In de wereldstrijd

Maken de leiders van de schurkenstaten aanstalten om zich te laten reclasseren? Nadat Iran vorige maand ermee had ingestemd zich op zijn nucleaire activiteiten te laten controleren, volgt Libië. Intussen zit Saddam Hussein alweer bijna twee weken achter de tralies. Dit heeft onder meer tot gevolg dat in Irak meer arrestaties worden verricht en het aantal aanslagen afneemt. De strijd tegen de vijanden van de wereldorde maakt plotseling grote vorderingen. Toch geldt tot na de feestdagen voor de Amerikanen de alarmfase `oranje', de op één na hoogste staat van paraatheid. Hoe valt dit alles te verklaren?

Het is te danken aan de oorlog tegen Saddam, zeggen de haviken in Washington. Tegenslagen en toekomstige problemen daargelaten, is de overwinning in Irak het begin van een mondiale hervorming. Zonder deze oorlog had Saddam nog in volle vrijheid zijn volk kunnen terroriseren. En Irak en Libië waren onverminderd een bedreiging voor de `internationale gemeenschap' geweest. Nu komen de terroristische regimes langzamerhand tot het inzicht dat ze geen toekomst hebben. Terwijl ze zich aanpassen, proberen ze hun huid te redden. De vijand heeft alleen eerbied voor de harde hand, een politiek van kracht. Hij is nog niet verslagen, er moeten nog offers worden gebracht, hij zal nog een wanhoopsoffensief beginnen, maar de overwinning komt nader.

Geen sprake van, zeggen de tegenstanders van de oorlog. Kolonel Gaddafi had zich vóór de oorlog al plooibaar getoond. Dat was het resultaat van economische en diplomatieke druk, internationaal, geduldig volgehouden. Op dezelfde manier had Saddam behandeld kunnen worden. In plaats daarvan heeft het Amerika van president Bush, met hulp van een paar ondergeschikte bondgenoten, onder valse voorwendsels, een samenraapsel van opgesierde dreigingen of gewone leugens, voor de oorlog gekozen. Zeker, Saddam is gevangen, maar Irak is een chaos. Van de drie `volksdelen' die elkaar nauwelijks of niet kunnen verdragen, wordt verwacht dat ze zich binnenkort tot één democratische staat zullen verenigen. Eerder kruipt een kameel door het oog van een naald (om het in de sfeer van de komende dagen uit te drukken). Aan de bezetting komt voorlopig geen einde. Landen die niet tot de Coalitie horen, worden van de wederopbouw uitgesloten. De voormalige vrienden beramen tegenmaatregelen. Bij gebrek aan herstel blijft Irak een magneet voor terroristen. Ook de oorlog heeft duizenden het leven gekost. De vreedzame finale is nog niet in zicht. En ten slotte, door zich in Irak met handen en voeten te binden, heeft Amerika zijn ruimte van handelen in andere potentiële crisisgebieden beperkt.

De geschiedenis zal ons gelijk geven, zei Tony Blair toen de eerste fase van de oorlog in volle gang was. Wie weet. Maar wiens geschiedenis, wanneer, en tegen welke prijs? Welk punt van deze weg hebben we nu bereikt? Dat is het onderwerp waarover ik regelmatig in deze krant schrijf. Een columnist is iemand die zich op eigen gezag in de publieke zaak mengt (daartoe in staat gesteld door zijn krant, of zoals Dwight MacDonald, I.F.Stone, Alexander Cohen, Jacques Gans in zijn eigen blaadje). Behalve dit probeert hij de geschiedenis te schrijven terwijl die zich ontwikkelt. Hij oordeelt terwijl de worsteling in volle gang is. Velen stellen dat op prijs zolang ze het ermee eens zijn; anderen vinden het aanmatigend. In deze laatste column van het jaar probeer ik een korte verantwoording te geven.

Vóór de oorlog uitbrak, terwijl het steeds duidelijker werd dat hij onafwendbaar was, ben ik er tegen geweest. Ik was het eens met degenen die van mening waren, dat de rechtvaardiging op zijn best zwak was. En ik vond dat het leidende, neoconservatieve denkbeeld, de hervorming van het Midden-Oosten tot een gemeenschap van democratische staten, getuigde van een onderschatting van die opgave – of klus, zoals we tegenwoordig zeggen – en een overschatting van de eigen macht. Verder was het gemakkelijk te voorspellen dat de oorlog zelf zou leiden tot een splitsing van het westelijk bondgenootschap, en van de publieke opinie in de landen die er deel van uitmaken. Lang voor de eerste bom viel hadden de internationale en nationale tegenstellingen al een graad van giftigheid bereikt, vergelijkbaar met die in de Suez-crisis en de tijd van de dekolonisatie. Op mijn bescheiden schaal heb ik het ervaren. Er waren lezers die mij bijvielen; anderen die me voor een geheim lid van de Ba'athpartij of vriend van Saddam versleten. Dank voor alle reacties. Ik ben blij dat ik gelezen word.

Toen de oorlog een voldongen feit was, had het geen zin, er nog tegen te zijn. De directe strijd kon in eerste aanleg maar op één manier aflopen: met de snelle overwinning van de Amerikanen. Op 1 mei was het zover, en zeven maanden later, met de arrestatie van de clochard geworden dictator voor de tweede keer. Over de mvw's hebben we het niet meer. De zich in een, op het ogenblik, afnemende guerrilla voortslepende oorlog heeft aan het einde van het jaar deze gevolgen. Eén schurkenstaat is opgeheven. De overgeblevenen zijn zich zichtbaar bescheidener gaan gedragen. Dat, nemen we aan, het valt niet te bewijzen, is te danken aan zowel de oorlog als aan de anderszins toegenomen internationale druk. Dat is een groot winstpunt voor de hele `internationale gemeenschap', ook al omdat een volgende oorlog op het ogenblik niet denkbaar is. De dreiging van het internationaal terrorisme, samengevat Al-Qaeda, duurt voort. De `internationale gemeenschap', in het bijzonder het Westen blijft diep gespleten. Er is geen staatsman geloofwaardig genoeg om een verzoeningspoging te ondernemen.

Er zijn lezers die me het afgelopen jaar hebben gezegd: schrijf je nu alweer over Irak, over Bush. Ja, omdat ik denk dat wat we nu met een verzamelnaam Irak noemen, het allerbelangrijkste is wat het Westen sinds de Koude Oorlog is overkomen. Ik onderschat het belang van de hoofddoekjes, mevrouw Ayaan Hirsi Ali, de toestand bij de Spoorwegen, de toekomst van Radio 4 en nog veel meer, absoluut niet. Maar ik loop nu eenmaal een halve eeuw mee in de buitenlandse politiek. Ik probeer problemen uit te pluizen, schrijf over voors en tegens, ik merk dat Nederland aan het provincialiseren is; dat het openbaar debat verstikt in simplificaties; dat daarin steeds verder een giftige onverdraagzaamheid doordringt. Dat is de laatste luxe van deze aflopende periode: dat men denkt het monopolie van het volstrekte gelijk te hebben, en dat men daarmee de tegenpartij desnoods kan vermorzelen.

Het is niet meer in de mode. Ik ben iemand die de nuance zoekt.

    • H.J.A. Hofland