Het woeste wonen

,,Mijn huis is heel gemakkelijk te vinden'', zegt de man die in januari 2004 de Postcodeloterij heeft gewonnen. ,,Na de bushalte loop je een honderd meter verder. Dan kom je aan een poort die bewaakt wordt door tien kabouters. Daarachter ligt een grote tuin met een miniatuur Niagara waterval. Om aan de andere kant te komen, ga je op het vliegend tapijt zitten. Dat is heel leuk. Dan zie je een grote tempel met zuilen en torentjes. Daar woon ik.''

Dat is in de Noord-Brabantse gemeente Boekel, waar de gemeenteraad de welstandscommissie, of `architectuurpolitie' heeft afgeschaft. Las ik in de Volkskrant. Geciteerd wordt burgemeester Van den Vondervoort. ,,Wij willen een eind maken aan de betutteling. De mensen betalen hun huis tenslotte zelf. Dus waarom zouden ze niet zelf mogen bepalen welke vorm dat krijgt? Als anderen dat niet mooi vinden, moeten ze hun ogen maar sluiten. Maar ik ben ervan overtuigd dat de burgers voldoende verantwoordelijkheidsgevoel hebben om rekening te houden met elkaar.''

Is in Boekel een nieuwe fase in de algemene emancipatie van de Nederlandse huiseigenaar/bewoner aangebroken? Dat kunnen we op z'n vroegst over één, twee jaar weten. De strijd tegen de welstandscommisssies gaat verder. In 1997 heeft Carel Weeber, architect en stedenbouwer zijn begrip `het wilde wonen' geïntroduceerd. In een vraaggesprek met Bernard Hulsman, redacteur architectuur van deze krant, liet hij toen weten dat hij `een ramp' voorzag als de woningbouw niet werd geliberaliseerd. ,,Het vrijstaande huis moet weer de normale woonvorm worden. (...) In mijn ideaal gaan de mensen naar een bouwwarenhuis, een soort Gamma, dat huisonderdelen in verschillende variëteiten verkoopt. Binnen de grenzen van de gegeven mogelijkheden kunnen ze dan laten bouwen wat ze willen.''

Met zijn `ramp' bedoelde Weeber dat het nieuwe Nederlandse stadsbeeld en het gestaag verder volgebouwde landschap in zijn van verbeeldingskracht gespeende, kleine eentonigheid ons de levensvreugde dreigde te ontnemen. Een steeds groter deel van het volk werd ondergebracht in geprefabriceerde hondenhokken. Daar moest een eind aan komen. Velen waren het met hem eens. In Almere was al met meer variatie gebouwd. Van de echte wildheid in het wonen kwam het niet. Het wilde wonen werd tot gewild wonen, en verder kreeg je de `catalogus-woningen'. Bouwbedrijven stelden catalogi samen, met een verscheidenheid aan stijlen. Je kocht een kavel, wees het ontwerp van je voorkeur aan, en binnen een jaar had je je nieuwe huis.

Ergens in de buurt van Hoorn heb ik een paar jaar geleden een wijk met cataloguswoningen bezichtigd. Meteen aan de andere kant van de sloot stond een renaissancepaleisje. Verderop een rustiek onderkomen met een rieten dak. Een beetje Anton Pieck. Ook was er een Rietveld-achtig huis met op het erf een middeleeuwse waterput. Nog iets dat in de verte aan een provencaalse mas deed denken. Geen enkele woning op zichzelf kon je `wild' noemen; het was allemaal ontleend aan de bestorven geschiedenis. Maar het geheel was een dolle boel. Misschien de toekomst van Boekel.

In Amsterdam, onder andere aan de Borneokade, was een andere oplossing gevonden. Daar is een reeks huizen gebouwd, zoveel mogelijk volgens de wensen van de bewoners, maar met behoud van een eenheid van stijl. Doet dat afbreuk aan hun individualisme, persoonlijkheid, behoefte zich van de anderen te onderscheiden? Neem een ander voorbeeld. De Amsterdamse Plantagebuurt, Plantage Middenlaan, Sarphatistraat, Frederiksplein. Ondanks later aangerichte verwoestingen (met de sloop van de Galerij als onbetwistbaar hoogtepunt) is de eenheid van stijl gehandhaafd, zonder dat door de decennia heen het unieke Ik, door de generaties heen, daar nadeel van heeft ondervonden. Of dichterbij: het plan Berlage. Ook hier en daar door latere moderniseerders fanatiek aangevallen en soms met succes. Maar het geheel bleek steviger. Het is nog altijd een klassiek voorbeeld van moderne stedenbouw. Ga zelf kijken. Een eenheid van stijl is geen beletsel voor een rijke hoeveelheid varianten.

Wat de naoorlogse wederopbouw tot stand heeft gebracht, is vaak een gruwel. Hoewel lang niet overal. Maar Weeber had gelijk: het was de hoogste tijd om de kadaverdiscipline te doorbreken. Toen is er een andere discipline gekomen, van de vrije markt. Die wordt bepaald door vraag en aanbod. De vraag is zo gevarieerd als een lappendeken. Of als de inhoud van een grabbelton. Pik eruit waar je zin in hebt. Piet maakt de blits met zijn trapgeveltje, buurman Kees denkt aan een Frank Gehry serre. Moet kunnen! Maar met bouwen heeft het niets meer te maken.

    • H.J.A. Hofland