Klimmen met Gletscherbrand

In de eregalerij van romanpersonages ontbreekt wat mij betreft één naam: Camillo Monticuli. Een hoofdpersoon kun je hem nauwelijks noemen. Het boek waarin hij figureert telt 570 pagina's, zijn rol duurt niet langer dan vierentwintig bladzijden. Maar Monteculi zorgt er op zijn dooie eentje voor dat het boek waarin hij optreedt een meesterwerk mag heten. Ik heb het over Störungen des Affektlebens. Die parapathische Erkrankungen (1923), met name deel IV Die Impotenz des Mannes. De schrijver is Wilhelm Stekel (1868-1940). Stekel was een collega van Freud, een vriend in den beginne, maar hij vond dat Freuds theorieën diens blik soms belemmerden, en stelde zichzelf als psychiater in de ziektegeschiedenis van zijn patiënten minder centraal op. Hij schreef: `Het prikkelt mij zo nu en dan uit de symptomen van een zieke zijn levensroman te reconstrueren.'

In de vierentwintig Monteculi-bladzijden hebben we precies met zo'n levensroman te maken, een kunstwerk dat in geen lijst met wereldliteratuur mag ontbreken, want Stekel kan prachtig schrijven. Er komen in Die Impotenz des Mannes overigens heel veel van dergelijke, in klein corps gezette, meeslepende levensromans voor, maar die over de onmachtige bergbeklimmer is veruit de mooiste.

Camillo Monticuli is een robuuste verschijning van rond de zesentwintig, zij het dat zijn ene arm door een schotwond uit de Eerste Wereldoorlog iets minder beweeglijk is. Hij is een hartstochtelijk bergbeklimmer, maar elke keer als hij zich een klim voorneemt, of op zijn minst een steile wandeling omhoog, krijgt hij last van toestanden.

`Ik kan gaan noch staan en vergeet alles', zegt hij. `Vooral als ik de bergen in wil.' Op zijn dertiende gaat Camillo met zijn leraar uit klimmen op de Rax, een punt in Tirol. Hij geniet van het uitzicht, maar krijgt klachten: druk in de nieromgeving, kniepijn, trek in de heupen, obstipatie, boeren, speekselvloed. Eenmaal beneden neemt moeder hem mee naar zee, waar de arme Camillo, tot de strandstoel veroordeeld, alleen maar van hoogten kan dromen. Hij wendt zich tot het lezen van bergbeklimmersboeken, opwindende lectuur: ter hoogte van de heup neemt hij een ongedacht symptoom waar – Gletscherbrand.

Van zijn dertiende tot zijn zesentwintigste gaat het niet goed met Camillo's klimmerij. Er is sprake van onmacht, na een geïmproviseerd maaltje met doppers uit blik halverwege de top krijgt hij bovendien conservenvergiftiging. De dokter verbiedt hem zijn sport te bedrijven, de patiënt doet het stiekem toch. Waarom? `Bij het klimmen is het vooral het gevaar dat me opwindt. Maar afgelopen juli ben ik een beetje te ver gegaan. Ik beklom op nogal slordige manier de hoge wand en bleef op een doorgaans gemakkelijk stuk jammerlijk steken.'

Vanaf dat moment durft Camillo niet meer alleen. Gelukkig is er zijn vriend Theo, die gaat mee naar boven en ziet waar 'm de kneep zit: `Kerel, wat ben je aan het doen? Dat is geen klimsport meer, dat is rotsneuken.' Camillo geeft hem gelijk: `Ja, ik coïteer de bergen en kom klaar.'

Dan valt het sleutelwoord in Camillo Monteculi's levensroman: Erfolglosigkeit. We hebben intussen duidelijk met een personage te maken dat langzaam zijn eigen ziel begint te doorgronden: `Mijn fanatieke hartstocht voor de bergen moest me over mijn twee nederlagen met vrouwen heen helpen. Twee verbroken verlovingen, dan weet u het wel. En dan heb ik me naar die bergen toe óók nog eens impotent betoond. Toen ben ik dus begonnen met wat ik bergonaneren noem.'

Een wijze beslissing van Camillo om eens een goede dokter als Wilhelm Stekel op te zoeken.

En? Hoe loopt dat af? `Mit etwas Geduld wurden nach und nach alle Schwierigkeiten bis zur normalen Ausübung des Sexualverkehrs überwunden – mit wellenförmig steigender Potenz. Camillo will nicht mehr den patenten Kerl spielen. Er hat nach allerlei Versuchen seit lange ein festes Verhältnis mit einer vier Jahre ältere Witwe, die eine reicher Pension bezieht.'

Op dat moment gunnen we de geplaagde Camillo alle Erfolg van de wereld, maar een beetje jaloers zijn we ook. Met wellenförmig steigender Potenz een vaste berg van genot beklimmen in de gedaante van een gevaarlijk rijpe, gevaarlijk rijke weduwe – Stekel heeft in onvergetelijke, maar desondanks vergeten bladzijden woorden geschonken aan de droom van elke man.

Wilhelm Stekel: Die Impotenz des Mannens. Urban & Schwarzenberg. 1923

    • Atte Jongstra