.

De latere Victoriaanse periode is spreekwoordelijk geworden voor repressie. Een probleem voor geleerden, want de teksten uit de Oudheid die zo intensief moesten worden bestudeerd, wervelden van de seks en sensualiteit. Nuttall demonstreert de intellectuele verlamming die van dat contrast het gevolg is aan de hand van Tom Stoppards stuk over de geniale classicus-dichter A.E. Housman, The Invention of Love. De dichter Housman is diep geremd, maar Housman de geleerde is vrij. Essentieel voor een begrip van zijn werk blijken juist de reputatie van verdorring en wereldvreemdheid die vanaf de negentiende eeuw aan ouderwetse geleerdheid is gaan kleven.

De historische reputatie van geleerdheid verklaart bovendien voor een niet onaanzienlijk deel een aantal problemen in de huidige academische wereld. Proefschriften in de humaniora moeten bij voorkeur ook leuk, pakkend of actueel zijn, hoogleraren moeten weer groots en meeslepend leven, zichtbaar zijn, charmante mannen van de wereld. In dat streven, stelt Nuttall vast, verliezen zij de ware aard van de wetenschap soms uit het oog.

Dead from the Waist Down is van Nuttalls opvatting over die ware aard van de wetenschap, met alle zijsprongen en nauwgezette documentatie, zelf bewust een voorbeeld. Niet saai, wél accuraat. Niet politiek correct, wél onkreukbaar, en voorts elegant, met plezier en levenslust geschreven. Niet gemakkelijk (voor het meeste leesplezier met dit boek dient de lezer niet alleen Middlemarch te kennen, maar ook vele andere klassieke werken), wél vruchtbaar en inspirerend.

Zulke karakteristieken vormen dan ook niet minder dan de beginselverklaring waarmee het boek eindigt: kennis omwille van kennis, streven om geen enkele fout te maken, is een nobel en allerminst dor tijdverdrijf, dat niettemin hoge verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Die zijn: het doorgeven van de canon van grote literatuur in onderwijs en onderzoek, en het (her)ontdekken, opnieuw belichten, weer begrijpelijk maken van minder bekende werken. Misschien is juist de betreurenswaardige verdorring van de negentiende eeuw wel debet aan het vergeten van een aantal van de meesterwerkjes die de lezer op de voorgaande pagina's van deze bijlage heeft kunnen aantreffen.

A.D. Nuttall: Dead from the Waist Down. Scholars and Scholarship in Literature and the Popular Imagination. Yale University Press, 228 blz. euro 28,15

    • David Rijser