Je schiet zo de kijkdoos uit

`Alles is zoals altijd: ijlings/ op weg naar ver weg.' Zo begint het eerste gedicht van de titelcyclus in De karpers en de krab van Wouter Godijn. Voor wie zijn eerdere bundels gelezen heeft zijn dit vertrouwde klanken. In Alle kinderen zijn van glas (2000) en Langzame nederlaag (2002) waren `eg', `wegmaken', `weglaten' en `vergeten' al sleutelwoorden, en op dit punt is Godijn niet veranderd. Elk van zijn verzen lijkt een verdwijntruc – te meer omdat de dichter hardop denkend regelmatig in zijn eigen tekst verdwaalt.

Godijn beschrijft een chaotische wereld. Een onveilige wereld ook, waarin mensen op konijnen lijken of in konijnen veranderen. Een wereld waarin `heel rustig, heel sereen' het zonlicht de kamer `verkracht' en waarin het douchegordijn een wonder is omdat het `per slot van rekening te vergelijken valt/ met een onherbergzame ijsvlakte'. Alles blijkt stof voor poëzie. Ook de poëzie zelf, want er is geen dichter in ons land die zo vaak het woord `gedicht' in zijn verzen opneemt.

In deze baaierd van indrukken en uitvluchten past geen vaste vorm. Er wordt nu en dan gerijmd, maar de regels meanderen over de pagina en de afloop van de gedichten is onvoorspelbaar. Er zijn vaste elementen – wijsheid en domheid bij voorbeeld – maar niets is zeker. `Ik wou wel iets met wolken,' meldt het gedicht `Hemel(s)lijm', `maar ik weet eigenlijk niet wat./ Ik wordt omringd door zo'n groot, mild-gonzend vergeten/ dat er nauwelijks plaats over is/ om iets te weten.' De zoekende formulering is een kenmerk van Godijns poëzie; kenmerkend ook is dat er zelden iets gevonden wordt.

Zoals in de vorige bundels blijkt ook in De karpers en de krab niets waar of wat het leek. Typerend is het gedicht `Nog eens over de waarheid', dat uit twee elkaar weerstrevende delen bestaat. Het eerste deel begint met een schijnbaar ongerichte vraag:

Waarom moet een kameleon uitgeroeid

en de spreeuw niet? Wie golven bemint

moet naar het golfslagbad. Of een pot bruine bonen kopen

de bonen uit de pot halen

en een voor een aandachtig, volhardend

bekijken.

Poëzie lezen kan beter achterwege worden

gelaten:

de papegaai, de kameleon, de jungle.

Op quasi-jolige toon wordt hier een vergelijking vol onbekenden gepresenteerd. Zijn er wel overeenkomsten? Is er een samenhang? Misschien niet in bovenstaande regels, maar het tweede deel biedt uitzicht:

Net als de schepping berust het bovenstaande op een vergissing:

er is een overeenkomst tussen alles

en de kameleon moet worden uitgeroeid.

Een boon is een boon is een boom

is een golf is de zee

is de waarheid – de zee is immers altijd waar –

is niet waar en omgekeerd

omgekeerd! omgekeerd! als een schommel,

heen en weer, hoger en hoger:

je bent opeens terug in het kind

dat je was. Je roept: Harder pappa!

de lucht verandert in blauw papier, je schiet er dwars doorheen,

de kijkdoos uit.

Na een melige Gertrude Stein-pastiche krijgt het gedicht een verrassende wending. De dichter in het kind vlucht de werkelijkheid uit, en daarmee blijft de vraag naar waarheid onbeantwoord.

Er is een poëzie die mij liever is, maar het experimentele karakter van Godijns letteroefeningen intrigeert. Ook waar de doelloze meligheid me tegenstaat, spat het elan van de pagina. Godijn schiet met hagel, maar durf valt hem niet te ontzeggen. Hij is productief en zijn stijl is authentiek; zijn formulering lijkt misschien wel op die van dichters als Alfred Schaffer, maar de dolzinnige grilligheid is bij uitstek Godijn. Een vers als `De vangst van de heer Gamma' zie ik geen andere dichter schrijven. Die vangst verliep volgens plan. `Al zult u nog wel iets te drenzen hebben/ in de trant van: ik ben getuige/ van iets wat niet kan'. Maar het onmogelijke blijkt waar. Gamma paste door geen enkele deur en in geen enkel gedicht. Gamma te groot, te zwaar?

Wij hebben hem verkleind

en zo lang er zo nu en dan iets rijmt

blijft dat zo. Desnoods moet gamma op de po.

De lezer zij dus gewaarschuwd.

Wouter Godijn: De karpers en de krab. Contact, 54 blz. euro 14,50

    • Arie van den Berg