Het tedere onderzoek naar de dingen

Lang werd de Amerikaanse schrijver John Updike geassocieerd met pover huiskamerrealisme. Zijn stilistische virtuositeit bleef onderbelicht. Dat is veranderd dankzij een bundel met 103 korte verhalen, die algemeen wordt bejubeld. Amerika stelt hem nu op één lijn met Faulkner en F. Scott Fitzgerald.

Vaak lijkt een schrijverschap vergezeld te moeten gaan van een algemeen verspreid misverstand. Aan Gustave Flaubert kleeft nog steeds de misvatting dat zijn oeuvre alleen heeft kunnen ontstaan doordat hij leefde als een kluizenaar. (In werkelijkheid waren er perioden dat hij zwelgde in het Parijse salonleven, en jarenlang hield hij een pied-à-terre in Parijs aan.) Van William Burroughs wordt ook nu nog gedacht dat zijn werk voornamelijk bestaat uit opgeschroefde junkie-praat waar geen touw aan vast te knopen valt. Het misverstand rond Harry Mulisch is dat zijn werk gespeend is van iedere denkbare zelfspot, terwijl over Gerard Reve ten onrechte wordt beweerd dat hij zichzelf in zijn latere werk krachteloos herhaalde. (Lees Moeder en Zoon uit 1980 om te ontdekken hoe raar en onwaar die bewering is).

Wat is het misverstand rond John Updike en zijn werk? Dit: Updike is hoofdzakelijk een chroniqueur van zijn tijd. Wat Updike deed was volgens die critici niets dan pover huiskamerrealisme. Jarenlang is hij in de Amerikaanse kritiek onthaald op allerlei onbegrip voor de aard, inzet, authenticiteit en urgentie van zijn werk. Telkens weer keerden dezelfde vragen terug: waarom toch die fixatie op de kleine levens van kleine mensen in hun kleine slaapsteden? Waarom toch een romancyclus publiceren over een en dezelfde reactionaire burgerman, Harry `Rabbitt' Angström; waarom die tientallen verhalen over slepende huwelijken in het provinciale Amerika, waar de mannen en vrouwen het idee hebben hun levens te moeten aanpassen aan een seksuele en culturele revolutie die zich ergens, ver buiten hun horizon, schijnt af te spelen, maar naar bijzonderheden waarvan ze alleen even koortsachtig als machteloos gissen? Boek na boek beoordeelden Amerikaanse critici zijn werk naar de tot fetisj verworden maatstaf van de Great American Novel, om telkens weer dezelfde diagnose te stellen: Updike heeft geen authentiek thema en is een schrijvende antropoloog die zich vermomt als romancier; hij verspilt zijn talent aan onbeduidende zielenroerselen van duffe personages.

Nu heeft John Updike inderdaad veel en vaak geschreven over de kleine en minder kleine tragedies in de Amerikaanse suburbs. Over zijn burgerlijke, onopvallende personages in zijn boeken zei hij in 1982 in een interview: ,,Ik heb een diepgeworteld wantrouwen tegen spectaculaire boeken met spectaculaire personages. Literatuur hoort zich bezig te houden met het innerlijke leven van gewone mensen, zoals de Evangeliën dat ook doen.'' Dat voorschrift is bedenkelijk: literatuur `hoort' natuurlijk niets te moeten en niets te laten. Maar Updike's ergernis over het jarenlange onbegrip ten aanzien van zijn thematiek is begrijpelijk. Je moet dan ook wel beschikken over een scheve, benauwde en vooringenomen blik om er aan voorbij te gaan dat door die betrekkelijke tijdsbeelden altijd Updike's wezenlijke en blijvende obsessies schemeren, obsessies die hij deelt met vele schrijvers: God, ontheemding, seks, dood. Aan de seks in zijn proza werd nogal eens aanstoot genomen. Updike schreef er volgens sommigen te veel, te vaak en te expliciet over. Gek is dat; terwijl een generatiegenoot als Philip Roth er om werd geprezen, werd Updike er om gekapitteld. Maar bij Roth heeft alle seks altijd iets uitzinnigs en hypomaans. Het zijn vaak stadse neurotici annex getourmenteerde joods-intellectuele bohémiens van wie de seksuele activiteiten door Roth breed worden uitgemeten. Dat fascineert velen. Updike beschrijft daarentegen tamelijk coventionele seks, bedreven door gedempt levende burgers voor wie overspel hun grootste misdrijf is. Dat irriteert velen.

Intussen werd de tragiek die Updike in die seksuele encounters legde vaak over het hoofd gezien. Weinig anderen dan hij zijn zo goed in het vermengen van seksuele roes en onontkoombare desolatie en eenzaamheid. Bij Updike worden de antiheld Harry Angström, maar bijvoorbeeld ook Richard Maple, uit de Maple-verhalen, geknecht door hun libido. En dat libido is meer dan eens een metafoor voor de aard van hun gefrustreerd amerikanisme. Mannelijke Updike-personages weten niet lang nadat hun seksuele honger is gestild dat het leven elders is; dat Amerika het leven belooft, maar in hun geval niets dan dood te bieden heeft. De minnaressen van de Updike-personages zijn even vaak hun doodsaanzeggers.

Doordat de bezwaren tegen zijn thematiek vaak de aandacht opeisten, is Updike's stilistische virtuositeit onderbelicht gebleven. `Stijl is mijn eerste en laatste bezit', beweerde Nabokov eens, en in een aantal essays over zijn eigen werk heeft Updike hem dit met zoveel woorden nagezegd. In zijn memoires Self-Consiousness (1989) gaf Updike te kennen dat hij streeft naar `een stijl van tedere exploratie die zich om de dingen wikkelt, om tinten, stemmen en geuren, om de bevattelijke werkelijkheid'. Updike voegde eraan toe dat die omwikkeling van de werkelijkheid `natuurlijk in táál plaatsvindt'. Nabokovs proza heeft Updike van begin af aan sterk beïnvloed, en omgekeerd was Nabokov complimenteus over het werk van de toen nog jonge Updike. Nabokov viel zelden te betrappen op een woord van bewondering voor zijn tijdgenoten in de literatuur, laat staan dat hij een jongere collega complimenteerde, maar voor Updike maakte hij een uitzondering.

Terwijl Nabokov destijds direct en onmiddellijk Updike's stilistische gave opmerkte, bleven veel van zijn critici er jarenlang doof en blind voor. Misschien dat de kwantiteit van Updike's oeuvre de specifieke kwaliteiten onwillekeurig heeft overvleugeld. In ongeveer veertig jaar publiceerde hij vierenvijftig boeken, waaronder twintig romans, zeven verhalenbundels en vier verzamelingen van essays en kritieken van ieder zo'n 800 pagina's. Dat is veel. Met zo'n overvloed kan het zicht op de stilistische kwaliteitein die zich openbaren in de details wel eens vertroebeld raken. Een vuistdik boek over Harry `Rabbit' Angström dat zich als een page-turner laat lezen kan van de weeromstuit de aandacht afleiden van het raffinement op zinsniveau. Updike mag dan een diepgeworteld wantrouwen tegen spectaculaire personages koesteren; in zijn proza openbaart zich het spektakel in zijn stijl.

Recent bundelde John Updike in The Early Stories honderdendrie van de honderdenzeven korte verhalen die hij publiceerde in de jaren 1954-1973. De ontvangst in Amerika van deze bundeling is opmerkelijk. In The New York Times beweerde Cynthia Ozick dat Updike inmiddels definitief behoort tot de categorie van Amerikaanse Meesters, van dezelfde orde als William Faulkner en F. Scott Fitzgerald. Even verderop plaatst Ozick Updike in het illustere gezelschap van Balzac, Dickens, Trollope en Tsjechov. In The New York Review of Books roemt Lorrie Moore de Proustiaanse grandeur van Updike's vroegste verhalen uit Pigeon Feathers (1962) en prees hem als `Amerika's grootste korte-verhalen schrijver'. The New Yorker publiceerde een groot essay waarin Updike's proza op grond van The Early Stories werd bewierookt op een dermate intense manier die hem zelden eerder werd gegund. Er moet kennelijk enige tijd overheen gaan voordat algemeen wordt ingezien dat het oeuvre van John Updike oneindig veel méér is dan een hyperrealistische dwarsdoorsnede van het suburbane Amerikaanse (gezins)leven.

Opvallend is dat die gunstige omslag in waardering plaatsvindt na deze mammoetbundeling van zijn verhalen. Zelf maakte Updike altijd een scherp onderscheid tussen de aard van zijn romans en die van zijn korte verhalen. In de romans verwerkte Updike naar eigen zeggen niet of nauwelijks autobiografische facetten. Dat is anders in zijn verhalen. Halverwege de jaren negentig schreef Updike een essay getiteld The Short Story and I waarin hij benadrukte dat de meer dan tweehonderdvijftig verhalen die hij in veertig jaar tijd schreef, samen een soort schaduw-autobiografie vormden. Alle verhalen bij elkaar ziet hij als een logboek van `my life's incidents, predicaments, crises, joys'.

Sinds de publicatie van het eerdergenoemde Self Consiousness is het niet moeilijk om Updike's levensloop in telegramstijl weer te geven. Hij groeide op in een gehucht in Pennsylvania, als enig kind te midden van vier volwassenen: ouders en grootouders. Studie in Harvard en in Engeland. Op betrekkelijk jonge leeftijd getrouwd. Begin jaren zestig: een kortdurend verblijf in New York. Vaderschap en gezinsleven in Ipswich. Scheiding van zijn eerste vrouw na een huwelijk van twintig jaar. Een All American Life, kortom, en precies langs deze autobiografische lijnen heeft Updike in The Early Stories zijn verhalen in thematische secties geordend. Het resultaat is dat het exemplarische burgerleven hier de grondstof vormt voor een fijnmazige roman fleuve in-honderd-en-nog-wat verhalen.

Wie incidenteel een verhaal van Updike leest, is geneigd te denken: wanneer schrijft deze man eens niet over slepende huwelijken? Wie de verhalen in The Early Stories achter elkaar leest, begint zich af te vragen: wanneer heeft hij het ooit niet over de dood? Vooral de klassiekers onder zijn verhalen zijn miniaturen waarin de dood allesdoordesemend aanwezig is. In Amerika is zijn verhaal `Pigeon Feathers' uit 1962 uitgegroeid tot zo'n klassieker. `Pigeon Feathers' beschrijft onder meer de religieuze crisis van de opgroeiende David Kern. David leest H.G. Wells en is gescholkt door het robuuste atheïsme van deze schrijver die hij adoreert. In navolging van Wells ziet David ineens niets dan de horror van een godloze leegte. En David verwijt het zijn moeder dat zij hem heeft bedot met haar pasklare ideeën over God. Het verhaal eindigt met de scène waarin David de opdracht krijgt om op de boerderij van zijn grootouders een aantal duiven te slachten. Telkens wanneer hij een duif onthoofdt, concentreert David zich in een reflex op hun schoonheid, op de textuur van de veren bijvoorbeeld, `more wonderful than dogs hair, for each filment was shaped within the shape of the feather'. Juist tijdens de moord op de duiven overvalt hem een intense ervaring van gedroomde onsterfelijkheid, en in de schoonheid van die dode dieren ziet hij een vingerwijzing voor het bestaan van een bovenpersoonlijke Schepper. Als in het sterven van die duiven zóveel gratie en broosheid is besloten, dan kan het niet anders of die gratie en broosheid zijn ontworpen, doordacht. In de levenloze duiven openbaart zich de handleiding voor een Goddelijk plan.

Van veel latere datum is het even beroemd geworden verhaal `Transaction', dat met een bijna intimiderende precisie verslag doet van een hoerenbezoek. Aan het eind van het verhaal laat de mannelijke hoofdfiguur het gebruikte condoom stiekem vol water lopen. Het ding zwelt op en blijkt niet te lekken: `Hij had haar geen kind gegeven, en zij hem geen ziekte. Wat ze hem in plaats daarvan delicaat had meegegeven, was dood. Zij had seks eindig gemaakt. Altijd was seks groot geweest, en veel, te groot en veel voor systemen, een hemel zo absoluut en groots als zijn eerste jongensorgasmes, toen zijn hand via zijn geslacht zijn ziel raakte en een geluk loswoelde dat hij niet kon bevatten, iets als puur goud. Maar nu [...] doorzag hij die hemel en haakte zijn blik aan de zwarte gaten tussen de sterren.'

Initiatie, inwijding, schoonheid en dood bepalen ook de spanning in `A&P', door Updike zelf omschreven als het enige verhaal dat massaal wordt gelezen door mensen die vermoedelijk verder nooit een boek van hem hebben ingezien of zullen inzien. Het verhaal is namelijk opgenomen in vrijwel alle literaire anthologieën die op high schools en universiteiten tot de verplichte leeslijsten behoren. `A&P' is vernoemd naar de Amerikaanse supermarktketen en gaat over een jonge vakkenvuller die zich – het is begin jaren zestig in provinciaal Amerika – vergaapt aan drie jonge meisjes die na een dag aan het strand in bikini boodschappen komen doen. De jonge ikfiguur raakt overweldigd door de aanblik van hun halfblote lichamen in de onmiddellijke nabijheid van het koude, gekoelde in plastic gesealde rauwe rode en witte vlees. Als de chef van het filiaal de drie meisjes de deur weigert omdat ze onfatsoenlijk gekleed gaan, neemt de jonge vakkenvuller intuïtief ontslag. Het is maar een heel minimale verzetsdaad, maar daardoor zo ontwapenend en ontroerend.

Lyriek en de stijlpracht van `A&P' kunnen zich meten aan de beste korte verhalen van J.D. Salinger, wiens invloed zo mogelijk nog duidelijker waarneembaar is in Updike's allervroegste verhalen van eind jaren vijftig. Het ligt voor de hand dat `A&P' is opgenomen in alle Amerikaanse schoolhandboeken. De naamloze ik is in alle opzichten de typisch (anti-)held die Amerikaanse vrijheidsdrang vertegenwoordigt. De jonge vakkenvuller is een nazaat van Huck Finn, en een bescheiden zielenvriend van Holden Caulfield.

Over de helft van The Early Stories krijgen de `huwelijksverhalen' de overhand. De reeks verhalen over het echtpaar Richard en Joan Maple zijn in deze categorie het sterkst. Updike presteert hier wat voor cynici duf en suf en muf zal zijn, maar wat in feite het moeilijkste is voor een schrijver om van de grond te krijgen: de verbeelding van klein, alledaags geluk. Dat veronderstelde `klein geluk' wordt door de levendigheid van Updike's stijl waarlijk groot en groots – juist hier triomfeert Updike in zijn `tedere exploratie van de dingen'. Hij schetst de myriadische draden en verbintenissen van liefde waardoor het gezin Maple bijeen wordt gehouden, om te beginnen de liefde van de jonge kinderen voor hun dieren en hun speelgoed. Neem de achtjarige John Maple. Updike omschrijft het jongetje als een jonge mysticus met een engelengezicht; John is nog net van de leeftijd waarop hij, als hij met zijn plastic dino's speelt, in staat is zich te laten omgorden door `een onzichtbare placenta van toewijding en tevredenheid'. Verder is er de hoekige liefde van meneer Maple voor mevrouw Maple, terwijl mevrouw Maple vooral in beslag wordt genomen door een kuise liefde voor haar therapeut. Het gezinsgeluk maakt de Maples niet truttig maar gewijd, sacraal – en als vervolgens dat geluk in fasen wreed aan flarden gaat, betekent dat dan ook geen ontnuchtering maar een aangrijpende ontheiliging. August Willemsen schreef eens dat Tolstoj je met De dood van Ivan Iljitsj bij de lurven greep. Dat was voor Willemsen het criterium van grote literatuur: het grijpt je bij de lurven. Wie onbewogen blijft onder de Maple-verhalen, heeft geen lurven.

In interviews met Nederlandse journalisten heeft John Updike wel eens opgemerkt dat er Hollands bloed door zijn aderen stroomt. Voor dat bloed moet je dan wel dertien generaties terug, maar toch. Vanwege die Hollandse roots vroeg ik me af wat Updike's staat van dienst zou zijn indien hij niet een Amerikaanse maar een Nederlandse schrijver was geweest. Met wie zou hij zich verwant hebben gevoeld? Ik vermoed eerst en vooral Gerard Reve. Misschien ook Cees Nooteboom, maar dan uitsluitend vanwege Rituelen. En: welke jongere Nederlandse schrijvers zouden in hem een lichtend voorbeeld, een Hollandse meester hebben gezien? De interessantste onder de jonge schrijvers zouden zich om uiteenlopende redenen misschien wel met een specifiek aspect van zijn werk hebben kunnen identificeren. Erwin Mortier zou veel hebben herkend in de fijnmazigheid en bijna chirurgische precisie waarmee Updike zijn jeugd herschiep in zijn allervroegste verhalen. Zouden andere jonge schrijvers een Hollandse verwantschap hebben ervaren? Hafid Bouazza misschien, vanwege Updike's periodieke weloverwogen woorddronkenheid; Arie Storm vanwege de slimheid van zijn verhalen óver schrijvers (vooral de zogenaamde Henry-Bechverhalen); Désanne van Brederode vanwege de integere weigering om God dood te verklaren; het schrijversduo Jan Tetteroo vanwege de aanstekelijke durf om het ogenschijnlijke nietige en nabije tot literair materiaal te verheffen; en Herman Stevens, Manon Uphoff en Nanne Tepper vanwege de zwartlyrische onderstroom in zijn verraderlijk opgeruimde vertelwijze.

Het zijn natuurlijk allemaal gissingen. De praktische vraag is wie van genoemde schrijvers het werk van John Updike goed kent. Ik vermoed Arie Storm, Herman Stevens en Jan Tetteroo. Bij een aantal anderen leeft mogelijk het hardnekkige misverstand over Updike's vermeende gestalte van eendimensionale chroniqueur. De ontvangst in Amerika van The Early Stories wijzen uit dat dáár het misverstand eens en voor altijd uit de weg is geruimd. En vanaf nu hopelijk ook in Nederland.

John Updike: The Early Stories, 1953-1975. Knopf, 838 blz. euro 38,95

    • Joost Zwagerman