Mag ik één keertje opscheppen?

De biochemicus Hans Bloemendal is al 55 jaar voorzanger in een Amsterdamse synagoge.

,,Een orgel hoort men daar niet graag, dat klinkt zo christelijk.''

Op de werkkamer van professor Hans Bloemendal aan de Katholieke Universiteit in Nijmegen verwijst alleen een foto met prins Bernard naar het andere leven van de biochemicus. De joodse oppervoorzanger Bloemendal poseerde in 1996 naast de prins toen hij een Zilveren Anjer kreeg voor zijn inzet bij de instandhouding en verbreiding van het Amsterdams chazzanoet. Hij legde die joodse voorzangerskunst vast in een omvangrijk boek en op plaatopnamen. In zijn lofrede zei prins Bernard tot Hans Bloemendal: ,,Wat uit een zee van bittere tranen is gered, staat nu in bloei.''

In de Nederlands-Israëlitische hoofdsynagoge aan het Amsterdamse Jacob Obrechtplein is Hans Bloemendal elk weekeinde bij verschillende diensten de voorzanger. Bloemendal kleedt zich voor de gebedsdienst in een zwarte toga. Daarin lijkt hij op een dominee, een rechter, een advocaat en een professor. ,,Dat is allemaal assimilatie, aanpassing aan lokale gebruiken.'' Pas de zwarte muts en het gebedskleed dat Bloemendal over de toga drapeert, maken hem tot de legendarische joodse voorzanger.

Volgend jaar hoopt Bloemendal in Amsterdam zijn 55-jarig voorzangersjubileum te vieren. De tachtigjarige tenor met zijn heldere, krachtige en wendbare stem werkt doordeweeks ook nog steeds in het researchgebouw in Nijmegen. ,,Vijftien jaar geleden, op mijn 65ste, moest ik met emeritaat hoewel ik een contract had tot mijn zeventigste. Ik heb nog geageerd tegen die wetswijziging. Maar de professoren, de lapzwansen, hebben zich niet georganiseerd. Ik werk hier toch gewoon door, met de kerstdagen ook.''

Professor Bloemendal demonstreert met enige ironie zijn trots als wetenschapper. ,,Mag ik één keertje opscheppen? Ik ben aan deze universiteit kampioen met 77 promoties. Elders ook nog een paar, maar dat telt niet. Sinds mijn emeritaat word ik hier geduld. De eerste jaren kreeg ik nog geld van de EG voor biochemisch onderzoek. Nu kost mijn werk me geld. Ik heb gelukkig allerlei prijzen gekregen, vooral uit Amerika. De laatste was honderdduizend dollar, toen de dollar nog 2 gulden 50 was. Ik had naar het casino kunnen gaan om alles op rood te zetten. Of op zwart. Ik had ook een Mercedes kunnen kopen. Maar ik stopte het geld in een stichting die mijn wetenschappelijk werk betaalt. Ik zit hier nu in goede overeenstemming met mijn collega's en mijn ex-medewerkers.''

Slokje water

Ook zijn komende 55-jarige jubileum als Amsterdams voorzanger ziet Bloemendal als een kampioenschap. ,,Ik ben in 1949 begonnen en wilde dit graag halen. Het is een wonder dat ik nog steeds zo kan zingen. In dit vak moet je altijd op je tenen staan, maar dat lukt nog heel aardig. Er zijn voor een voorzanger moordende feestdagen, zoals Grote Verzoendag. Dan moet een orthodoxe jood vasten. En vasten is bij ons: vierentwintig uur niet eten, niet drinken en geen leren schoeisel. Dat laatste is geen probleem. De avond voor Grote Verzoendag heb ik een dienst van bijna twee uur. De volgende dag heb ik de middagdienst, ongeveer drieëneenhalf uur. Staan, niet zitten, geen glaasje water drinken. Aan het eind van het feest zing ik nog eens in een dienst van anderhalf uur. Dat is een grote fysieke inspanning. Zelfs geen slokje water voor de keel. Maar ik heb nog nooit last gehad van een droge keel.''

In zijn wetenschappelijk werk overwint Bloemendal soms ook fysieke grenzen. Voor een onderzoek naar de samenstelling en functie van ooglenzen bekeken Bloemendal en zijn medewerkers tussen 1967 en 1977 een miljoen kalverogen. ,,We hebben destijds enkele erfelijke eigenschappen van de bouw en de werking van de ooglens weten te isoleren. Dat verscheen in Nature. Nu werken we aan de elasticiteit van mensenogen. Net als bij kalverogen gaat dat het beste bij jonge exemplaren. Deze week kregen we er tien van mensen die hun lichaam ter beschikking hebben gesteld van de wetenschap. Mensen van in de dertig. Daar wil je niet over nadenken.''

Bloemendal is een orthodoxe jood die zich streng houdt aan de oude religieuze wetten, nog afkomstig van Mozes. Hij neemt de spijswetten in acht, eet kosher, de keuken is in twee delen ingericht, hij loopt op de sabbat naar de synagoge. Tegelijkertijd houdt hij zich bezig met genen en manipulatie van het door het opperwezen gegeven leven. Voor Bloemendal zijn geloof en wetenschap geheel gescheiden. ,,De woorden zeggen het al: wetenschap is onderzoeken wat je bewijzen kunt. Geloven is geloven en het geloof is onbewijsbaar. Daarom stoort bij mij het ene het andere niet. Wel is het zo dat de wetenschapper gelooft dat veel nog niet of nooit kan worden bewezen. Ook al ontdekt de wetenschap van alles, het leven, de wereld, het heelal zijn en blijven wonderen. Er is meer tussen hemel en aarde dan wetenschap.''

Diezelfde onafhankelijkheid heeft Bloemendal ten opzichte van het rooms-katholicisme waarmee hij heel zijn leven in aanraking is geweest. Zijn ouders, een Nederlandse vader en een Duitse moeder, hadden in de Duitse stad Fulda waar ze woonden een katholieke hulp in de huishouding. ,,Als kleine jongen van vier ging ik wel eens met haar mee naar de mis en zij kende het Hebreeuwse dankgebed.'' Tijdens de oorlog, waarin zijn ouders en zijn zuster om het leven kwamen in het kamp Sobibor, was Bloemendal ondergedoken bij de katholieke familie Van Gils in Alphen aan de Rijn. En sinds 1965 is hij hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. ,,Ik heb als jood nooit enig probleem gehad op de KUN. Ik heb wel eens een grapje gemaakt: Als jullie mij gaan bekeren, ga ik jullie besnijden.''

,,Ach, ze zijn in Nijmegen zó weinig katholiek dat ze volgend jaar de `K' van katholiek gaan afschaffen. Dan heet het hier de Radboud Universiteit. Ik vind het heel dom dat ze de traditie niet handhaven. Wie kent nu Radboud? In het buitenland kunnen ze het niet eens goed uitspreken! Het is een kinderlijk idee dat je zonder `K' in de wetenschappelijke wereld beter zou worden geaccepteerd. Maar daar word je alleen maar afgerekend op je wetenschappelijke prestaties.''

Zakdoek

Bloemendal kreeg al heel vroeg zangles. In het koor van de synagoge in Fulda was hij jongenssopraan. ,,In Amsterdam heb ik nog in mijn HBS-tijd proefgezongen voor het conservatorium. Mijn moeder ging mee en de mevrouw die mij beoordeelde zei dat ik eerst mijn neus moest snuiten. Ik had geen zakdoek, wel een keppeltje. Toen heb ik buiten mijn neus gesnoten in het keppeltje en daarna La traviata gezongen. Ik zou een tweederde beurs hebben gekregen, dus zo goed was ik ook weer niet.''

Na de oorlog kreeg Bloemendal les van de bas-bariton Hermann Schey, die nog ver na zijn tachtigste zong en doorging voor de oudste actieve professionele zanger ter wereld. Bloemendal ziet daarom Schey als een voorbeeld voor hemzelf. Maar Schey was eigenlijk geen goede leraar en Bloemendals techniek moest later worden bijgespijkerd door Corrie Bijster en Bodi Rapp, ook de lerares van Aafje Heynis en Elly Ameling.

,,Van Bodi Rapp heb ik de goede ademhaling geleerd, toen kon ik pas echt zingen. Dat heeft me al die jaren gered. Ik ben heel vaak niet tevreden over mezelf. Dan denk ik dat de mensen dat toch óók moeten horen. Maar dat blijkt dus niet. De mensen zijn tevreden en ze danken me na afloop. Ik doe altijd mijn best, of er nu in de synagoge tien mensen zijn of tweehonderd, ik brand altijd los. Ik doe het kennelijk toch wel redelijk goed, want anders zou ik eruit gegooid worden.''

Een voorzanger heeft in de joodse dienst een bijzondere positie en moet aansprekende solistische kwaliteiten hebben. ,,De voorzanger is vertolker van gebeden die de gemeente ook uitspreekt. De voorzanger is de vertegenwoordiger van de gemeente, in het Hebreeuws de sjaliach tsiboer, en hij moet dat zo goed mogelijk doen. Geloof en esthetiek gaan samen, dat is een joodse stelregel. De goddelijke gebeden moeten zo mooi mogelijk klinken, volgens het voorschrift hidoer mitzwa. Ook de priesterkleding moet zo prachtig mogelijk zijn. In de Tora lees je over de kleding met een gouden hoofdband en edelstenen van de Hogepriester.

,,De voorzanger zingt alle gebeden in het Hebreeuws en wordt geacht de betekenis van die vaak moeilijke teksten te kennen en niet alleen de noten te zingen. Ik ben denk ik de laatste voorzanger in Amsterdam die daarin examen heeft afgelegd. Er worden meer eisen aan de voorzanger gesteld. Hij moet ook melodieën zingen waartegen de gemeente niet in opstand komt. In de codex staat: de voorzanger moet de gemeente welgevallig zijn. Hij mag bijvoorbeeld geen eigentijdse rockmelodie zingen. Dat is goed voor de traditie, voorzover die dan deugdelijk is.

,,Als je in de praktijk zó lang voor een gemeente staat als ik, kan je echter geleidelijk toevoegingen doen, niet alleen variaties maar zelfs nieuwe melodieën. De eerste keer fronst men, later aanvaardt de gemeente dat, als je ze maar niet overrompelt. Er zijn alleen bepaalde gebeden, zoals Kol nidrei, het begin van de Grote Verzoendag, die kan je niet veranderen, anders krijg je een opstand. De Portugese joden zijn veel traditiegetrouwer. Waarschijnlijk negentig procent van hun melodieën is nog hetzelfde als honderden jaren geleden.''

Hoewel Bloemendal al zijn hele leven in de muziek zit, heeft hij weinig binding met de klassieke concertmuziek. ,,Ik woon in Amsterdam dichtbij het Concertgebouw, maar ik kom er zelden. Ik houd vooral van opera, Verdi en Puccini en operette, dat heb ik zelf gezongen. We hadden een clubje, Amsterdamse Opera Studio, en traden op bij joodse feesten in het land, in kostuum. Eén keer kwam de opperrabbijn zeggen dat het eigenlijk niet kon dat een voorzanger zong in Der Zigeunerbaron.''

Met enige schroom zeg ik tegen Bloemendal dat hij op zijn cd Kedushah soms klinkt als een Italiaanse tenor, met al die verglijdende noten, de glissandi omhoog.

Bloemendal. ,,Ja, dat horen joden graag! Wij Ashkenazische, Hoogduitse joden hebben in onze eredienst een enorme assimilatie van muzikale stijlen. Bij Lewandovski, componist in Berlijn van syngogale muziek, hoor je bijna niks joods. Maar wat is joods? Dan verwacht je iets oriëntaals. Maar wij kennen de wortels van de joodse muziek niet. Een mens maakt gauw grote fouten, de muziek van de Oost-Europese joden vindt men `joods' klinken. Maar die Oost-Europese joden zingen soms als in een byzantijns-christelijke mis.

,,Waarschijnlijk hebben we alleen nog echt oude traditionele melodieën in de voorlezing uit de Tora. Dat doet de voorlezer als een soort recitatief. In de oerkerk in Rome was er ook een cantor en een lector. De voorlezing gebeurt altijd op zangerige wijze. Er is in de joodse muziek ook geen directe verbinding met de uitvoering van de psalmen van David uit de tijd dat ze ontstonden. Het enige dat authentiek is, is de tekst.''

Een joodse `Bach' voor synagogale muziek is er niet. ,,Wij kennen ook geen instrumentale muziek. Na de verwoesting van de tempel door de Romeinen in het jaar 70 mocht geen instrumentale muziek meer klinken in de synagoge. Voordien hadden de Levieten in Jeruzalem een tempelorkest. Er zijn rabbinale sancties op het uitvoeren van orkestmuziek tijdens de dienst, dat mag alleen op bruiloften en partijen. Volgens de halacha, de joodse wetten, mag het wel op werkdagen. Maar orthodoxe joden doen dat toch niet. Jaren geleden zong ik wel op een huwelijksinzegening van twee muziekliefhebbers met begeleiding van blazers van het Brabants Orkest. Maar dat was buiten de liturgie. Later zong ik bij zulke gelegenheden wel met harp. Een orgel hoort men in de synagoge niet graag, dat klinkt zo christelijk. De liberale synagoge op het Europaplein heeft wel een orgel en zelfs een vrouwelijke voorzanger.''

Stampvol

Bloemendal is een productief publicist met 120 artikelen over joodse onderwerpen, onder andere in het Nieuw Israëlitisch Weekblad en de verhalenbundel voor kinderen Een licht bij de Klaagmuur, in 2000 heruitgegeven door Contact. Beroemd is Bloemendal ook door de verzameling Amsterdams chazzanoet, de kunst van chazzan, de voorzanger. ,,Daar heb ik ook melodieën van mezelf ingezet. Die kans had ik één keer en die heb ik gebruikt. Op zeven cd's heb ik ook de hele Amsterdamse liturgie ingezongen. Dat is buiten de synagoge niet echt aangenaam om naar te luisteren, maar het is goed dat het vastligt. Het is meer voor studie voor mijn opvolgers.''

Bloemendal heeft de laatste 65 jaar het joodse leven in Amsterdam sterk zien veranderen. ,,De orthodoxe synagoge is afhankelijk van joden die in de buurt wonen, we mogen niet met de auto rijden op de sabbath. Voor de oorlog was er in de Grote Synagoge, die nu het Joods Historisch museum is, een voorzanger met zilveren stem en een fantastisch koor. Maar later waren de diensten daar ook niet goed bezet doordat veel joden naar Oud-Zuid verhuisden. Daar is in 1928 de synagoge aan het Jacob Obrechtplein gebouwd. Toen ik daar voorzanger werd, was het iedere sabbat stampvol. Maar velen zijn vertrokken naar Israël, ook mijn kinderen, al zijn er twee weer terug. Anderen verhuisden naar Buitenveldert.

,,Op een gewone sabbat komen er niet veel mensen, op vrijdag is er zelfs droevig weinig bezoek. Mensen zijn gewoon laks, ze willen wel dat de gemeente orthodox wordt geleid, maar willen het niet zelf praktiseren. Ze komen alleen met Grote Verzoendag, dan is het stampvol, én met joods Nieuwjaar.

,,Dat ik daar nog steeds sta als voorzanger, bewijst dat het niet zo gemakkelijk is een opvolger te krijgen. Ik heb twee jongens les gegeven. De een ging naar Engeland, de andere heeft pas nog een deel van een grote dienst gedaan. Hoe moet het dan in de toekomst? Dat is een goede vraag. Ach, uiteindelijk komt er wel iemand.''

Hans Bloemendal op cd: Philips 468 098-2 (driedubbele cd)

    • Kasper Jansen